hoe ze dichter
of ze nog wist hoe ze daar lagen.
zij tweeën, voor het eerst alleen. daar
in dat vingerhoge gras, dronken van
de hitte, terwijl de zon hun glimmende vel
nog sneller deed verlangen naar dat
wat hij pas de volgende dag durfde.
haar te kussen in de eenvoud van het gedicht
waarvan ze die dag de eerste verzen schreven.
liefde is een werkwoord, grapte hij
alvorens zijn ivoren toren te verlaten.
op weg naar beneden riep hij nog: haast
je niet, we hebben alle tijd. maar ze struikelde
over een paar geschrapte woorden en viel
- toeval of niet - in zijn bedreven armen.
nog voor de tweede dag ten einde was,
hadden ze alle regels overtreden.
Odile
Panta rhei
we hielden niet van rozebottelthee,
maar van make-up en mini-rokjes.
en in onze slangenleren tasjes
huisde het geluk van toen.
met zorg omzeilden we wat kwam
en dat wat was, verjaagden we.
de wereld lag aan onze voeten,
maar liever dansten wij alleen.
wang tegen wang.
en niets dat de wilde nachten doet
vergeten wanneer we nu, bij 't
vallen van de avond, de straat opgaan
om jonge meisjes na te kijken.
hoe ook zij ten slotte, zo mooi en wreed
tegelijk, pas na de val van talloze
jongensharten, bezwijken voor
een eens zo vreemde liefde.
Odile