|
Erik Verhaar |
||
|
Een Vervallen Plaats, Een Hand voor Haar
Tijd tot haar lichaam is volgroeid, voor vervanging en de werkelijkheid. Ze slaapt of schreeuwt dat zij soms bestaat. Nu wij scheiden, nu wij staan, nu wij dezelfden zijn: vocht delvend vlees, na verwekking verlaten, een fles stil water brak en breekbaar groeiend naast ons, achter een dichtgevallen deur. Alsof je cirkelt, muntstukken besluipt, in haar dezelfde terughoudendheid, dezelfde terreur. En alles voelt wrang, verkrampt, alsof een Atlas die ons altijd droeg, zich over de rand heen sloeg en ons verdrukkend vasthoudt in wat altijd was. Als in een sublieme naalddunne sluitertijd. Als je je afsluit voel jij haar, voorgevormd, vrij in een groot geheugen van herhaaldelijkheid. Vervallen plaats en een hand voor haar om op te groeien.
De Ter Zijden
's Avonds, met niets tot woekeren verwelkomd, ook wij niet, heb ik haar het park, en de plaats van afspraak laten zien. Geen zeis te zien daar, geen ondergraver, maar niets voordien was anders dan toen ik er was, of mij er stil uit liet verwijderen. Tussen groen, verzorgde perken, altijd pas geverfd, gebronsd hout waarop ik de afgesproken tijd aftelde, uitrekte tot in ononderbroken aanlengen, de hoorn niet kon horen die mij al die tijd al afbelde in mijn doodgeknipte diep in de grond vergeten navelstreng. Veel te lang, al lang voor haar tijd kwam, heb ik zelf pupillen geplaatst in de groot rond mij gapend lege ovalen, wat kon zij weten. Daar heb ik haar gevraagd toen, en is het verwekt, voor wie weet wat, voor uitstel ondermijnen, mijn onvolmaakte vorm.
Eind Sonneert
Iedereen, maar jij niet. Anderen, jij niet. Als bij rondom ontgonnen groen gingen jouw uitvluchten aan jou hangen, maar ze vielen niet. Ze vielen niet. Iedereen, maar jij niet. Jij vlijde je ons proberend, onverdacht ver boven ons uit, toen, klein verwend poserend naakt. Diepe vaak herroepen huid als op wind gedragen watten zaden. Maar afstaand, te vrij nam je tijd in jouw vertrouwen, werd doorzichtig wit op haar draperen haar nalatig gewaad, als mottenvleugels om haar heen, alleen, de lustige tanden van herinnering Achter onbemand, ooit ongerimpeld canvas krimpt ze uit haar poses. Ze zegt, er zweeft geen melk meer door mijn weefsel, huid droogt uit. Maar nu mijn vleesgeworden huid, mijn blind verglijden van nooit echt ontlaadde tijd, zoveel meer waard blijkt te zijn, moet bijeengeveegd stof toch iets verbeelden dat ik nooit in mij heb willen zien, hierbinnen. De beitel moet in mij, ze zei, zou iemand nog zijn bloed verbruikbaar kunnen voorbereiden, op haar, een goede afloop, genieten hoeft niet eens. Voorgoed in uitvegen verschanst, in een verdict voor verandering.
OGEN WIT DE WEG
Niet eens voor mij, voor mij uit, staart mijn weg, voorbode, in het niets, niet eens voor mij, vervagend mijn gelijke, ons vereeltend pact van verder willen, en elke lijn te volgen achtervolgt. Mijn oog in voren over verten verloren, giet er odes over, dochters zonen die je op ziet groeien, dan uit je weg moet zien verstillen. Verten die gezichtsveld veegden in de weg, mijn werk, met verachten, ervan leven te bedekken. Verten ooit rechtopstaand, aanlokkend openslaand, zijn nu in een slot gevallen en verspreid over dit landschap, een gesloten omgevallen deur van gras, van groen, onooglijkheid. Van tijd tot tijdloos keer ik terug hier. Strepen trekkend. Levens witte lijnen trekken wreef mijn ogen uit. En ik, en ooit, een steeds vernieuwde vallende jonge hond van vrijheid, ik dreef me door het vooruit voor mijn ogen tot tot vallen veroordeeld overbleef. Ik wreef, ik dreef, mijn werken uit. |
Annette van den Bosch stelt
Erik Verhaar enkele vragen.
Staat je studie Culturele Studies het schrijven in de weg of komt ze je schrijven ten goede? Er zal ongetwijfeld wel een subtiele wisselwerking tussen de twee bestaan. Qua tijdsdruk zit ik in ieder geval uitstekend: bij mijn twee eerdere studies (ik heb Germaanse talen, Engels en Nederlands gestudeerd in Gent, gevolgd door literatuurwetenschappen in Leuven) lag die een stuk hoger. Eerlijkheid gebiedt mij erbij te zeggen dat ik de studie deeltijds volg: vorig jaar moest ik enkel nog een scriptie afwerken voor literatuurwetenschap, zodat er nog voldoende tijd overbleef om er een deeltijds studie naast te doen. Culturele Studies is een perfecte afsluitende studie. Enerzijds word je in staat gesteld om die colleges bij te wonen die je altijd al hebt willen volgen (zoals kunst- en cultuurfilosofie), maar die niet tot het vakkenpakket van je eerder studies behoorden. Anderzijds vormt de studie een interessante grijze zone tussen de theorie en praktijk, door veel belang te hechten aan dingen als cultuurbeleid en stages. Naast Culturele Studies probeer ik me bezig te houden met alles wat mijn pad kruist en me interesseert, zoals vertaalwerk, ontwerpen van websites en redactiewerk. Ik heb niet het gevoel dat al die bezigheden iets in de weg staan, nee. En mocht de hindernis te groot blijken, kun je nog altijd teruglopen, ook interessant genoeg. In beweging blijven is het belangrijkste, zeker?
Wie of wat zijn je inspiratiebronnen? Welke schrijvers dan wel welk genre bewonder
je? Heb je ook een favoriet gedicht?
Ik voel me zeker niet alleen geïnspireerd door literatuur, integendeel. Muziek is een veel grotere invloed, en altijd al geweest. Momenteel luister ik vooral naar And Also The Trees, Tindersticks, Bright Eyes, David McComb, David Sylvian, Montgolfier Brothers en (Roger) Quigley, Leonard Cohen, Sweek (een romantische variant van Mogwai uit België). Ik heb een voorliefde voor albums die je kan beluisteren alsof je naar een film zit te kijken, zoals 'Arde' van Migala, of 'Heartworm' van Whipping Boy. Ik word voornamelijk geïnspireerd door die vormen van kunst die werken met ideeën en concepten. Jorge Luis Borges definieerde kunst ooit als (ik citeer vanuit mijn herinnering dus waarschijnlijk klopt het citaat van geen kanten) een plotse revelatie die nooit werkelijkheid zal worden. Het is een dergelijke ervaring waarom het zou moeten draaien in kunst: de films van Julio Medem, Almodóvar, Kieslowski, David Lynch, Orson Welles, de schilderijen van Picasso, Magritte, Dalí en de foto's van Alain Fleischer. Op literair vlak is Milan Kundera al een levenslange favoriet, evenals Dylan Thomas, Edward Thomas, Julio Cortázar, de poëzie van Peter Verhelst en natuurlijk T.S. Eliot over wie ik mijn scriptie heb geschreven, 'The Inward Ways Out of the Waste' over de literaire weergave van de existentiële onvrede in 'The Waste Land'.
Welke tendens zie je in jouw schrijven? Ik zag in het verleden wat meer persoonlijke
ervaring die verstild was, meer water. Nu zie ik meer heftigheid lijkt het,
meer passie. Veel bloed en tranen, zo te zeggen. Het bloedt ook letterlijk in de
gedichten. Hoe kijk jij daar tegen aan? Wat is het verschil en wat was het belang
van de achterliggende periode?
Ik sta vrij ambigu tegenover vroeger werk, zoals de vier hier door u geselecteerde gedichten. Enerzijds staan in mijn ogen alle punten gegrift waarop ze tekort schieten, anderzijds zijn ze achter mijn ogen nog altijd zeer levend. Alles hangt samen met het gevoel wel op de goede weg te zitten, maar absoluut nog niet te zijn waar ik zou willen zijn, wat betreft de kwaliteit van mijn teksten. Al ten tijde van deze vier gedichten schreef ik volkomen ontoegankelijke poëzie, maar ongeveer anderhalf jaar geleden schreef ik bijna uitsluitend veel te hermetisch, te gecondenseerd, te onduidelijk. Onpubliceerbaar ook, al heb ik nog wel geprobeerd om te kijken of iemand zo gek was om er iets interessants in te zien. Meer dan een jaar geleden zag ik in dat het tijd werd voor bezinning. Op het moment dat je ergens op een onbewust niveau beseft dat je niet meer honderd procent geïnteresseerd bent in wat je doet, kun je weinig anders doen al je verworven vaardigheden en je talenten te koesteren en te betwijfelen, terwijl je de lei voor je schoon begint te vegen. Het resultaat [lees verder] |
|