En de dag kwam dat men besloot
niet langer te
investeren in mega of meer.
Agenda's vulden zich met lentebodes
die
toetsten hun mobieltjes vrijuit in
pinautomaten gaven enkel nog geduld
en
complimenten.
En in de oorden waar bejaarden
en gestoorden hun
spraakverwarring
met blijdschap zaaiden in keurige bedjes
twee aan
twee, daar was het altijd zomer.
De scholen begonnen met spelen
als
hoofdvak en herfst als tweede taal,
ze plukten dan ook allemaal
hun eigen
vruchten van geluk uit hoge bomen.
En verse sneeuw wreef
warmte
in doorgewinterde beleidsmakers
die zich nu ijskoud overgaven
aan
het raadselachtig ritme van de tijd
en haar seizoenen.
Trijntje
Gosker
Het gedicht begint nieuwtestamentisch: 'En de dag kwam
dat men...'. Het heeft dan ook geen titel nodig, een titel zou het
gedicht dat op deze gedragen wijze begint alleen maar in de weg zitten.
De dichter gaat spreken en zet hoog in. Inderdaad, ik zie de dichter
voor me: sprekend, niet schrijvend. Hier gaat zich een verhaal ontspinnen,
hier volgt het verslag van een cruciale gebeurtenis.
Nu gaat het plaatsvinden,
nu gaat alles om. De mensen worden in de eerste strofe van het gedicht
onbepaald aangeduid met 'men'. Het teveel aan kwantiteit 'mega of meer'
moet een overdaad aan kwaliteit worden. Nu al vind ik het een actueel
gedicht, een gedicht van deze tijd. Nou, laat maar eens horen, denk
ik, wat er allemaal anders moet, want ook ik heb het gevoel dat een
aantal zaken niet lekker lopen in deze tijd.
Ons afsprakensysteem,
waar we ons klem mee zetten, wordt voortaan beheerd door de boodschappers
van de lente, die niet de verplichte telefoongesprekken plegen te houden,
maar 'vrijuit' hun gang gaan. Weg met al dat geld, wanneer je je persoonlijke
pincode intoetst, krijg je 'geduld en complimenten' en geen centen.
We zijn de weg van de onthaasting ingegaan en we worden weer gewaardeerd
in ons werk (door al die managers die top-down hun toko's leiden?)
Op
naar de derde strofe. Ik kan niet wachten van de spanning. Volgende
categorie: de mensen die onze zorg nodig hebben, 'bejaarden en gestoorden'
zijn een voorbeeld van onze voortdurende blijdschap. Ze zaaien 'hun
spraakverwarringen met blijdschap... in keurige bedjes, twee aan twee.'
Dat beeld van zieke mensen die – het einde van hun leven nabij – in
bed liggen verschuift hier mooi naar de betekenis van
zaaibed, waar
het jonge leven begint. Hier doet het gedicht even denken aan 'Jonge
sla' van Rutger Kopland, die het woord ('vochtige bedjes') ook in deze
betekenis gebruikt. Ook hier, in de tehuizen en inrichtingen, gaat
de tijd om. Het moet niet alleen allemaal anders, het kan ook allemaal
anders!
In de vierde strofe richt de dichter zich op de kinderen.
Leren wordt vervangen door spelen en de natuur wordt een tweede taal.
Kinderen worden de vrijheid en de kans gegeven allemaal 'hun eigen
vruchten van geluk' te plukken uit zeer veel mogelijkheden:'uit hoge
bomen'. Weg met het autoritaire, opdringerige onderwijs dat kinderen
in een keurslijf perst en waarbij anderen ze dwingen kennis op te doen.
En
dan wordt de wereld wit, krijgt alles een nieuwe witte jas, wordt het
oude toegedekt. Wit is de kleur van het nieuwe, van de reinheid, de
ongereptheid, de maagdelijkheid. Alles kan opnieuw beginnen. De koude
sneeuw brengt warmte voor de 'doorgewinterde beleidsmakers' – een mooie
paradox – die gelukkig 'ijskoud' bereid zijn de andere weg in te slaan.
De ene natuurlijke weg, die niet gemanipuleerd wordt door onbekenden,
die het voor het zeggen hebben, maar waar 'men' – zie eerste strofe
– die keuze maakt. Het komt niet veel voor dat het onbepaalde woord
'men' zo'n positieve betekenis krijgt in een gedicht. De les van het
gedicht is duidelijk: geef je over 'aan het raadselachtige ritme van
de tijd en haar seizoenen'. Een mooie slotzin met een fraaie alliteratie
en een behartigenswaardig advies.