'Hoe zal de kamer eruitzien waar we elkaar zullen ontmoeten?',
schreef Rilke aan de dichteres Tsvetajeva.
Nog nooit hadden ze elkaar
getroffen maar in hun correspondentie was de inkt gaan gloeien. In
augustus 1926 stopte Rilke plotseling met het beantwoorden van haar
brieven. Begin november stuurde Tsvetajeva hem een briefkaart met haar
nieuwe adres en alleen de woorden: 'Hou je nog steeds van mij?' Ze
ontving geen antwoord. Ze wist dat zijn gezondheid te wensen overliet,
maar kon zich niet voorstellen dat hij doodziek was. Op 29 december
1926 stierf Rilke en op 31 december vernam Tsvetajeva dat hij dood
was.
Het leven ontwikkelt zich voor Tsvetajeva als een hinderlaag.
Ze debuteert op achttienjarige leeftijd en trouwt twee jaar later met
de een jaar jongere Sergej Efron, hij is mooi, beďnvloedbaar en
tuberculeus.
Ze zal hem, naast haar escapades met minnaars en minnaressen,
altijd trouw blijven.
In hetzelfde jaar wordt hun eerste dochter
Alja geboren. Efron vecht aan diverse fronten terwijl moeder en dochter
in Moskou verblijven. In 1920 sterft haar tweede dochter, drie jaar
oud, in een kindertehuis de hongersdood.
Na Berlijn en Praag komt het
gezin in Parijs terecht. Haar dichterscarričre komt er niet
van de grond, voornamelijk omdat Efron publiekelijk zeer betrokken
is bij de communistische zaak. Nadat hij ontmaskerd is als sovjetspion
(in Zwitserland is hij medeplichtig aan de moord op een overgelopen
agent van Stalin) wordt Efron op last van de sovjetautoriteiten teruggehaald.
De Russische literaire kolonie in Parijs wil niets meer weten van Tsvetajeva,
alle kans op publiceren is verkeken. In 1939 verruilt ze met haar dan
veertienjarige zoon Frankrijk voor Moskou, nadat dochter Alja al eerder
was vertrokken.
In Rusland laten oude vrienden het afweten, ze heeft
geen publicatiemogelijkheid en doet onbevredigend vertaalwerk. Alja
krijgt - wegens spionage - acht jaar kamp, Efron wordt in 1941 gefusilleerd
en op 31 augustus van dat jaar hangt Tsvetajeva zich op.
Goed dat
u niet bezeten bent van mij,
Goed dat ik ook van u niet ben bezeten,
Dat
wij op aarde blijven en dat wij
Niet wegzweven naar andere planeten.
Goed
dat ik gek mag doen - losbandig, vrij,
Dat ik mijn woorden niet hoef
af te meten,
En dat een aanraking van uw kledij
Geen wild, benauwend
vuur in mij ontketent.
Goed dat u in mijn bijzijn ook gerust
Liefkozingen
van anderen kunt krijgen,
En dat u, als een ander mí j eens
kust,
Mij niet met hel en vagevuur zult dreigen.
Goed dat u steeds,
bewust of onbewust,
Mijn lieve naam, o lieve, zult verzwijgen...
Dat
nooit in 't godshuis, in gewijde rust
een halleluja voor ons op zal
stijgen.
Ik dank u voor dat alles; ik ben blij
Dat u, zonder er
zelf iets van te weten,
Zo van mij houdt: dank voor de zon die wij
Niet
samen zien, de niet met u gesleten
Verstilde nacht; dat wij elkander
bij
Zonsondergang en maneschijn vergeten,
Dat u niet - ach! - bezeten
bent van mij,
En dat ik - ach! - van u niet ben bezeten.
Marina
Tsvetajeva, 3 mei 1915
(vert. Anne Stoffel)
Marina Tsvetajeva
1892 – 1941
Rainer Maria Rilke 1875 – 1926
Literatuur:
- Tsvetajeva,
Het uur van de ziel, Leiden 1990
- Viktoria Schweitzer,
Tsvetajeva,
Amsterdam 1996
- Tsvetajeva,
Werken, Amsterdam 1999
De bovenstaande
tekst bestaat voor een deel uit citaten uit de genoemde werken.