Restauratie
Zijn blauwe pak komt keurig uit de kast,
zijn schoenen
zijn zo weer gepoetst. Hij kocht in Praag
een bontmuts met een speldje
van het rode leger:
met zijn gezicht en met zijn handen heb ik alles
al
bijna bij elkaar. Hij zal het dragen
als ik het vraag. Straks zit
hij tegenover mij.
Ik moet het woord doen. Ik zeg: eigenaardig
dat
u ook binnen met uw bontmuts op blijft zitten.
Hij kijkt mij aan.
Zijn mondhoek komt omhoog
voor wie het zien wil. Achter in zijn ogen
bestaat
een plaatje van zijn eigen vader,
compleet met gleufhoed en een brandende
sigaar;
en dat maakt alles makkelijk te dragen.
Menno van der
Beek (1967)
Het moet een tijd geleden zijn dat het kostuum
uit de kast kwam. O nee, er mankeert niets aan, maar de schoenen –
stoffig geworden – moeten opgewreven worden. In eerste instantie ben
ik niet nieuwsgierig naar de drager van het pak en de schoenen. Ik
zoek naar een persoon die handelt. Wie pakt het blauwe kostuum en de
schoenen uit de kast?
Dat is voor mij de vraag. En dan ligt er in die
kast ook nog zo'n (waarschijnlijk blauwgrijze) bontmuts uit de tijd
van het koude communisme of betreft het hier een van de spottend bedoeld
souvenirs van na de Praagse lente die overal op het Wenceslausplein
te koop zijn. Toeval of een betekenisvolle dissonant?
Nu al bekruipt
mij het gevoel dat dit gedicht zal gaan over een vader-zoonrelatie,
hoewel daar nog geen concrete aanwijzingen voor zijn. Een confrontatie
met het verleden of een ontmoeting in het heden?
Daar kan ik nog geen
antwoord op geven, maar de volgende versregel is er een om over na
te denken: 'met zijn gezicht en met zijn handen heb ik alles al bijna
bij elkaar'. Heeft de ik-figuur zíjn gezicht en zíjn
handen al? Wiens handen? De ik-figuur gaat een 'hij' vragen het pak
en de schoenen en de muts opnieuw te dragen, want hij weet: 'Straks
zit hij tegenover mij.' Vraag is natuurlijk of de vader – ik ontkom
niet aan het idee – echt op bezoek komt of dat hij er niet meer is.
In 'Straks zit hij tegenover mij' kan de 'ik' ook in de verbeelding
tegenover hem zitten. De ik-figuur zal het woord moeten doen, de ander
tegenover zal in de rest van het gedicht niets meer terugzeggen, slechts
zijn mondhoek optrekken 'voor wie het zien wil'.
Op subtiele wijze
wordt de lezer in de verbeeldingskracht van de 'ik' meegenomen. Het
beeld van de man met de bontmuts heerst nu ook binnen, in het huis
van de ik-figuur zelf, in zijn gedachten. Even denk ik dat dit beeld
van man-met-bontmuts een verwijzing kan zijn naar een andere tijd,
de tijd waarin hij leefde, een tijd die de ik-figuur niet kent, hoogstens
van horen zeggen. Maar het gedicht is al verder dan ik met mijn verbeelding
ben. Ik bevind me in het voorstellingsvermogen van de ik-figuur en
moet met hem mee. Dit haast ongemerkt verschuiven van het gedicht van
een concrete werkelijkheid naar een verbeelde werkelijkheid van de
ik-figuur is fraai gedaan.
Op dit punt aangekomen wordt de vader
ook actief: 'Hij kijkt mij aan' en omdat ik me als lezer mee laat sleuren
door de gedachtewereld van de ik-figuur, kijkt hij mij óók
aan, 'voor wie het zien wil' natuurlijk. 'Achter in zijn ogen bestaat
een plaatje van zijn eigen vader'; het gaat er hier niet om de herinnering
in tijd verder door te trekken, hoewel we nu echt te weten komen dat
het gedicht om een vader-zoonrelatie gaat. Deze versregel fungeert
als een vorm van troost voor de vader, de ik-figuur en dus ook de lezer
die zich inmiddels volledig geïdentificeerd heeft met het wordingsproces
van een herinnering aan een vader.
Onze herinneringen bestaan uit
virtuele foto's, die we wanneer we heel goed kijken in onze gedachten
kunnen oproepen en waarmee we het verleden kunnen restaureren. En plots
realiseer ik me dat het kostuum, de schoenen en de bontmuts helemaal
niet de kast hangen, maar dat de ik-figuur met een foto in zijn handen
zit en kijkt, verbeeldt en ziet. En dan komt die prachtige polyinterpretabele
slotregel: 'en dat maakt alles makkelijk te dragen.' Of is het toch
weer anders?