|
Frédéric Leroy |
||
|
Onrust
Over de pijnboomgrens wacht de maan halfvol en geel als een zuurtje op alarmfase twee van het nachtelijk rampenplan. "Er lijkt wat," fluister je, "er lijkt wat in het gras te leven", maar ook jij weet: dit is geen leven, dit is het stuiptrekkend sterven van iets jong en vormloos. "Wat dan?" Noem het een gedachte, noodlottig in het gras verloren door dat meisje in haar witte jurk (deze middag, toen de zon scheen en er nog gezongen werd). Jij legt je te slapen, naakt onder de bedsprei, beeldt je stilte in, ik streel je haren en jij gelooft je eigen leugens, ontwerpt zelfs een glimlach, alles lijkt vredig, terwijl de wind zich door de kieren sleept.
Maritiem
Als je dan toch al zou willen, volle vrouw, dat ik je lichaam met de zee vergelijk, hoop dan niet op rollende verzen en opspattend woordenschuim dat wit als de meeuwenborst of de stranden van Aitutaki triomfeert in het zonlicht, maar hou ogen en neusgaten open, verwacht een lading zure guano en de stank van algen, dan breng ik je een lallend zeemanslied over scheurbuik en gezwellen in kabeljauwlever, een ode aan de onregelmatigheid van geïncrusteerde parasieten op die glibberige golfbrekers van je, ach ja, misschien wat ongezouten piratenpraat bovenop, een slag in het gezicht met een rotte, afgeknauwde droogvis, en weet dat deze matroos nog het meeste houdt van die mosselbaard die stug tussen je dijen pronkt.
Poëzie
Overdrijf nu niet – zij is lang geen heldin met ontblote borst die over lijken van de vijand stapt en tirannen onthoofdt, noch de fakkel van de humanisten, heilige belofte van gelijkheid en broederschap, blauwe fee die hout tot vlees maakt, dan tot duurzaam aluminium, bron van eeuwige jeugd of miraculeuze brug over de vuurzee. Nee, zij is geen fata morgana maar de vuurzee zelf, lichtekooi met tuberculose, vulgaire slet die zwarte nagels in je rug plant, infecties zaait, de laffe slag van het ezelskaakbeen, schreeuw van de vermoorde, geneuzel van de bronstige sjamaan, lied over de wereldslang en het ei dat breken zal.
Zij breekt
(IN ZES FRAGMENTEN) voor Efi Leontopoulou 1. Zij breekt de fetakaas in twee en drijft scabreus de spot met Belgische tomaten, grof versneden circusneuzen tussen het komkommerzaad, ach geeft niet, fluistert ze en slaat een kruis (want goede olie kan mirakels doen). 2. Zij is mooi als sneeuw en breekt het ijs in januari, als we samen met het nieuwe jaar ineengestrengeld en woordeloos naar dode bomen turen, fabelachtig veinst ze dat ze van de winter houdt (en kust me zacht). 3. Zij breekt me soms in hele kleine stukjes als de maan vol is en er moordende horden door haar aders jagen, als ik door de badkamerdeur naar haar borsten staar, ze likken wil, dan laat ze honden los en gooit met tanden. 4. Zij breekt naar oeroud ritueel en met een vloek haar ei hard op het mijne, synthetisch rood en niet langer gedoopt in bloed van pasgeborenen, vóór ons een versneden karkas ter meerdere glorie van een pas herrezen lentegod. 5. Zij breekt de ritmische adem van het grote, blauwe lichaam dat ze meedraagt in het hart, waar ze zorgen in laat zouten, ze beseft maar ziet niet dat er vissen in haar leven, – ik wel, zie ze soms wanneer ik in haar ogen duik. 6. Zij breekt vandaag wat morgen, in soepel ochtendlicht onverwoestbaar lijken zal, weet steeds van de dingen de wezenlijke kern te vinden, dat wat theoretici hadden uitgesloten, en knijpt dan hard, genadeloos.
Zij stoeit met stiletto's Het gedicht als zoektocht naar mezelf maar vooral naar jou, datgene wat mij ontbreekt, rusteloos maakt en soms korrelig geprojecteerd in een cerebrale achterbuurt (hersenwijk waar ik mijn eigen gore lijk verberg) ben jij een nymfomane ijspop: Eurotrash en naakt in hoge laarzen speel je er een bleke heroine, draag je in een vluchtige zwarte mis met gladgestreken haren je merrieheupen hoog, stoei je met stiletto's. |
Annette van den Bosch stelt
Frédéric Leroy (1974, voedingstechnoloog en dichter) enkele vragen.
Hoe ben je zo tot schrijven gekomen? Wanneer schreef je je eerste gedichten en waarover? Plots. Minder dan een jaar geleden ben ik begonnen met het schrijven van gedichten. En toch kan ik mij nauwelijks herinneren hoe dat juist gegaan is...
Waar
haal je je inspiratie vandaan? Welke dichters bewonder je en waarom?
Inspiratie, tja, wat is dat eigenlijk? Tijdelijke rusteloosheid van de geest? Overkomt me wel eens, ja, op de meest onverwachte momenten. Dichters die ik bewonder zijn (onder andere) Paz, Montale, Gatsos en García Lorca, omwille van de magie van hun schrijven en omdat het visionairen zijn. En ook Dante en Ovidius, als ik even mag? Verder nog Rimbaud natuurlijk, die als tiener al meer poëtische maturiteit had dan wie dan ook. In slechts een aantal jaar tijd, vanuit het niets gekomen, heeft hij de poëzie tot in de hemel geschreven, ingeslikt, platgekauwd en uitgespuwd om ze dan voor dood achter te laten. Hij was amper 25 jaar oud toen hij de poëzie de rug toekeerde, nadat hij alle denkbare grenzen had verlegd.
Wanneer is een gedicht
áf voor jou?
Moeilijke vraag. Dichten is - denk ik - het op zoek gaan naar iets 'ideaals'. Er zijn mensen die geloven (desnoods op Platonische wijze) in het ideale gedicht. Ik niet (maar ben toch wel gek genoeg om te blijven zoeken). Daarom zal een gedicht wel nooit af zijn. Laat me zeggen, dat ik een gedicht af vind als ik het me echt de strot uitkomt en ik niet langer de zin heb om het nog maar eens te herlezen en aan te passen.
In jouw gedichten komen de mythologie
en relaties tussen mensen regelmatig aan de orde.
Kun je dat verklaren, zijn daar specifieke redenen voor aan te geven? O ja! Mythologie boeit me, reeds als kind, maar vooral sinds ik de werken van mensen als R. Graves, M. Gimbutas en J.G. Frazer heb gelezen. Mythen (inclusief de moderne religies die daar cerebrale afkooksels van zijn) stammen dan wel uit het begin der tijden, ze zijn nog steeds verbonden met alle aspecten van het menszijn. De dominantie van mythische oerideeën en motieven in onze cultuur is immens sterk (o.a. de cyclische vruchtbaarheid van lichaam en natuur, de reis naar het hiernamaals, het heldendom, de angst voor monsters en het onbekende, het belang van de clan, het offeren van de zondebok, enz.), krachtige concepten die, als men er even over nadenkt, afgeleiden zijn van onze essentiële biologische behoeften als 'intelligente' primaten: de drang tot voortplanten en overleven, maar ook sociale interactie en de rationalisatie van de omgeving (die ons als reproductiemachines een ontzaglijk competitief voordeel opleverden). Daarin schuilt de essentie van het mens zijn, denk ik. In niets anders dan dit biologisch/mythologisch keurslijf dat ons handelen situeert tussen het beoefenen van wetenschap en kunst enerzijds en het voeren van bloedige oorlogen anderzijds. De rest is ijdelheid.
Ook schrijf je regelmatig over het dichten, het proces
en wat poëzie voor jou betekent. Wat
is de rol van dichten in jouw leven? Ik adoreer gedichten met 'poëzie' als onderwerp. 'Bloody Mary' van Someck, bijvoorbeeld, of natuurlijk 'Un coup de dés' van Mallarmé. Het schrijven van poëzie als proces fascineert me. Interessanter dan de gedichten zelf is de vraag waarom en hoe mensen gedichten schrijven. De bedoeling is steeds weer het op zoek gaan naar het 'Andere', dat wat we niet kennen, dat-wat-niet-in-ons-is. Ik heb geleerd dat dit niet noodzakelijk op grootse zaken zoals de Kosmos of de Liefde hoeft te slaan, maar ook kan schuilen in het kleine en alledaagse, of zoals Baudelaire heeft aangetoond, in het vulgaire en het lelijke. Als een ware held (maar bevend van de schrik) wil de dichter dan proberen het onbekende, het gapende gat in ons wereldbeeld, de afgrond (of hoe je het ook wil noemen) te bezweren. Hij ageert in feite als een sjamaan. Deze bezweringsdrang is mogelijk de te betalen prijs voor ons bewustzijn. Hoe sterker iemands bewustzijn, overigens, hoe meer uitgesproken dit proces lijkt te zijn. Er zijn ook wel mensen die dichten om te plezieren, om te koketteren. Dat noem ik geen poëzie. Ik heb ook moeite met de overdaad aan luchtige, grappige verzen in het Nederlands. Niet dat met humor iets mis is, integendeel, maar dan moet het humor zijn die bijt, die pijn doet.
Je publiceert onder
andere op Schrijfnet en op Zevenblad. Hoe ga jij om met kritiek op
je gedichten?
Ik apprecieer snoeiharde kritiek, als ze maar eerlijk is, gefundeerd en onbevooroordeeld. Ik heb, als beginnend dichter, veel geleerd uit de genadeloze kritieken van enkele poëzieliefhebbende internetters. Ik denk dat ik overigens behoorlijk goed met kritiek kan omgaan. Laat ze maar komen die wervelwindcommentaren en scherpe pennen. Kritiek die echt pijn doet zal over het algemeen ook wel goede kritiek zijn, die effectief de zwakke punten van het gedicht blootlegt. Een dichter heeft kritiek nodig, dat houdt hem scherp; iemand die daar niet tegen kan ruilt het dichten beter in voor kantklossen. Als ik kritiek ontrechtvaardig vind, omdat men op de man speelt bijvoorbeeld, leg ik ze naast me neer.
Je hebt je op www.zevenblad.nl opgeworpen
als beheerder van de club Morgenrood. Wat zijn de doelstellingen van
Morgenrood en wat spreekt je aan in het beheren van een club?
Nadat ik de sfeer op een aantal poëziesites wat beu was geworden, ontdekte ik Zevenblad; ik vond het aardig wat opbouw en mogelijkheden betreft. Alleen, de kwaliteit van de gedichten viel me tegen. Toch waren er nogal wat interessante dichters hier en daar maar hun inzendingen werden bedolven onder de 'gevoelspoëzie'. De sitebeheerders hebben dan een clubsysteem ingevoerd waarbij 'leeshoekjes' gecreëerd werden, opdat iedereen zijn type literatuur zou kunnen beoefenen. Met succes. Ik richtte er Morgenrood op, een poëzieclub voor mensen die met 'kwaliteitspoëzie' willen bezig zijn en via discussie willen leren hoe ze hun werk 'beter', noem het interessanter, kunnen maken. De beheerderstatus stelt niet veel voor, het betekent dat ik een oogje in het zeil hou en beslis over nieuwe leden. Afgezien van het feit dat ik de initiatiefnemer was van Morgenrood, gedraag ik mij als een gewoon lid. |
|
|
Meer gedichten van Frédéric Leroy zijn te lezen op:
fleroy.skynetblogs.be
|
||