Meander
http://meander.italics.net
literair magazine
aflevering 243 * 20 juni 2004 * verschijnt om de twee weken op zondag
meander is gratis, maar vrijwillige financiële bijdragen zijn nodig * kopij is welkom
reageren, abonneren, opzeggen, adres wijzigen, zie: meandermagazine.net/service


site * interview * recensies * impressie * artikel * verhaal * nieuws * colofon 
Gedichten


Merel

Het zal je jonge vlerk aansurfend op de wind maar overkomen
dat je, in het vuur van je vlucht,
plotseling
glansrijk tegen jezelf aankwakt

-doffe plof. Knakje van hoorn dat hersens binnendringt-

waarna alles verdwijnt, alle besef van vleugels, bijvoorbeeld

Hoe je dan - tellen later - tussen bonenkruid en anjelier
te weten ligt: er is geen vlucht terug, te hopen
dat de poes nog even wegblijft,

dat het plotseling sneeuwen gaat,
hevig,
als een deken


Jan van meenen

auteurspagina Jan van meenen
geef commentaar op dit gedicht




Voorjaar

waar weidevogels uit het niets
met hun oorverdovend gekrijs
de stilte vullen en rechts van mij

treurig ogende preien en
boerenkolen met hun uitgezakte
permanentjes de spade vrezen

scheurt plots de wind het hemels
matras aan flarden
zie ik schaduwen geboren worden
tegelijk met het eerste lam

daar is het tijd om mijn rug te
rechten en afscheid te nemen
van de winter


Peter Jansen

auteurspagina Peter Jansen
geef commentaar op dit gedicht




chemo

een bloedgeile rat
knaagt traag een
tunneltje wel-licht
op termijn

door het massieve
zwart
van vandaag

een prijsbeest, ja
maar ik voel wel
hoe zij overal

poep achterlaat


Loes Loyens

auteurspagina Loes Loyens
geef commentaar op dit gedicht




geleide wandeltocht

ze wandelt langs je woorden
plukt hier en daar een pauze weg
en danst doorheen je zinnen
terwijl haar handen teder
langs de bogen gaan
van alle a's en o's
die jou van haar doen houden

ze draait een rondje met wat e's
hupt lieflijk langs de l
blaast zachtjes op h's welving
en wiegt een liedje in een v

het iele puntje op de i
krijgt een vluchtig kusje
terwijl ze 't hoofd een beetje schuin
je groene ogen liefde schrijft


anne toulet

auteurspagina anne toulet
geef commentaar op dit gedicht




Open monden

Vannacht heb ik ons weer gezien
in het lijkbleke licht van de maan,
hoe je gezicht van papier werd en
hoe dan mijn hart van papier werd;

en andermaal sloot ik de luiken.
Maar wat kan ons hier gebeuren?
De toren waakt over de huizen,
gespitst op het geringste onraad.

Het is stil in ons dorp als een foto
en ook vanmorgen ontwapent de zon
de nacht met een verlegen lach,

terwijl de kraaien rondjes draaien,
open monden rond de toren.


Jan Doornbos

auteurspagina Jan Doornbos
geef commentaar op dit gedicht




verlangen

een pantoffeldier te zijn
of anders dan een bergmarmot

of

met het dichtdoen van de luiken
het leven weg te kunnen sluiten
en pas weer te ontwaken als
de wereld
eindelijk is uitgeraasd.


Jetteke van Wijk

auteurspagina Jetteke van Wijk
geef commentaar op dit gedicht




Luister naar gedichten




advertentie
verbeter je schrijftalent via e-mail bij

WRITERS @T HOME
thuis in literatuurworkshops
klik hier voor meer informatie




gedichten * interview * recensies * impressie * artikel * verhaal * nieuws * colofon 
Site


Op de site van Meander kan nog steeds worden gestemd op uw favoriete deelnemer aan de eindronde van 'Allesbehalve de liefde', Meander's poëziewedstrijd voor jongeren. Lees de gedichten op http://meander.italics.net/w en stem op http://meander.italics.net/w/s

Die wedstrijd organiseert Meander deels in samenwerking met 'Jeugd en Poëzie'. Yves Joris sprak met de voorzitter van die organisatie, Herman Vander Straeten. Te lezen op de site van Meander.

Annette van den Bosch bezocht Poetry International en zij hoorde dat het psalmen waren. Lees haar verslag op de site van Meander.


(advertentie)

Handboek voor schrijvers

het complete schrijftraject in vijf stappen
gouden-gids-gedeelte: uitgebreide adreslijsten

bestellen en informatie:
www.schrijven.org





gedichten * site * recensies * impressie * artikel * verhaal * nieuws * colofon 
Interview


Poëzie is een eiland waar ik mezelf kan zijn met mijn kwaliteiten en zwakheden
Yves Joris sprak met Bart Stouten


Toen ik enkele maanden geleden Sven Cooremans interviewde voor Meander vertelde hij me dat hij op een dag werd opgebeld door ene Bart Stouten die op Klara 'De tuin van Eden' presenteerde. Daarin wordt dagelijks aandacht besteed aan een (minder bekend of beginnend) dichter.
Voor wie regelmatig op de Vlaamse klassieker zender Klara (www.klara.be) afstemt, zal Bart Stouten zeker geen onbekende zijn. Dagelijks presenteert hij tussen 18.00 en 20.00 uur 'De tuin van Eden'. Onlangs verscheen bij Uitgeverij P zijn tweede dichtbundel. Een reden om eens met de dichter te praten over Petrarca, Bach, poëzie en klassieke muziek.


Hoe voelt het om dagelijks met zoveel verschillende gedichten in aanraking te komen?
Dat is een ongemeen boeiende ervaring. Alsof je aan een orgel zit met 32 verschillende registers, en elke dag weer een nieuwe klankkleur mag ontdekken. Er gebeurt iets heel merkwaardigs wanneer ik zo'n gedicht voor de radio lees. Het voelt aan alsof ik op een collectief bewustzijn afstem -- soms 'begrijp' ik het gedicht op een heel andere manier wanneer Vlaanderen meeluistert. Het is alsof een ander dan mijn gewone bewustzijn ingeschakeld is, alsof ik een duik waag in de diepte van betekenissen die we allemaal samen ontdekken.

Dat Bart Stouten een veellezer is, valt dadelijk op als ik even rondkijk. Zijn bibliotheek is verdeeld over meerdere muren van zijn huis in Wilrijk. Naslagwerken, literatuur en muziek: de boeken van een gepassioneerd man.
De gedichten die we horen in uw radioprogramma, is dat een persoonlijke voorkeur of moeten we er een rode draad in zoeken?

Persoonlijke voorkeur speelt een rol, maar niet in de zin dat ik me zou afsluiten voor poëtica's die me minder aanspreken. Wat je in poëzie ook doet - het 'ik' opzoeken of ervoor vluchten, al dan niet poëticaal denken, enzovoort - ik wil ervaren dat het gedicht eigen criteria aanreikt om me ervan te overtuigen dat het 'sluitend' is, dat er geen woord teveel of te weinig staat, dat het beantwoordt aan een interne dynamiek die de thema's naar de juiste taal stuurt, iets wat Tonnus Oosterhoff 'Zo is het!' zou doen uitroepen. Mijn poëzie ligt in het natuurlijke verlengde van het radioprogramma, het is dezelfde 'drive' die me bezighoudt. Tegelijk zijn het twee gescheiden activiteiten: je zult me nooit een eigen gedicht horen lezen op de radio. Ik wil niet beticht worden van belangenvermenging, no way.

We zitten momenteel op tien kilometer van Antwerpen, boekenhoofdstad 2004. Bij een kopje koffie glijdt ons gesprek vlotjes over op de hype om poëzie willens nillens bij de grote massa op te dringen.
Antwerpen boekenstad, Literaal. Ik las onlangs in de Standaard dat de stoepen momenteel (vaak letterlijk) geplaveid liggen met gedichten. Is dit een goede zaak? Geloof je dat de gemiddelde bezoeker van de kust op zoek zal gaan naar de verschillende tegels met daarop versregels van Pessoa?

Dat is een mooie vraag. Zal ik eerlijk zijn? Nee, ik geloof niet in poëzie als toeristisch bruikbaar pepmiddel voor de geest. Je ruikt andere belangen, vooral commerciële, het gaat minder om Pessoa dan om de goede beurt die de kust wil maken, of wie dan ook. Niemand hoeft mij te brainwashen met verzen, hoe indrukwekkend ze ook zijn. Maar ik vind dit wel jansenistisch streng geredeneerd. Ik ben er immers ook van overtuigd dat poëzie op de meest onverwachte momenten kan opduiken, je hoeft de verzen maar te 'plukken': op de markt, in de tram, in het park - overal waar beelden tegen elkaar aanschurken, overal waar onvermoede associaties wachten.

Zijn we niet ver afgedwaald van Luceberts 'ik ben een god'? Moet poëzie wel van haar elitaire trapje worden gehaald?
Nu zelfs Tony Blair ontdekt heeft dat het Britse Lagerhuis geen fraai versierde bunker is, maar een open plek waar hij desnoods met protest in de vorm van een condoom met purperen stof kan worden bekogeld, is het niet zo verwonderlijk dat poëzie wordt opengesteld voor bezoekers uit alle rangen van de maatschappij. De betere poëzie zal die bredere toegang verdragen. Het toneel van Shakespeare is op vele niveaus genietbaar; het bevat de meest verheven gedachten terwijl het ook minder ingewijde lezers kan entertainen.

Bart vraagt me of ik zijn eerste bundel Sapporo Blues gelezen heb. Ik moet hem echter teleurstellen. Uit een van de vele stapels boeken die rond zijn pc zwerven, diept hij een exemplaar op en overhandigt het me. Een voordeel voor recensenten: ze kopen zelden boeken.
Sapporo Blues blijkt helemaal anders van opzet, een tombeau voor een Japanse vriend. De mooie inkttekeningen van Rainier Boidn maken het geheel tot een mooie hulde.De wijsheid van de wind is je tweede bundel. Sapporo blues werd goed onthaald', lees ik op de bijgaande persmededeling, maar toch is er in de pers niet zoveel verschenen over deze nieuwe bundel. Wordt poëzie nog steeds stiefmoederlijk behandeld?

Jammer genoeg in Vlaanderen wel. Ik kan maar niet begrijpen dat een tijdschrift als de Poëziekrant steeds dezelfde grote namen bejubelt -- en zo weinig kritische reflectie opneemt over nieuw experiment. Alsof de toekomst van de poëzie bezegeld is door het lot van steeds dezelfde gevestigde namen te volgen. Sommigen gewagen van een poëziepolitie; zo ver zou ik niet willen gaan, maar ik stel vast dat de poëziekritiek het alleenrecht is van een paar vaandelzwaaiers. Ita est.

Een snelle blik op je nieuwe bundel doet mij het ergste vermoeden. Het angstzweet breekt me uit als ik terugdenk aan de lange doorlopende verzen van de Aeneis en Ilias. Poëzie is voor jou duidelijk geen nachtkastlectuur, maar een wegenkaart. Iedere lezer kan zelf de weg kiezen die hij wil volgen.
Is dit voor jou poëzie pur sang, of zal er ooit nog een Bart Stouten verschijnen met haiku's en sonnetten?


Ik kwam onlangs in contact met werk van de Amerikaans dichterTyrone Williams: Cold Calls, die zijn poëzie letterlijk als voetnoten bij een lege bladzijde opvatte. Prachtig. Ooit hoop ik zo'n heel kleine, heel dunne bundel te publiceren om afstand te doen van het idee dat ik alleen grote vormen en lange verzen schrijf. Voor elke vorm leent zich een ervaring, elke vorm vindt een bepaalde fase in je loopbaan. De tijd van de korte gedichten komt nog wel.

Je bundel is een partituur met woorden. Preludium, fuga en postludium. Zijn muziek en literatuur broer en zus, of eerder neef en nicht?
Muziek is de superieure kunst. Poëzie is muziek in taal. De vorm 'preludium' verwijst naar het voorspel in de liefde. In de fuga worden de stemmen en thema's van de liefde gesynthetiseerd. De liefde die aan haar aardse beperkingen is ontstegen, bedoel ik dan, de spirituele liefde.

Fuga is een meerstemmig muziekstuk met veelvuldige herhaling van het hoofdthema. Nomen est omen. Je bundel is zeker een veelvoud van thema's die steeds weer herhaald worden: Bach – Petrarca – Mohammed - ... Verwacht je van je lezers niet teveel voorkennis?

Ik hoop dat er voor mijn lezers iets te ontdekken blijft. Elke lectuur is een andere hefboom. Wie goed leest, merkt dat ik parallellen uitwerk tussen god (Allah), god de 'vader', Bach als de 'vader van de muziek' en mijn eigen beminde (veel te jong overleden) vader. Zoals Petrarca Laura als een jong meisje van vlees en bloed beschrijft, maar ook als een Engel van de Liefde, zo verwoordt Mohammed in de koran (in sublieme poëzie, want hij was niet alleen profeet maar vooral ook dichter) God als een mooie jongeling. Petrarca en Bach scharnieren tussen een 'stile antico' en 'stile nuevo'. Al die elementen kan ik je zo in een paar zinnen aanreiken, maar de kracht van de poëzie is juist dat ze die links sotto voce hanteert om een eigen ervaring te raken, bij de dichter en in de lezer . Gedetailleerde kennis is daarbij minder noodzakelijk dan inspirerend.

In duisternis gehuld, achter ruitenwissers:
Het jaar dat achter je ligt.
Opgebroken weg in de achteruitkijkspiegel
Waar je jezelf narcistisch begluurt,
Veilig weerkaatst in een verloren moment
Van aanschuiven in de file.
Een file van nauwelijks nog te overziene jaren,
Gevangen in rook en neon, luidsprekers
die je bestoken met het lyrisch geweld
van een jukebox.


Een zware opening van een bundel. Je zou hier een dichter verwachten op het einde van zijn leven die alles nog eens overschouwt. Een mens die alleen zichzelf nodig heeft, maar beseft dat hij verdoemd is. Je koppelt dit aan het moderne gegevens van de stilstaande mobiele mens. Is de file een moment van ergernis of reflexie?
Beide. Leven doe je in dat moment van stilstand, wanneer de ervaring 'aan het spreken' gaat. De file (van de jaren) is natuurlijk pure ergernis in de zin dat de tijd ondertussen onherroepelijk verloren gaat, maar naarmate het gewicht van de tijd toeneemt, groeit ook je persoonlijkheid; de tijd laat je toe positief te evolueren, idealiter in de richting van een sluitend gedicht.

Een regendruppel die je ziel weerspiegelt.
Kristallen in vaders wereldrijk.
Onnavolgbaar meerdimensionale polyfonie.
De donkere kamer die verscheen
In de spiegel van Arnolfini.


Er is veel te doen geweest over dit schilderij. De spiegel die de ruggen van Arnolfini en zijn echtgenote weerkaatst, toont een onbekende derde man in de kamer. Is het de schilder? Of is het de dichter? Ben jij de mysterieuze man op het schilderij van Van Eyck? Is dit jouw manier om binnen te dringen in het verleden?
Prachtig dat je dat gezien hebt. Ik ben de dichter-schilder in de spiegel die niet anders kan zichzelf verraden, ook al lijkt het objectief de kamer uit te beelden. Soms lijkt het of Van Eyck dat schilderij juist legitimeert door de noodzaak van het eigen ik, de derde man in de spiegel. Maar je mag van mij niet verwachten dat ik alle verzen 'uitleg' -- daarmee praat ik ze stuk.

Angst, woede, gecodeerd in heilige getallen.
De essentie ervan, zonder alle bijkomstigheden.
Bach wil dat zijn muziek op een bepaalde manier
begrepen wordt. Elke partituurbladzijde
is een Mann ohne Eigenschaften.


Bach, de Kabbala, Musil: vijf regels en daarin literatuur, mystiek en muziek. Maak je het de lezer opzettelijk moeilijk, of ben je gewoon een erudiet man?
Ik verleen de uitspraak van Musil inderdaad haar mystieke kracht. Die zit direct in de muziek van Bach. Veel van de dingen die met het label 'erudiet' worden aangeduid, neigen naar volledige transparantie als je ze zorgvuldig leest, als je traag op zoek gaat naar de verbanden. Ik zeg vaak dat mijn poëzie bedoeld is om 's nachts te worden gelezen, elke dag een vers of drie-vier, in de hoop dat een nieuw betekenisverband je naar de slaap zal loodsen.

Bach speelt een grote rol in je werk. Bach als vader van de muziek wil de liefde voor God muzikaal beschrijven. Zit er voor de dichter een diepere betekenis achter?
Toch wel, in zoverre dat vader ook letterlijk op mijn eigen overleden vader slaat, of beter gezegd: op mijn hardnekkige liefde voor hem, liefde die stand houdt door de jaren en in deze poëzie de gedaante krijgt van ragfijne muziek. Dat is goddelijke muziek, in de zin waarin je het predikaat goddelijk ook van toepassing kan brengen op de muziek van Bach.

Het nadeel van je bundel is dat je er moeilijk een strofe kunt uitlichten. Je schrijft doorlopende teksten. Waaiert uit om steeds via een andere weg terug te komen. Je ontloopt de file voor Bologna, mijmert er over Petrarca en de koran, gaat verder naar Syrië. Heb je geen schrik dat de lezer de weg kwijt zal raken? Hoe moet iemand aan dergelijk werk beginnen? Vrees je niet dat de lezer er minder gaat uithalen dan wat de schrijver er wilde inleggen?
Nee. De dwaling, de queeste, de moeizame zoektocht, maakt een essentieel onderdeel uit van de poëtische ervaring. Het idee dat de sleutels op de meest onverwachte plekken wachten. De beste lectuur die ik kan aanbevelen is: hier en daar enkele verzen, heel aandachtig; nadien het gedicht in één ruk doorlezen, zonder je te laten afschrikken door de onbegrepen gebleven elementen, zoals wanneer je naar een muziekstuk luistert. Daarna nog eens zorgvuldig inzoomen op een paar losse verzen. Je zult zien: uiteindelijk ga je steeds op een andere manier genieten, net zoals ik toen ik het gedicht componeerde.

Is dichten wrochten of heb je een pen die zelden stopt met schrijven? Joyce had een vruchtbare dag als hij een zin had geschreven. Neruda's pen lekte verzen. In wie kun je je het best terugvinden?
Ik schrijf dag en nacht, echt oneindig veel, maar schrappen is de boodschap voor me. Tijdens het schrijven doet zich een hoogst merkwaardig proces voor: het gedicht komt geleidelijk naar me toe. Het gedicht 'vindt' me. Het kan lang duren, ik heb geen enkele controle over de duur van dat proces. Soms duurt het jaren, soms maar een paar weken.

Momenteel woedt er een strijd (och ja, een beetje stof dat opwaait wordt al snel een literaire oorlog genoemd) tussen de Nederlandse dichter Pfeijffer en zo wat de rest van de literaire wereld. Hij haalt heilige huisjes neer en noemt Kopland een mindere dichter. Er wordt weinig weerwerk geboden. Is poëzie volgens u gebaat met een beetje polemiek?
Natuurlijk. Hoe meer polemiek hoe liever. Omdat uit al die polemiek weer nieuwe opvattingen, nieuwe poëtica's kunnen opstaan, en daar vaart de poëzie wel bij. Louter cerebrale of aartsmoeilijke poëzie kan mij irriteren, maar ik neem geen genoegen met die irritatie -- ik vind het bevrijdend om te ontdekken waarom ik reageer zoals ik reageer. Toen ik Pfeijffer zijn eigen verzen zag performen in Antwerpen, veranderde mijn mening over hem in positieve zin. Ik vind dat de discussie over open en gesloten poëzie (enz.) altijd terug te voeren is tot de vraag wat je tot uitdrukking brengt. Is het iets dat je vooraf al weet en alleen nog in geschikte woorden moet vertalen? Dan bedank ik voor die verzen. Is het iets dat aan het begin staat van een onderzoek, een experiment (namelijk het gedicht dat volgt, en dat de kracht heeft om de maker te veranderen, een gedicht dat ingrijpt, dat zijn eigen wetten stelt, zijn eigen gangen gaat enz.) dan wil ik ervoor tekenen. Soms is het experiment muzikaal, of poëticaal, soms moet je pijnlijke risico's nemen -- alles is het overwegen waard, behalve de machinale expressie van iets dat al helemaal gekend en gevoeld is.

De koffie is op. De klok meldt ons dat we twee uur over poëzie hebben gepraat. Bart moet naar Brussel om zijn volgende 'Tuin van Eden' voor te bereiden. Ook ik moet naar Brussel. Zelfde stad, ander werk. Er resten me nog slechts twee vragen. Welke dichters zijn je voorbeeld?
Blaise Cendrars, de poètes maudits, T. S. Eliot, Ezra Pound, Stefaan van den Bremt, Lucienne Stassaert, Stefan Hertmans, Emily Dickinson en Sylvia Plath.

Met welke dichter word je liever niet vergeleken?
No comment.


De wijsheid van de wind van Bart Stouten verscheen in het voorjaar van 2004 bij Uitgeverij P

Yves Joris


gedichten * site * interview * impressie * artikel * verhaal * nieuws * colofon 
Recensies


Heb je wel eens vanuit een trein naar de wereld gekeken?
Philip Hoorne - Inbreng nihil

door Yvonne Broekmans


In 2002 vormde het debuut van Philip Hoorne Niets met jou de eerste uitgave van de Sandwichreeks onder redactie van Gerrit Komrij. Een gedroomde vliegende start die voor een eerste poëziebundel ongebruikelijk veel aandacht genereerde, ook in de grotere media. Het Algemeen Dagblad sprak destijds over 'een mooie ontdekking van de Dichter des Vaderlands'.
Dat uitgeverij 521 de vaart er nog even in wil houden nu de publiciteitsmotor soepel loopt, ligt voor de hand. Op 14 mei 2004 presenteerde zij de tweede bundel van Philip Hoorne: Inbreng nihil.

In alle opzichten herkenbaar zou je deze tweede bundel kunnen noemen. Met de verhalende schrijfstijl, de alledaagsheid van waaruit de meeste gedichten beginnen en de relativerende humor zijn we vertrouwd sinds het verschijnen van de eerste bundel. Bovendien zijn de onderwerpen die de dichter kiest en de manier waarop hij ze verwoordt ook nu weer gemakkelijk toegankelijk voor een groot publiek. Wie fietste niet als kind urenlang rondjes in het dorp ('Kind, zomer '76') of zegt nooit tegen zijn partner: Je deed weer averechts vanavond ('Op visite')?

Het eerste gedeelte draagt een prachtig motto van Leonard Nolens: Wereldvreemd, zeg jij. Maar vreemd aan welke wereld? De 22 gedichten schetsen inderdaad de eigen, enigszins bizarre wereld waarin een dichter volgens traditionele opvattingen doorgaans vertoeft. Daarin is ruimschoots plaats voor eenzaamheid door, en verwondering over dit anders zijn.

NACHTWAKKER

Daar liep een man met een kip.
Ik doodde de man en slachtte de kip.
De botten gooide ik naar de hond,
de restjes in de vuilniszak die tot de dag
van het ophalen vreselijk stonk.

Dan wordt het onbehaaglijk stil.
Vol ongeloof kijken mijn maten mij aan:

Heb jij gemoord?

Zwijgend nip ik van mijn pilsje
en zeg geen woord,

Tot de waard ons diep in de nacht
de kroeg uitwijst en ik me op weg
naar huis de vraag stel waarom
wat echt waar echt gebeurde
me toch zo ongeloofwaardig lijkt.


In het tweede deel is de wereld van de dichter niet zo gesloten en maakt de ander wel degelijk verschil, getuige ook het motto van de Pet Shop Boys dat in verkorte vorm neerkomt op: I could leave you or I could love you. Het is niet zo'n fraai citaat als dat van Nolens, maar de 14 gedichten die ermee ingeluid worden hebben voor mij meer gewicht dan die uit het eerste gedeelte. Dat komt niet in de laatste plaats door wat je een nulfunctie zou kunnen noemen: juist datgene wat ontbreekt, is het sterkst aanwezig. Philip Hoorne gebruikt en benoemt deze functie herhaaldelijk, bijvoorbeeld in het gedicht 'Op de uitkijk', waar hij als volgt begint:

Door het raam zie ik de hoek van de straat en hoe
jij er niet omheen komt gewandeld.

Het geeft extra zeggingskracht aan wat verwoord is. Een goed voorbeeld is het voorlaatste gedicht.


FANTOOM

Tevergeefs negeer ik de ondraaglijke pijn.
De uitgetekende stippellijn van het druppeltraject
zoekt naar het sudderende lichaam, zij is niet hier.

Niks wordt nu gevonden, er zijn geen andere dingen
dan deze. Aarzelend tast ik naar de rand van de tafel
waar jij aanzit als een schimmige bezoeker die bleef.

Het bed beslapen, maar te zeer afgekoeld om nog
te weten wat wij precies bedreven in een vorig leven.
Ik spoel terug naar wie niet is en hoe dat voelt.

Philip Hoorne beantwoordt zijn eigen vraag dus bevestigend. Hij kijkt herhaaldelijk vanuit de trein naar de wereld, maar ook door een microscoop, via een lachspiegel of door de lens van een infraroodcamera. Een buitenkansje dat we even mee mogen kijken.

Philip Hoorne – Inbreng nihil
Uitgeverij 521 Amsterdam
46 blz.; € 15,-
IBSN 90 76927 79 0


Yvonne Broekmans


Vertaald
Indrukwekkende poëzie van Czeslaw Milosz, Michael Krüger en Moniza Alvi

door Joop Leibbrand


In Vrij Nederland van 8 mei 2004 stelde Allard Schröder over de Poolse schrijver Bruno Schultz vast dat deze in vergelijking met beroemde landgenoten een onbekende is. Dat hij niet tot de canon der groten wordt gerekend, zegt genoeg over die canon, beweerde Schröder, om die vervolgens te omschrijven als 'al die beroemdheden, die bij nadere inspectie maar al te vaak reuzen op lemen voeten blijken te zijn.' Rózewicz, Herbert, Szymborska en Milosz, toch algemeen beschouwd als de grote vier van de moderne Poolse poëzie, zouden sterk overschat zijn? Schröder onderbouwt zijn stelling verder niet, en dat zou hem ook niet gemakkelijk gevallen zijn; voor geen van de vier, maar zeker niet in het geval van dichter, romanschrijver, vertaler en essayist Czeslaw Milosz (1911), die door Joseph Brodsky als een van de grootste dichters van de twintigste eeuw gezien werd.

Van Milosz, die in 1980 de Nobelprijs voor literatuur won, kwam dit jaar in een voortreffelijk leesbare vertaling van Gerard Rasch (1946 —2004, het was zijn laatste grote project) ruim driehonderd bladzijden poëzie in het Nederlands beschikbaar, gekozen uit de vijftien bundels die hij tussen 1933 en 2002 schreef.

In het voorwoord bij het eerste deel van zijn verzamelde poëzie, verschenen in 2001, schreef Milosz: 'Ik denk dat de gezondheid van de poëzie het streven is om zoveel van de werkelijkheid te vangen als maar mogelijk is.' In de zeventig jaar die zijn dichterschap inmiddels omvat, heeft Milosz dit consequent proberen waar te maken: zijn gedichten verwijzen altijd naar een werkelijkheid buiten de tekst, zijn steeds concreet en scheppen niet, zoals Rasch het formuleerde, 'een autonome, op zichzelf betrokken wereld'.

Aan betekenisvolle werkelijkheid was er in Milosz' leven nooit gebrek. Hij werd als Pool geboren op het platteland van Litouwen, in een streek die toen tot Rusland behoorde, maakte als kind de Russische revolutie mee in Rzjev aan de Wolga, was vanaf 1921 scholier en student in Wilno (Vilnius), verbleef in 1934 dankzij een beurs een jaar in Parijs, werkte vanaf 1937 bij de radio in Warschau, vluchtte in 1939 naar Roemenië, maar keerde via Litouwen in 1940 naar de Poolse hoofdstad terug. De gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en de erop volgende triomf van het communisme werkten op hem in als het einde van de beschaving, maar hij trad toch in Poolse diplomatieke dienst en werd uitgezonden naar Amerika. Na zijn overplaatsing naar Frankrijk vroeg hij daar in 1951 politiek asiel aan, wat hem in Polen als participant in de Koude Oorlog voor een periode van dertig jaar maatschappelijk en artistiek doodmaakte. In 1960 kreeg hij een aanstelling in Berkeley en tot eind jaren negentig doceerde hij daar Poolse en Russische literatuur. In 1981 keerde hij voor het eerst naar Polen terug: het winnen van de Nobelprijs en de opkomst van Solidariteit maakten het mogelijk. Na de val van het communisme in 1989 werd hij overladen met eerbewijzen; zo werd hij ereburger van Kraków, de stad waar hij inmiddels woont en nog altijd werkt.

Door de jaren heen is 'het kwaad' Milosz' belangrijkste thema geweest; in een wereld die hij nooit anders kon zien dan als een slagveld van ideologieën, vond hij de oorsprong van het kwaad aanvankelijk in de sociale verhoudingen, maar al gauw zag hij het kwaad als iets wat immanent in de wereld aanwezig is. Het bracht hem tot het belijden van een diep doorleefd pessimisme (Rasch spreekt van 'catastrofebewustzijn'), van een vervuld zijn van wanhoop als modern mens te moeten leven in een 'waste land' (Eliot) en in een 'dürftige Zeit' (Hölderlin). Milosz blijft daarbij wars van elk nihilisme, want omdat het kwaad bestaat, moet ook het goede bestaan, en de zoektocht daarnaar – hoe illusieloos ook ondernomen – maakt hem in wezen tot een metafysisch dichter. Voortdurend zoekt hij in zijn gedichten de openbaring van de werkelijkheid, in feite een onmogelijke queeste naar de plaats van God in de Schepping. In 'Tegen de natuur in' (De tweede ruimte, 2002) stelt hij relativerend vast: “In elke geval was een sceptische filosofie geknipt geweest voor mij,// omdat ze geen hogere kwaliteiten toeschrijft aan de mens,// noch aan de door de mensheid geschapen God.// Dan had ik in harmonie met mijn natuur geleefd.// Maar ik blijf herhalen: 'Ik geloof in God' en weet:/ er is niets waarmee ik dat kan rechtvaardigen.”

In 1991 zei hij het in de bundel Verre Omstreken in de voor hem kenmerkende dialoogvorm zo:

De zin

'Eenmaal dood zal ik de voering van de wereld zien.
De achterkant, voorbij de vogel, berg, zonsondergang,
de ware betekenis, die om ontcijfering roept.
Wat onverenigbaar was, wordt nu verenigd.
Wat buiten ons begrip viel, zal begrepen worden.'

'Maar als de wereld nu geen voering heeft?
Als de lijster op de tak geen enkel teken is,
alleen een lijster op een tak, als de dagen en de nachten
elkaar opvolgen en zich niet bekommeren om een zin
en er op aarde niets is buiten deze aarde?'

'Al zou het zelfs zo zijn, dan nog blijft het woord
dat, eenmaal gewekt door vergankelijke lippen,
zal rennen, rennen als een onvermoeibare koerier,
over interstellaire velden, wentelende melkwegen
en protesteren, roepen, schreeuwen.'

Bij Milosz verstomt de zinloze discussie over hoe begrijpelijk poëzie mag zijn en hoe onbegrijpelijk ze moet zijn. Nergens is deze open en betrokken poëzie ontoegankelijk, maar in iedere regel verbergt zich het grote geheim van leven en taal.


***


Michael Krüger, uitgever van de prestigieuze Duitse uitgeverij Hanser Verlag, is als criticus, romanschrijver en vooral dichter ook zelf een belangrijk en vele malen bekroond auteur. Ruim tien jaar geleden vertaalde Cees Nooteboom al in Idyllen, illusies zijn dagboekgedichten, en nu is er Rooksignalen, een representatieve keuze uit de bundels Brief nach Hause (1993), Nachts, unter Baümen (1996) en Wettervorhersage (1998). Krügers gedichten zijn het best te kenschetsen als onnadrukkelijke, erudiet verwoorde fijnzinnige observaties, melancholieke mijmeringen en de laconieke constateringen van een humanistische geest. Het is geen poëzie die uitdaagt, maar die voortdurend vraagt om bevestiging en instemming en daarin opmerkelijk herkenbaar is, niet in het minst door het gehanteerde eenvoudige parlando, dat de gedichten helder en direct maakt, maar ook iets ingehoudens geeft. De vergelijking met Nootebooms eigen werk ligt voor de hand (vooral door de zin voor geschiedenis en het oog voor actualiteit), maar qua toon is er eerder verwantschap met Kopland en de late Kouwenaar. Lees bijvoorbeeld 'Brief', het openingsgedicht:

Gisteravond ging ik – vraag
alsjeblieft niet waarom – naar de kerk
in het dorp, schurkte me bibberend
tussen de oude mensen
in een van die nauwe banken,
bewoog mijn lippen, alsof ik mee
moest praten. Dat was heel makkelijk.
Al na het eerste gebed – wij baden
ook voor jou – kwam er langzaam een masker
over mijn gezicht – het masker van het goede.
Vooraan in de kerk pikte de oude priester
zonder behoefte aan een oplossing
als een zwarte vogel lusteloos
in het evangelie, maar scheen niets
te kunnen vinden om ons mee te verleden.
Geen troost, geen leidraad.
Na een uur was alles voorbij.
Buiten scheen een onverwacht helder licht
over het meer, een wind stak op
die mij de onderkant van de bladeren
liet zien.

Voortdurend toont Krüger een diep doorleefd besef van de beperktheid van het menselijk bestaan, van de korte geschiedenis die de mensheid kent en nog te gaan heeft. In het imposante 'Terugkeer in een leeg huis', een gedicht van vier volle bladzijden, schrijft hij: '[...] Alles gebeurt zonder ons,/ niemand zoekt ons meer. [...] De geschiedenis/ is aan zijn eind gekomen, [...] We moeten leven/ van wat we hebben en zijn, geen groei meer in zicht,/ [...] Aan het eind/ van de geschiedenis zal de geschiedenis overwinnen, die van de zakdoek waarmee de tranen voor altijd/ uit het gezicht van de aarde worden gewist./ [...] Ooit uit de kruipstand/ omhooggekomen en een paar meter rechtop/ gelopen, de goden uitgevonden en snel weer/ vergeten, en alles alweer voorbij.' Hoe sterk Krüger ertoe geneigd is in dit kader ook eigen persoon en werk te relativeren, blijkt uit de laatste regels: 'Het huis is leeg. Een mooi gedicht/ in vrije verzen, zo nutteloos en zo ontstellend/ waar.'

Krüger beschouwt het bestaan met een aansprekende, hoogst besmettelijke mengeling van opgewektheid en uitzichtloosheid, met een weemoedig stemmende lichtvoetige moedeloosheid. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in 'Marx spreekt', waarin Marx verslag doet van zijn contacten met God: 'Hij heeft wonderlijke vooroordelen./ Nietsche vergeeft hij zelfs de grootste/ onzin, Hegel daarentegen kan hij absoluut/ niet uitstaan. Over zijn eigen project/ heeft hij het nooit, uit verlegenheid. Alstublieft,/ zei hij kort geleden nadat hij lang naar de aarde/ gekeken had, alstublieft, weest u bereid.'
Voor zo lang als het kan, mag of moet duren, moet de mens stuntelend verder met zijn leven. Voor de dichter wiens huis de poëzie is, zit er niet anders op dan te 'kijken naar de wereld,/ mensen, stenen' en verder te schrijven 'in de armzalige taal', 'tot het bittere einde.' ('Litanie', in memoriam Joseph Brodsky). Voor wie van nature tot reflectie bereid is, zijn dit haast medicinale gedichten.
De vertaling van Nooteboom laat zich lezen als oorspronkelijk Nederlands. Des te meer is het jammer dat deze uitgave niet tweetalig is, omdat de rechtgeaarde poëzielezer waar mogelijk wil weten hoe inventief een vertaler heeft moeten zijn om dit te bereiken.


***

Wél een tweetalige bundel is Het land aan mijn schouder van de Engelse dichteres Moniza Alvi. Vertaler Kees Klok koos uit The Country at My Shoulder (1993), A Bowl of Warm Air (1996), Carrying My Wife (2000) en Souls (2002) in totaal vijfenveertig gedichten, waarvan slechts twee uit de laatste bundel. Alvi, als kind van een Pakistaanse vader en Engelse moeder in 1954 geboren te Lahore, maar reeds als baby naar Engeland verhuisd, heeft door haar typisch Engelse, christelijke opvoeding en latere opleiding – ze studeerde Engels en werkt als lerares – weinig van een 'black writer'. Niettemin schrijft ze in veel gedichten over het Indiase subcontinent, want 'Er zit een land aan mijn schouder/ dat groter wordt – binnenkort zal het barsten,/ rivieren zullen overlopen, langs mijn borst neerstromen.// [...] Ik begiet het land met Engelse regen,/ bedek het met Engelse woorden./ Spoedig zal het barsten of neerstorten als een meteoor.' Haar geboorteland is haar 'kern', schrijft zij in 'Domein': 'In mij zit net zo'n pit/ als die welke probeert// de mango te vullen./ Erin ligt het wezen// van een ander continent.'
Hoe lot en bestemming bepaald worden door toeval en (voor)beschikking spreekt ze met een prikkelende omkering uit in 'En als': 'en als dit Oosterse pad een/ winderige Engelse landweg was/ [...] dan zou je onaanraakbaar zijn – als iemand/ bestempeld door iemand anders – eentje die toiletten schoonmaakt,/ de doden verbrandt.'
Alvi weet in bijna al haar gedichten wel te verrassen, hetzij door het onderwerp dat zij kiest, hetzij door het perspectief van waaruit ze schrijft. Zo identificeert zij zich met een stip in een schilderij van Miro, kent zij de zorgen en verlangens van een teakhouten bureau, filosofeert zij over het verdrinken van een aktetas, of vertelt ze in een boeiende jeugdherinnering smakelijk over een zomerse pelgrimstocht naar een drol. Er is door al die wisselende invalshoeken veel te beleven in haar glasheldere poëzie waaraan de vertaler alle recht doet. Een ontdekking, deze Alvi, tot en met 'The Last Page'.

De laatste bladzijde

De vrouw beklimt de trappen van de kerktoren.
In het begin stenen treden, daarna houten.
Dus klinken haar stappen uiteindelijk,

net voor ze zich van de borstwering stort, zachter.
Maar was het zo verstandig de roman zo te besluiten,
het relaas dat van de rand springt,

of had de vrouw aan het begin van het verhaal
moeten doodgaan, met de schrijver die traag
haar ondergang laat terugspelen – achterwaarts, of wellicht had

de sprong helemaal in het midden moeten gebeuren,
met de twee helften van het boek opengeslagen
als het stel vleugels dat haar had kunnen redden?





Czeslaw Milosz – Gedichten
Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Gerard Rasch
Uitg. Atlas, Amsterdam 2003
372 blz.; € 35,-
ISBN 90 450 0406 2

Michael Krüger – Rooksignalen; vertaling Cees Nooteboom
Uitg. De Bezige Bij, Amsterdam 2003
64 blz.; € 17,50
ISBN 90 234 1166 8

Moniza Alvi – Het land aan mijn schouder
Gedichten vertaald door Kees Klok
uitg. Wagner & Van Santen, Sliedrecht 2003
132 blz.; € 19,50
ISBN 90 76569 36 3


Joop Leibbrand


gedichten * site * interview * recensies * artikel * verhaal * nieuws * colofon 
Impressie


Verzen van Neruda door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem
Annette van den Bosch doet verslag


Wie nu nog zwijgt

de Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973) stond centraal in het programma dat de Vlaamse dichters, vertalers, voordrachtkunstenaars Koen Stassijns en Ivo van Strijtem eind mei aanboden in het huis van Alijn, het volkskundig museum in Gent. In deze unieke locatie werden de bezoekers via de verschillende kamers in het museum geleid langs het leven van Neruda. We begonnen in een kleine ruimte met een grafmonument waarin werd gerefereerd aan de levensfasen. De dood speelde een belangrijke rol in het leven van Neruda.

Vannacht zou ik zeer trieste verzen kunnen schrijven.

Bijvoorbeeld schrijven, 'De nacht is aan scherven gevallen
en ver weg huiveren de sterren blauw.'

De nachtwind kolkt in de lucht en zingt.

Vannacht zou ik zeer trieste verzen kunnen schrijven.
Ik hield van haar, zij soms van mij.

In nachten als deze hield ik haar in mijn armen
en kuste haar zoveel en zoveel onder de eindeloze hemel.

Successievelijk kwamen de bezoekers via geboorte, de lerares die hem op zestienjarige leeftijd liefde voor het dichten bijbracht (deze Chileense lerares won opvallend genoeg zelf ook de Nobelprijs voor literatuur), zijn verliefdheden, vrouwen, zijn kind dat op jonge leeftijd overleed en zijn consulschap terecht bij de Spaanse burgeroorlog. Daarin verloor Neruda onder meer zijn vriend, de dichter Lorca.

Niemand weet waar de moordenaars
die lichamen begroeven
maar ze zullen opstaan uit de aarde
om het vergoten bloed op te eisen
bij de verrijzenis van het volk.

In het midden van het Plein gebeurde het deze misdaad.
De struik verborg het zuivere bloed
van het volk niet, en het zand van de pampa zoog het niet op.

Het werk van Neruda is heel divers. De Chileen Antiona Skármeta schreef een novelle, Brandend geduld, waarin Neruda een belangrijke rol speelt. Fragmenten hieruit halen Van Strijtem en Stassijns aan tijdens hun voordracht. Lang voordat de inmiddels populaire film Il Postino (De postbode) naar aanleiding van deze novelle werd gemaakt, was het duo er al op gestuit in hun onderzoek naar het leven en werk van Neruda. Verreweg het bekendst bij het publiek is de bundel Il canto general , waaruit ik een deel van 'Canto X: De vluchteling' citeer:

Het was de herfst van de druiven.
De wijnstokken trilden talrijk.
De witte en gesluierde trossen
legden rijp op hun zachte vingers
en de zwarte druiven vulden
hun kleine, volronde uiers
met een geheime, bolronde stroom.
De heer des huizes, een ambachtsman
met schrale trekken, las me
uit het bleke, aardse boek
van de schemerdagen.

Ook schreef hij een lofzang op groenten zoals de tomaat. Dit gedicht werd overtuigend door Stassijns voorgedragen. In 1971 ontving Neruda de Nobelprijs. Twee jaar daarna overleed hij, enkele dagen na het overlijden van Salvador Allende, hetgeen een keerpunt in de Chileense politiek markeerde: de overheers praktijk van dictator Pinochet begon. Stassijns en Van Strijtem besloten hun voordracht in de kapel en schonken daarbij wijn aan het publiek. Een gewoonte die de katholieke kerk niet vreemd is. De dichters gaven hun bloed in de woorden die ze met de toehoorders deelden en in de rode Chileense wijn die ze deelden met het publiek. Ieder met een gedicht uit een eigen bundel (Van Strijtems Een rode sjaal en Stassijns Wie nu nog zwijgt) riepen ze op tot politieke betrokkenheid. Ivo van Strijtem deed dat zo:

In mei

kocht ik een sjaal, een rode,
omdat rood toch steeds terugkeert.

Liep toen door, eerste links,
dan weer links en kwam uit

op een binnenplaats bij een bank
aan een bakstenen muur

waar een viool de ruimte vulde,
een viool van wijn en waakzaam vuur.

Een indrukwekkend programma door dichters met een boeiende, enthousiasmerende voordracht. Hun souplesse in teksten naar voren brengen en omgang met het publiek verraadt een grondige routine en maatschappelijke inzet. Het huis van Alijn organiseert zo'n vier keer per jaar voordrachten in samenwerking met beide dichters. Ga er eens luisteren!

De citaten komen uit:

Koen Stassijns en Ivo van Strijtem - De mooiste van Neruda
Uitg. Lannoo/Atlas, 3e druk 2001

Ivo van Strijtem - Een rode sjaal
uitg. Atlas, 2e druk 1998


Annette van den Bosch




gedichten * site * interview * recensies * impressie * verhaal * nieuws * colofon 
Artikel


Zwarte romantiek
door Kees Godefrooij


'Mal' van Chanel
voor Charles Baudelaire

De nieuwe geuren van het boze
bewieroken dit heilig graf
als geurwater voor goddelozen
die zich bemoeien om zijn staf.

K.G.

Dit korte vers wil een oproep zijn, een oproep aan dichters en lezers van nu om zich te dompelen in de poëzie van de Zwarte Romantiek (*), of beter gezegd om het stijlmiddel van het 'boze', het wanhopige, het zich afkeren, toe te passen en te waarderen. In Frankrijk heeft de Zwarte Romantiek prachtige poëzie voortgebracht, maar in Nederland is er nooit sprake geweest van zo'n periode. Wellicht is het moment daarvoor aangebroken, zo'n 175 jaar na dato, nu dat we de 21e eeuw binnen rollen. Een wegwijzer voor deze cultspanne is de onvolprezen bundel Franse prozagedichten, samengesteld, vertaald en ingeleid door Menno Wigman, met de aansprekende titel Wees altijd dronken!.
Dit pronkjuweel, dat nog mondjesmaat verkrijgbaar is, bevat poëzie van dichters die nog niet eerder werden vertaald; bovendien laat Wigman op aanstekelijke wijze zijn licht schijnen over de Zwarte Romantiek. Om een voorbeeld te geven van de parels in deze bundel, het volgende gedicht van Pierre Lou˙s uit 1894.

Het graf van een jonge courtisane

Hier rust het fręle lichaam van Lydé, duifje, de vrolijkste
van alle courtisanes, die meer dan wie ook hield van orgieën,
van loshangende haren, trage dansen en geelrode tunica's.

Meer dan wie ook hield ze van smakelijke tongzoenen, van
strelingen over haar wang, van spelletjes die alleen de lamp
mag zien, en van de liefde die je ledematen afmat. En nu is ze
een nietige schim.

Maar voor ze ten grave werd gedragen, hebben ze haar een
prachtig kapsel gegeven en haar lichaam op rozen gelegd; zelfs
de steen die haar bedekt is geheel doordrenkt met oliën en
geuren.

Heilige aarde, ons aller voedster, ontvang de arme dode zacht,
laat haar slapen in uw armen, o moeder aarde! En maak dat er
rond haar grafzuil geen brandnetels en braamstruiken groeien,
maar lieve witte viooltjes.

(vert. Menno Wigman)

Er schuilt schoonheid in de broeierigheid van de zelfkant. Het boze als stijlmiddel in de poëzie kan verpozing bieden voor de soms saaie alledaagsheid van studie, werk of ouderschap. Zwarte Romantiek in de kunst is dromerij en avontuur, het is een vermaak zonder risico voor het eigen bestaan, een soort kermisattractie voor de 'verfijnde' geest. Sommigen zien het misschien als een miskenning van de poëzie van weleer, van dichters die werkelijk leden, dat bepaalde elementen uit hun werk nu als stijlmiddel wordt aangeprezen, maar pas op: 'Alle literatuur vloeit voort uit zonde' - Charles Baudelaire.

Wellicht zou het interessant zijn om in het kader hiervan een stijlleer te ontwikkelen ten behoeve van de visuele kunsten, zodat de Zwarte Romantiek anno nu een gezicht krijgt.
Een voorbeeld van zo'n visualisatie is te vinden op de site van modehuis Chanel (**).
Het poëtisch object van verlangen wordt hier voorgesteld als blond, heeft blauwgrijze ogen (waar omheen met zwart potlood de zondeval is getekend), een sensuele mond met moedervlek en een hongerige kaaklijn. Ze draagt een zwart jasje, roze tas en jeans.
Ze vertegenwoordigt een mix van achteloze elegantie en ingetoomde ontdekkingslust oftewel, wat je misschien zou kunnen noemen: de nieuwe Zwarte Romantiek.

Tot slot een gedicht van Baudelaire uit de genoemde bundel.

Wees altijd dronken!

Wees altijd dronken! Dat is alles, het enige wat er
toe doet. Om niet de helse last te voelen van de Tijd die je
schouders breekt en je naar de aarde drukt, moet je je onophoudelijk
bedrinken.
Maar waaraan? Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid,
net wat je wilt. Maar bedrink je.
En mocht je soms ontwaken op de trappen van een paleis,
in het groene gras van een greppel, in de sombere eenzaamheid
van je kamer, en merken dat de dronkenschap al verminderd
of verdwenen is, vraag dan aan de wind, de golven de sterren,
de vogels en de klok, aan al wat vliedt, al wat zucht, al wat
rolt, zingt of spreekt, vraag dan hoe laat het is; en de wind, de
golven, de sterren, de vogels en de klok zullen je antwoorden:
'Het is tijd om dronken te worden! Bedrink je om geen ge-
martelde slaaf van de Tijd te zijn; bedrink je altijd maar weer!
Aan wijn, aan poëzie of aan deugdzaamheid, net wat je wilt!

(vert. Menno Wigman)

* Zwarte Romantiek: grofweg 1830-1914; voor het gemak schuif ik de decadenten en symbolisten ook onder dit kopje.

** Modehuis www.chanel.com skip intro; kies europe, dan english, fashion, collectors, accessoires, ligne cambon, de meest linkse foto, links onder

Wees altijd dronken! Franse proza gedichten uit het fin de siècle. Gekozen, vertaald en ingeleid door Menno Wigman
Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam 1998
Nog te bestellen via www.voetnoot-publishers.nl


Kees Godefrooij




(advertentie)
Echt alles te weten komen over het schrijven van verhalen en/of gedichten?
www.writersathome.nl/WriteWedstrijd.htm




gedichten * site * interview * recensies * impressie * artikel * nieuws * colofon 
Verhaal


Eendje
Irmelin Bourse

'Oké, ik heb gedronken,' zegt mijn vader. Hij legt de nadruk op heb, alsof zijn bezoek aan de kroeg al een hele tijd geleden is en dat hij heus, héús, niet dronken ís.
Wat een onzin, dat wij dat denken. Maar de alcoholwalm hangt om hem heen als het parfum waarmee Ciska zich onderspuit.
Allesoverheersend, misselijkmakend. Soms, als Ciska voor mij getelefoneerd heeft, stinkt de hoorn zo erg dat ik kokhalzend mijn gesprek voortijdig moet beëindigen.
'Waar is jullie moeder?' vraagt mijn vader, terwijl hij, een beetje uit het lood, midden in de kamer staat.
'Onze moeder ligt boven op bed,' zegt Ciska met de nadruk op onze. Ik bijt op de binnenkant van mijn wang om niet in de lach te schieten. Het is alsof we een toneelstukje opvoeren met die onnatuurlijk beklemtoonde woorden en dat krampachtige staan midden in de huiskamer. Ik besluit te gaan zitten in de schommelstoel bij het raam. Laat Ciska het maar oplossen, zij is tenslotte de oudste.
Mijn vader kreunt en begint door de kamer te lopen. Van de salontafel naar de boekenkast. Van de boekenkast naar de driezitsbank. Langzaam, geconcentreerd. Ciska houdt hem met argusogen in de gaten. Ik schommel.
Minuten verstrijken. Saai toneelstuk. Er moet iets gebeuren. 'Onze moeder heeft de hele dag op zolder gezeten. Met het luik dicht. Zonder eten, zonder drinken. Vanaf vanochtend een uur of negen tot... Hoe laat kwam ze naar beneden, Cis?'
Mijn zus kijkt me strak aan, er trilt een spiertje bij haar oog. 'Even denken hoor, tot een uur of acht, negen? Nou ja, net voor dat jij thuis kwam, pa.'
'Ja, precies. Ze heeft nog heel even bij ons gezeten. We vroegen of ze iets wilde eten...'
'Of drinken,' zegt Ciska.
'Maar ze wilde naar bed, ze was moe. Niet zo gek, ze heeft zo'n twaalf uur op de zolder doorgebracht.'
Mijn vader kreunt weer, doet er een stapje bovenop. Zijn ijsberen krijgt iets koddigs. Hij wiebelt en wankelt, alsof hij op glad ijs loopt.
'Nee hè, nog steeds dat gedoe. Dat teruggaan in het verleden. Al die kozen en disten open...'
'Wat zeg je, pa?' vraagt Ciska.
'Dozen en kisten,' zeg ik.
'Ach, het gaat natuurlijk allemaal maar om één ding en dat is de koffer met boeken,' zegt Ciska, terwijl ze een kussen van de bank trekt en aan mijn voeten gaat zitten. Ze legt haar hoofd tegen mijn knieën.
Met gespreide vingers kam ik door haar haar. Er zitten klitten in haar nek. Ze bromt van genoegen wanneer ik de haarstrengen probeer te ontwarren. Pa klemt zich vast aan de deurpost. Hij kijkt niet naar ons maar naar zijn voeten. Ik weet waar hij aan denkt. Hij ziet, net als ik, net als Ciska, de gedeukte bruine koffer voor zich.
De koffer vol met boeken die de vader van onze moeder schreef. Boeken over planten en kruiden, over tincturen, pillen en poeders, zalven en crèmes. De boeken van opa, bij leven apotheker, mijn moeders meest dierbare bezit. Hoe vaak hadden we haar niet aan de keukentafel zien zitten, de koffer met boeken aan haar voeten.
Steeds nam ze er eentje uit, streelde de kaft en sloeg het open. Ze betastte en besnuffelde de bladzijden om het boek dan weer langzaam dicht te klappen, zonder een letter te lezen. Zo maakte ze een keurige stapel op haar schoot, om ze vervolgens weer een voor een terug te leggen in de koffer, haar schatkist. De schatkist die mijn vader, nu precies een maand geleden, in een vlaag van opruimwoede, bij het vuilnis had gezet.
Niet expres, natuurlijk niet. Hij wéét niet eens meer dat hij het gedaan heeft. Dat heb je er nou van als je zo veel drinkt.
Arme ma, ze kan het nog steeds niet geloven dat er geen enkel boek van opa bewaard is gebleven. Daarom sluit ze zich af en toe op tussen de spullen op zolder die uit haar ouderlijk huis zijn gekomen nadat opa en oma stierven. 'Wat moet ik doen?' mompelt mijn vader. Hij wrijft met draaiende bewegingen van zijn vingertoppen over zijn gezicht. Over zijn wangen, zijn ogen, over zijn voorhoofd. Hij knijpt in zijn haar. Strekt dan zijn armen naar ons uit, de handpalmen naar boven gekeerd. Genade vragend.
'Ik denk niet dat je het goed kunt maken,' zegt Ciska.
'Nee, zou niet weten hoe,' zeg ik.
'Je had natuurlijk bij de Reinigingsdienst kunnen informeren, zo'n koffer met boeken gooien ze heus niet in de verbrandingsoven. Maar ja, dat had je wel meteen moeten doen. Is nu een beetje te laat.'
'Ja, veel te laat,' echo ik.
'Gelukkig is het eendje er nog, hè Quint,' zegt Ciska terwijl ze zich nog dichter tegen mijn knieën vleit. Ik voel geen klitten meer en maak vlechtjes in haar haren. Pa, nog steeds met zijn armen gestrekt, kijkt ons aan. Ik zie dat het hem moeite kost. Zijn blik is lodderig, troebel. Maar vooral mismoedig.
'Eentje?' Ineens gloort er licht in zijn ogen. 'Heeft ze er eentje gevonden!
Maar dat is toch... geweldig!'
Hij zet een paar passen in onze richting, zijn armen nog verder voor zich uit strekkend, even heb ik het idee dat hij ons wil omhelzen, optillen. 'Nee, een eendje, je weet wel, zo'n geel gummi badeendje. Ongelooflijk toch dat een klein stukje speelgoed zo veel herinneringen los weet te maken.'
'Ja,' haakt mijn zus aan, 'en wat een wonder dat ze het eendje van de week terug vond. Wat vertelde ze ook al weer, Quinta?'
'Ze vertelde dat ze, toen ze klein was, elke zaterdag in de teil ging.'
'Want een douche of bad hadden ze toen nog niet,' zei Ciska uitleggerig.
'Die teil stond 's winters vlak bij de kachel. En op een keer gleed ze uit en brandde haar arm aan de gloeiend hete zijkant van die kachel. Het deed zo verschrikkelijk pijn dat ze, dat ze...,' ik duw mijn knokkels in Ciska's nek. 'Er helemaal niet meer in durfde!' zegt mijn zus, alsof ze de clou van een mop vertelt. 'Ja, ècht! Wat opa en oma ook probeerden, ze deed niets anders dan tegenspartelen, huilen, krijsen, nou ja de hele mikmak.'
Mijn vader kijkt van mij naar mijn zus en weer terug. Zijn kin is op zijn borst gezakt, zijn mond een open wond.
'Toen kreeg ze dus dat eendje van geel gummi. Opa stopte het in de teil en toen ze het zo vrolijk zag ronddobberen, stapte ze zonder te dralen het badwater in. Ongelooflijk hè, weg angst!'
'Vandaar een heel bijzonder eendje.' zegt Ciska.
Een zacht, ingehouden grinniken borrelt op uit mijn vaders keel. Hij schudt zijn hoofd, schokt met zijn schouders. Hikt, slikt en grijpt met twee handen naar zijn buik.
'Alleen, nu kan ze dat eendje ook niet meer vinden!' spreekt Ciska, luid en duidelijk.
'Hij lag op de keukentafel, ten - min - ste,' en ik proef elke afzonderlijke lettergreep, 'ze zei dat ze hem daar voor het laatst gezien had.'
Pa stopt met lachen, plotsklaps. Hij kijkt ons aan met een blik in zijn ogen alsof hij, uit het niets, totaal onverwacht, een stomp in zijn rug heeft gekregen. Dat wat wij vermoeden, nee, dat wat wij zeker weten, dringt tot hem door. Hij is degene die vanochtend vroeg de vuilniszakken buiten heeft gezet. Hij heeft, mopperend omdat wij nooit iets opruimen, een paar uitgedroogde boterhammen,
een lege melkdoos, de plastic verpakking van de kaas - een geel gummi eendje? - van de tafel geveegd en met één zwaai in de muil van de grijze afvalzak laten verdwijnen. Hij weet het weer en begint te snikken. Tranen druppen uit zijn wijd open ogen, biggelen langs zijn wangen en spatten uiteen op de neuzen van Ciska's laarzen. Ze trekt ze met een ruk weg en draait zich naar me om. 'Zal ik nu jouw haar vlechten?'



Irmelin Bourse




gedichten * site * interview * recensies * impressie * artikel * verhaal * colofon 
Nieuws



Literaire Boeken Top 10
  1. In Europa - G. Mak
  2. Het woud van de pygmeeën - I. Allende
  3. Een liefde in Parijs - R. Campert
  4. Een schitterend gebrek - A. Japin
  5. De eeuw van mijn vader - G. Mak
  6. Buiten is het maandag - Bernlef
  7. Het dieptelood van de herinnering - H. Haasse
  8. Decamerone - G. Boccaccio
  9. Schaduwkind - P.F. Thomése
  10. De kraaien zullen het zeggen - A. MacDonald
De Boeken Top 10 is gebaseerd op de verkopen van boekhandel 'Het Verboden Rijk' te Roosendaal in de periode 3 t/m 17 juni 2004.


Nacht van de Culinaire Poëzie
Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Hotelschool Den Haag wordt op woensdag 30 juni van 21.00 tot 02.00 uur in de Koninklijke Schouwburg in samenwerking met de Stichting Den Haag 2004 'De Haagse Nacht van de Culinaire Poëzie' georganiseerd. Burgemeester Deetman opent het evenement waarbij voordrachten van culinaire gedichten met mooie gerechten en bijpassende wijnen worden gecombineerd. Zowel werk van overleden dichters als Cees Buddingh' en Simon Vestdijk als werk van hedendaagse dichters als Eva Gerlach, Jean Pierre Rawie, Jan Eijkelboom en Anne Vegter worden ten gehore gebracht. De voordrachten worden afgewisseld met muzikale intermezzo's.
Zie voor informatie over toegangsprijzen en reserveringen de website: www.hotelschool.nl/jubilee/index.php


Sappho II
Namen en een boel vuurwerk! Voldoende afstand houden en je ogen en oren open. Wij dichten ze wel weer! zo is in het persbericht te lezen van De Residentie die op zondag 27 juni in Café Sappho aan de Vijzelgracht 103 te Amsterdam tussen 17.00 en 21.00 uur Sappho II presenteert. De namen: Simon Vinkenoog, Babak Amiri, Sven Ariaans & Linguina, Poet Stunt & Lies B., Sieger Baljon, Jet H.H. Crielaard, Philip Fokker en De Residentie. Er zal een open podium zijn. Opgeven voor aanvang van de middag. Informatie: DeResidentie@hotmail.com of DeResidentie@stoffigimago.nl


Vijf winnaars Dunya Poëzieprijs
Wappert de poëzie nog hoog voor de mens? Met deze en andere vragen is Dunya in september 2003 op zoek gegaan om de veertiende editie van de Dunya Poëzieprijs te vieren. Er zijn 230 gedichten in vijftien talen van auteurs uit zestien nationaliteiten verspreid over drie landen ingestuurd. De jury bestaande uit dichter John Leefmans, dichteres en vertaalster Jana Beranová en schrijver/criticus Michiel Kempen hebben vijf winnaars gekozen en wel Abdelmajid Ben Isa, Annelie David, Carloa Eijsenring, Hans Mirck en Ruurdtsje de Haan. Een bijzonder aspect aan de Dunya Poëzieprijs was de deelname van veel dichters die in het Fries schreven, zoals winnares Ruurdtsje de Haan (pseudoniem: Miranda Mei / zie MirandaMei.hetschrijvertje.be ) die zo het Fries introduceerde in de wereldtalen tot nu toe present in het door ongeveer 150.000 bezoekers bezochte Poetry Parkprogramma van het Dunya Festival. De Dunya Poëzieprijs houdt de publicatie van een bundel met gedichten van alle winnaars in. De presentatie van deze bundel is voor begin november 2004 gepland. Website: www.dunya.nl


Oproep
Gezocht voor OPEN HAVEN FESTIVAL in het weekend van 20, 21, 22 augustus 2004: dichters die wat betreft voordracht iets bijzonders doen met hun werk en daar harten mee kunnen raken en zielen mee kunnen strelen!
Reageer zo snel mogelijk want voor 17 juli moet het gehele dichtersprogramma rond zijn! Bij teveel reacties wordt er een auditie georganiseerd. Tot nu toe zijn er dertig tot veertig plekken te vergeven. Zaterdag de 21e is het Brabantse Dag met als thema BRABANT VEROVERT AMSTERDAM. Op vrijdag is er aan het eind van de middag een SLAM-toernooi voor maximaal zes dichters, waarvan er nog drie open zijn. Op de middag zelf zijn er nog ongeveer tien en op de zondag zijn er een groot aantal plaatsen.
Kennen jullie een bijzondere dichter of ben je het zelf, neem dan voor 10 juli (maar het liefst zo snel mogelijk) contact op met Volcmar Suijs, tel. 0345 536 345. Bij voorkeur per e-mail: benatine@cs.com


Gedicht Antjie Krog bij schilderij Marlene Dumas
De Zuid-Afrikaanse dichteres Antjie Krog schreef een gedicht bij het schilderij van Marlene Dumas The Particularity of Nakedness, samen met nog andere dichters en schilders te zien en te lezen op de internetgalerij van ekfrastische gedichten, een uniek initiatief in het Nederlandstalig gebied, gerealiseerd door Boekgrrls:
www.boekgrrls.nl


Ultieme Vlaamse Cultuurdatabank
Wie op de hoogte wil blijven van alle culturele nieuwtjes in Vlaanderen heeft het niet zo gemakkelijk. Surfend van site naar site vind je wel heel wat, maar lang niet alles. In maart 2005 komt daar eindelijk verandering in. Cultuurnet Vlaanderen, het overheidsinstrument voor cultuurbemiddeling en –promotie (wwww.cultuurnet.be ), werkt sinds 2001 aan een website met de naam Cultuurwijzer waar de gebruikers alle informatie en diensten kunnen vinden. Niet alleen cultuuragenda's, maar ook recensies en zelfs de mogelijkheid om een ticket te reserveren.


Buyens minder dood dan de anderen?
Schrijver en cineast Frans Buyens is op tachtigjarige leeftijd overleden. Buyens begon na de oorlog te schrijven: hij ijverde als revolutionair voor een betere wereld en richtte de linkse tijdschriften Voorpost en De satan op. In de jaren zestig legde hij zich toe op het draaien van documentaires, vooral over sociale wantoestanden en over de verwerking van de oorlogsjaren. In 1985 schreef Frans Buyens een boek over hoe de dood had toegeslagen in zijn familie. Met Minder dood dan de anderen schreef hij een boek dat een belangrijk wapen werd in het euthanasiedebat. Het boek werd verfilmd in 1992 met Dora Van der Groen en Senne Rouffaer. Hij werkte ook dikwijls samen met zijn vrouw, de schrijfster Lydia Chagoll. Hij verfilmde enkele boeken van haar.


De Rode Ridder is wees
Stripauteurs worden wel eens over het hoofd gezien. Zonde zou het zijn om Karel Biddeloo niet te vernoemen, vooral omdat hij na Willy Vandersteen de Rode Ridder adopteerde en hem een plaatsje gaf in het cultureel erfgoed van Vlaanderen. De Rode Ridder werd het eerst getekend door Willy Vandersteen in 1959. Inspiratie haalde Vandersteen toen uit de jongensboeken van Leopold Vermeiren. Maar toen Suske & Wiske steeds meer succes kregen en nieuwe strips als Bessy en Jerom ontstonden, schoof Vandersteen De Rode Ridder door naar Karel Biddeloo. Op de ruim 160 albums die Biddeloo in de volgende 35 jaar tekende, bleef Vandersteens naam staan. De bescheiden geestelijke stiefvader is niet meer... Velen zullen zijn onmetelijke fantasie missen. Hij maakte misschien geen grootse literatuur, maar hij heeft jarenlang miljoenen lezers geboeid.


AGENDA-TIPS:
zondag 20 juni: Het zesde festival van de Europese Schrijvers Par Mets et par Mots slaat z'n tenten op in Villa Mont-Noir in Saint-Jans-Cappel (F). In het West-Vlaams dorp is er van alles te doen, onder andere picknick, de voorstelling van het Jaarboek De Franse Nederlanden/Les Pays-Bas Français van de stichting Ons Erfdeel, voordrachten van Hagar Peeters, Menno Wigman, Patricia Lasoen, Willy Spillebeen e.a. Meer informatie: ann.vandamme@west-vlaanderen.be
zondag 20 juni: Vanaf 16.00 uur optreden van De Woorddansers: Rotterdam Import, Made in Da Shade door Urban Theater, Hal 4, Pakhuis Meesteren, Rotterdam. Zie de website www.woorddansers.nl
zaterdag 26 juni: In De Branderij, “Expositieruimte Hedendaagse Kunst”, Bleekhofstraat 24, 2018 Antwerpen geeft De Antistresspoweet een poëtische performance ten beste om 21.00 uur. De toegang is gratis.
vrijdag 2 juli: Auteur Thierry Deleu stelt zijn roman Arsène du Fręne, heer van La Vallade voor in de Stedelijke Bibliotheek van Harelbeke. Het laatste deel van de Creuse Triologie werd een meesterlijke historische roman! Iedereen is welkom! Bibliotheek Harelbeke, Eilandstraat 2, 8530 Harelbeke. Aanvang 20.00 uur.
zondag 4 juli: Watou gaat weer zweten. Dit jaar van 4 juli tot 5 september. Als een deur zonder huis die nog opengaat is het thema van de Poiëziezomer Watou 2004. Dit jaar met hommagezondagen aan onder anderen Rutger Kopland, Gerrit Komrij... Meer informatie: www.poeziezomerswatou.be . Hier komt Meander later nog uitgebreid op terug.
donderdag 8 juli: De Muzeval met gastdichter Peter Holvoet-Hansen, wiens roman De Vliegende Monnik (Uitg. Prometheus) onlangs werd gepresenteerd door Pjeroo Roobjee in Het Gouden Huis. Café De Muziekdoos, Verschansingstraat 63, Antwerpen-Zuid. Aanvang 20.00 uur. Toegang gratis. Vrij poëziepodium. Org. Stichting Pipelines vzw.



Het nieuws werd samengesteld door Jan Boonstra en Tine Moniek.

Nieuwsberichten voor Meander 244 van zondag 4 juli dienen uiterlijk dinsdag 29 juni in ons bezit te zijn. Stuur geen attachments mee.
Berichten kunnen worden gestuurd aan Xnieuws@Xmeandermagazine.net (de letters X uit dit adres verwijderen!)





gedichten * site * interview * recensies * impressie * artikel * verhaal * nieuws *
Colofon




Site: meander.italics.net

E-mailadres: Xinfo@Xmeander.italics.net (de letters X uit dit adres verwijderen!)

Redactie:
Adelheid Bekaert, Yves Joris, Gerard Kool, Joop Leibbrand, Margo Verbiest, Rob de Vos

Vaste medewerkers:
Jan Boonstra, Annette van den Bosch, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Milla van der Have, Tine Moniek, Elly Woltjes.

Verder werken mee:
Chris Coolsma, Rutger H. Cornets de Groot, Joris Lenstra, Bert van Weenen, Atze van Wieren.

De gedichten worden beoordeeld door: Adelheid Bekaert, Yvonne Broekmans, Hans Hamburger, Yves Joris en Joop Leibbrand.
De verhalen worden beoordeeld door: Yves Joris, Margo Verbiest, Rob de Vos en Elly Woltjes.


Financiën:
Meander is gratis, maar ook uw financiële bijdrage is nodig!
Bijdragen vanuit Nederland kunnen worden overgemaakt op Postbank giro 8941864 t.n.v. G.C. Kool te Delft.
Voor bijdragen vanuit België: Rekening 402.2004409.95 ten name van Meander.
Vermeld 'donatie Meander' en uw e-mailadres.


Abonneren, opzeggen en uw adres wijzigen gaat het eenvoudigst op het adres: http://meandermagazine.net/service
en omslachtiger door gebruik te maken van de volgende e-mailadressen:
Abonneren door een mail aan Xmeander-request@lists.nl met als onderwerp: subscribe (de letters X uit dit adres verwijderen!)
Opzeggen door een mail aan Xmeander-request@Xlists.nl met als onderwerp: unsubscribe (de letters X uit dit adres verwijderen!)
(U kunt ook de hele krant aan ons retour zenden met ergens bovenaan de uitroep 'Unsubscibe!' of iets dergelijks, maar dat is de meest onbehouwen manier ...)

Kopij is welkom bij Meander. Zie http://meandermagazine.net/kopij/

Verdere verspreiding van de in deze uitgave opgenomen teksten is alleen toegestaan met voorafgaande en uitdrukkelijke toestemming van de auteur(s)


Zie ook op onze site: gedichten * verhalen * artikelen * recensies * interviews * links * klassiekers * archief

naar begin van deze krant