U heeft een indrukwekkende hoeveelheid titels
voor uw naam, ik zou bijna zeggen dat u de ideale kandidaat voor de
Nationale Wetenschapsquiz bent. Wat is uw achtergrond en heeft die
achtergrond een link met uw schrijverschap?
Met die titels valt het
wel mee, ik heb een meestertitel overgehouden aan een rechtenstudie
en ben ook afgestudeerd als econoom en vervolgens gepromoveerd aan
een faculteit bedrijfskunde. Een paar jaar geleden ben ik op een leerstoel
benoemd en dan krijg je er weer een titel bij. Ik begrijp niet zo goed
wat u bedoelt met een link met mijn schrijverschap. Als u vraagt of
datgene waar ik geacht word mij op de universiteit mee bezig te houden
soms aanleidingen oplevert voor literair werk en vice versa dan kan
ik dat heel voorzichtig beamen, met de aantekening dat ik niet denk
dat die aanleidingen, tussen de vele andere, bepalend zijn voor de
aard van mijn werk, in de ene vorm of in de andere.
Een universitaire
baan en een fikse productie dichtbundels en romans, blijft er dan nog
tijd over om te lezen? Welke dichters leest/las u graag en waarom?
De laatste bundel die u schreef, Eerst dit, dan dat is genomineerd
voor de VSB Poëzieprijs 2005. Ongeacht de genomineerden en deze
prijs, welke dichtbundel zou u zelf graag een prijs geven omdat u die
bundel diverse malen zou willen herlezen?
Een van de goede kanten
van mijn universitaire baan is de makkelijke toegang tot de universiteitsbibliotheken
en andere bibliotheken - ik kan de boeken die ik wil lezen in stapels
bij mij op de faculteit laten aanleveren.
Uw vraag naar dichters die
ik graag lees/las vind ik moeilijker te beantwoorden. Ik heb veel dichters
gelezen waaraan ik op de een of andere manier iets gehad heb en vandaag
(op andere dagen smijt ik met namen) heb ik het gevoel dat ik mij moet
schamen als ik er enkele noem en andere vergeet (of om welke redenen
ook oversla). Ik geloof niet dat ik mij ooit voorgenomen heb een bundel
te herlezen; ik herlees een bundel als ik, op grond van dat wat ik
mij van die bundel herinner, raad dat er in die bundel iets staat wat
ik nodig heb om verder te komen met waar ik mee bezig ben/mee overhoop
lig. In plaats van die dichters prijzen te geven (ik gun ze natuurlijk
alle prijzen van de wereld) zou ik het liefst iets schrijven waarover
ik mij zou kunnen voorstellen dat die dichters zouden kunnen denken
dat zij daaraan iets zouden kunnen hebben. Na deze zin mogen alle dichters
van de wereld met mijn naam smijten.
Als ik uw gedichten (tot Uit
7) lees, dan heb ik het idee dat het schrijven voor u een constante
zoektocht is. Een afweging en persoonlijke registratie van dat wat
bestaat. U zet die in een ongebruikelijke context, waardoor vervreemding
ontstaat bij de lezer. Daardoor gaat de lezer mee zoeken naar betekenis,
naar samenhang, naar een zinvolheid of een leegte. Kunt u zich hierin
vinden?
Ik zet niets in ongebruikelijke contexten en ik probeer zeker
niets vervreemdend te maken. In tegendeel, ik probeer door te schrijven
dat wat ik vreemd vind begrijpelijker te maken. Zo hard mogelijk lezen
van wat ik zelf geschreven heb is deel van het schrijven. Als het gedicht
goed is kan het de lezer, net zoals de lezende schrijver, helpen verdere
betekenissen en samenhangen te ontdekken of uit te vinden.
Eerst
dit, dan dat is een bijzondere bundel, die anders is opgebouwd dan
uw andere dichtbundels, maar wel aansluit bij uw debuutroman. Ik doel
hierbij op de link tussen Oost en West die u maakt: de schommelende
overgang tussen de anekdotisch verhalende gedichten van filosofische/religieuze/poëtische
leermeesters en de gedichten over Johannes aan het Kruis in de christelijke
cultuur. Hoe is deze opzet ontstaan, wat ligt er aan ten grondslag?
Ik schrijf in de eerste plaats gedichten en als gedichten in
een bepaalde richting beter lukken schrijf ik er soms meer in die richting,
ook om uit te vinden hoe ver mij dat brengt. Pas als de gedichten een
bundel beginnen te vormen begin ik er ook op te letten of een nieuw
gedicht in die bundel zou kunnen passen, al geloof ik niet dat ik ooit
een gedicht geschreven heb omdat een mogelijke bundel daar een lege
plaats voor had.
Tegelijk is wel zo dat er in de laatste bundel meer
nadrukkelijke samenhang en explicietere verwijzingen tussen de gedichten
zijn dan in vorige bundels, die overigens wat dat betreft onderling
nogal verschillen; de eerste twee waren vooral verzamelingen van het
beste wat ik daarvoor gepubliceerd of afgeschreven had; daarna werden
de bundels steeds meer eenheden, soms ook wat de vormkeuzes aangaat
(met name
Alvast) en in mindere of meerdere mate ook wat betreft doorklinkende
thema's, woorden en tonen.
Oost en west. De debuutroman (
Landschapsseks)
gaat gedeeltelijk ook over Chinese schilderkunst en over het bekijken
van Westerse schilderkunst alsof het Chinese schilderkunst was, en
van beide alsof ze deel uitmaken van een doorgaande commentaartraditie.
Het boek heeft natuurlijk nog een paar andere onderwerpen/aanleidingen,
het gaat bijvoorbeeld ook over seks alsof het deel uitmaakt van een
commentaartraditie en het is misschien ook een Anti-avonden (voor zo
ver er een Avonden-traditie in de Nederlandse literatuur is, over kunstzinnig
aangelegde pubers die in de knoop liggen met hun burgerlijke omgeving)
over hoe pubers opgroeien in een omgeving waarin zij van alle kanten
aangemoedigd worden grote kunstenaars te worden. Veel gedichten in
de laatste bundel (zoals ook al een paar in
De expeditie naar Cathay)
komen ook voort uit mijn lezen van Chinese en Japanse poëzie.
Ik ben die talen niet machtig maar ben toch zo vrij om, vooral in het
geval van Chinese poëzie, te denken dat de vertalingen in de talen
die ik enigszins beheers tegelijk jammerlijk tekortschieten en mij
voldoende in staat stellen om in mijn hoofd iets te lezen wat een grote
Chinese dichter geschreven heeft – er is dus een zeker risico dat de
Chinese poëzie die ik denk te kennen alleen maar in mijn hoofd
bestaat. De niet-Chinezen/Japanners, met name de Perzen en de Christenen,
zijn ook goede dichters die het (in ieder geval in mijn hoofd) over
soortgelijke problemen/zaken/toestanden hadden als de Chinezen en Japanners.
De aard van de bundel, en in die zin is er wel een verbinding
met Landschapsseks, maakte het mogelijk (misschien zelfs voor mij noodzakelijk)
om het 'met elkaar spreken' explicieter te maken, namen te noemen,
dialogen tussen bepaalde personen te schrijven tussen en binnen gedichten
(al heb ik dat allemaal ook wel af en toe in eerdere bundels gedaan,
maar nooit zo sterk door een hele bundel heen).
Ook opvallend is
de cirkelbeweging in de bundel, als een soort kruisweg, het op elkaar
aansluiten van de gedichten in thematiek en in woordkeus. Ik lees beweging
en verstilling. Heeft u bewust voor deze dynamiek gekozen en op welke
grond? Wat is voor u de centrale thematiek van deze nieuwe bundel?
Ik denk dat ik naar aanleiding van de vorige vraag al veel van
deze vraag beantwoord heb. Naast alles wat ik daar aangeduid heb zoek
ik natuurlijk ook naar melodie en ritme en een quasi-muzikale structuur
(die, omdat het poëzie is en geen muziek!, beoordeeld moet worden
op hoe die de betekenissen beïnvloedt).
Meer over Nachoem Wijnberg
is te lezen op
www.kb.nl/dichters/wijnberg/wijnberg-01.html
en in de recensie van
Eerst dit, dan dat in Meander 261.