Meander
log
Meander >

Meander Magazine >

Klassiekers >

 
  Publiceer je gedicht in Meander en bereik duizenden lezers
 
Gedicht van de maand april: 'Restauratie' van Menno van der Beek
alle bijdragen
reageer!
directe link voor dit item:
meandermagazine.net/l/?txt=469
door Herbert Mouwen op 01-04-2005
Restauratie

Zijn blauwe pak komt keurig uit de kast,
zijn schoenen zijn zo weer gepoetst. Hij kocht in Praag
een bontmuts met een speldje van het rode leger:

met zijn gezicht en met zijn handen heb ik alles
al bijna bij elkaar. Hij zal het dragen
als ik het vraag. Straks zit hij tegenover mij.

Ik moet het woord doen. Ik zeg: eigenaardig
dat u ook binnen met uw bontmuts op blijft zitten.

Hij kijkt mij aan. Zijn mondhoek komt omhoog
voor wie het zien wil. Achter in zijn ogen

bestaat een plaatje van zijn eigen vader,
compleet met gleufhoed en een brandende sigaar;

en dat maakt alles makkelijk te dragen.


Menno van der Beek (1967)



Het moet een tijd geleden zijn dat het kostuum uit de kast kwam. O nee, er mankeert niets aan, maar de schoenen – stoffig geworden – moeten opgewreven worden. In eerste instantie ben ik niet nieuwsgierig naar de drager van het pak en de schoenen. Ik zoek naar een persoon die handelt. Wie pakt het blauwe kostuum en de schoenen uit de kast? Dat is voor mij de vraag. En dan ligt er in die kast ook nog zo'n (waarschijnlijk blauwgrijze) bontmuts uit de tijd van het koude communisme of betreft het hier een van de spottend bedoeld souvenirs van na de Praagse lente die overal op het Wenceslausplein te koop zijn. Toeval of een betekenisvolle dissonant?
Nu al bekruipt mij het gevoel dat dit gedicht zal gaan over een vader-zoonrelatie, hoewel daar nog geen concrete aanwijzingen voor zijn. Een confrontatie met het verleden of een ontmoeting in het heden? Daar kan ik nog geen antwoord op geven, maar de volgende versregel is er een om over na te denken: 'met zijn gezicht en met zijn handen heb ik alles al bijna bij elkaar'. Heeft de ik-figuur zíjn gezicht en zíjn handen al? Wiens handen? De ik-figuur gaat een 'hij' vragen het pak en de schoenen en de muts opnieuw te dragen, want hij weet: 'Straks zit hij tegenover mij.' Vraag is natuurlijk of de vader – ik ontkom niet aan het idee – echt op bezoek komt of dat hij er niet meer is. In 'Straks zit hij tegenover mij' kan de 'ik' ook in de verbeelding tegenover hem zitten. De ik-figuur zal het woord moeten doen, de ander tegenover zal in de rest van het gedicht niets meer terugzeggen, slechts zijn mondhoek optrekken 'voor wie het zien wil'.
Op subtiele wijze wordt de lezer in de verbeeldingskracht van de 'ik' meegenomen. Het beeld van de man met de bontmuts heerst nu ook binnen, in het huis van de ik-figuur zelf, in zijn gedachten. Even denk ik dat dit beeld van man-met-bontmuts een verwijzing kan zijn naar een andere tijd, de tijd waarin hij leefde, een tijd die de ik-figuur niet kent, hoogstens van horen zeggen. Maar het gedicht is al verder dan ik met mijn verbeelding ben. Ik bevind me in het voorstellingsvermogen van de ik-figuur en moet met hem mee. Dit haast ongemerkt verschuiven van het gedicht van een concrete werkelijkheid naar een verbeelde werkelijkheid van de ik-figuur is fraai gedaan.
Op dit punt aangekomen wordt de vader ook actief: 'Hij kijkt mij aan' en omdat ik me als lezer mee laat sleuren door de gedachtewereld van de ik-figuur, kijkt hij mij óók aan, 'voor wie het zien wil' natuurlijk. 'Achter in zijn ogen bestaat een plaatje van zijn eigen vader'; het gaat er hier niet om de herinnering in tijd verder door te trekken, hoewel we nu echt te weten komen dat het gedicht om een vader-zoonrelatie gaat. Deze versregel fungeert als een vorm van troost voor de vader, de ik-figuur en dus ook de lezer die zich inmiddels volledig geïdentificeerd heeft met het wordingsproces van een herinnering aan een vader.
Onze herinneringen bestaan uit virtuele foto's, die we wanneer we heel goed kijken in onze gedachten kunnen oproepen en waarmee we het verleden kunnen restaureren. En plots realiseer ik me dat het kostuum, de schoenen en de bontmuts helemaal niet de kast hangen, maar dat de ik-figuur met een foto in zijn handen zit en kijkt, verbeeldt en ziet. En dan komt die prachtige polyinterpretabele slotregel: 'en dat maakt alles makkelijk te dragen.' Of is het toch weer anders?