malsgroen_klein (6K)


 Katrijn Jonckheere

 
Tweeluik

Poëzie zou niets zijn dan een woord
voor wat onze zinnen te boven gaat.
Maar niets wordt zo vaak onderschat.
Niets ademt te rustig onder dit doek.

Als het ooit nog uitbreken moet,
benoem het dan binnenin de taal.
Noem het een in haarzelf gesloten
schoonheid. Misschien een schilderij
van een ei in een verduisterde kooi.
Daaronder de titel 'L'amour fou'.
Zo uitgesproken wordt het mooi.

L'amour fou.


Als de moeder

Ik ben geen kleine dochter
meer en op den duur ben ik
zelfs geen dochter meer.

(run baby run baby run)

Maar rennen houdt mij niet gaaf
voor de trek van de winter,
voor de trekken van vrouw
om mijn mond.

Het sneeuwt in mijn lijf: en laat
mij dan het paarlemoeren haar,
de trouwring om mijn wijsvinger
en ach, waarom niet
de glimlach in mijn kuilen?

Zo word ik soms weer meisje,
zo word ik soms weer jou.

(het haalt ons in)

Zo ben ik op den duur,
ik draai er niet meer rond.


Voor later

Ik wil weer een volledig mens worden
met donkere humus onder mijn nagels,
de klank van een vrijgevochten dier in
mijn keel en altijd voor het slapengaan:
het gekraak van bladeren in mijn haar.

Zo moet het geweest zijn na een ijstijd.
We slopen uit de holen, lieten sporen in
de sneeuw, haalden 's nachts vingers door
elkaars vacht. We ontwarden knopen.

Zo is het ook nu. Ik verlaat dit huis met
jouw geur in mijn handen, jouw stem
onder mijn huid, het strelen van je vingers
nog door mijn haar. Mijn schoenen laat ik
achter in het grind. Wellicht voor later.


Met de ogen dicht

Ga een bintenis aan met de nacht,
zie de voorbijgaande witte lijnen,
stel de verkeerde vraag. Vraag af.

Zie het krioelen van kevers
achter het glas en denk na of
zij het zijn. Of jij het bent.

Wacht niet op een antwoord,
maar wees daar, op die plek,
met de lijnen, met de kevers,
met het glas. Geen bed.

En stel in godsnaam de vraag
of zij het zijn. En slaap dan.
Wacht niet af.


Die Heimat

Ik herinner me zijn dorp.
Het was een klein vertrek, grenzend
aan een grotere kamer.

Er stond een open boek waarin stond
dat Alice in Wonderland werd geschreven
door een mathematicus

en alles viel toen. Viel op, viel op zijn plaats.
Nimmermehr werd een woord van Hitler,
dat wil zeggen Oostenrijks, geen Duits.

En wij hadden geen alibi, geen schertsende bijnaam.
Wij bevonden ons nergens anders en hadden gebeden.
Wij bekenden schuld.

'Er kleeft bloed aan zijn vingers,' zei ze nog
'maar hij wil geen dode bloemen op zijn kamer.'
En of dat schoonheid was.

Wij waren ontdaan.
Het was een klein vertrek. Het werd voltrokken.
Het is volstrekt.


Klaaglied om Agnes

Zij is het schuchtere kind, het zusje
dat onverhoeds stierf aan stuipen,
aan een grillig leven.

Zij is de polaroïdfoto waarop steeds
weer verschijnt wat je niet verwacht.
Er is een album om dit te bewijzen;

het is een terugkeer geworden,
een opname, een overgang
naar weer een ander verhaal.

Zij is Agnes, een woord zo leeg,
dat ik het ongeremd
kan laten vallen.


(Geïnspireerd door:
Klaaglied om Agnes van Marnix Gijsen
Het verkoolde alfabet van Paul de Wispelaere)


De dooi

Ik weet hoe jij sneeuw geeft
als wol, hoe ik rijm strooi als as.
De stukken ijs om ons heen.

Daarom klieven wij dus
zout, sluipen wij langs spiegels,
lezen in hun rimpels

dat wij in ons diepste
nooit een God hebben
willen zijn,

of andersom.





 


Katrijn Jonckheere (1977, geen familie van Karel) studeerde Germaanse talen. Annette van den Bosch stelde haar een paar vragen.



Hoe ben je tot schrijven gekomen? Wanneer schreef je je eerste gedichten en waarover?
Anderhalf jaar geleden zag ik dolenthousiaste podiumdichters optreden in Gent en die hadden zoveel plezier met taal en klank dat ik als een verlangend klein kind dacht: dat wil ik ook! Dat ik talen gestudeerd heb wil niet zeggen dat ik de gave bezit om met taal te toveren.
Mijn allereerste gedichten gingen daarom vaak over het schrijven zelf. Alsof ik probeerde te verantwoorden 'waarom' ik ermee was begonnen, mezelf misschien ook probeerde te overtuigen dat dit wel degelijk nut had. Toen ik vorig jaar meedeed aan de Meander poëziewedstrijd kreeg ik van lezers te horen dat 'de tekst' Tweeluik eerder een poëticale verantwoording dan een gedicht was. Ik blijf vanzelfsprekend koppig volhouden dat het een gedicht is.




Waar haal je je inspiratie vandaan?
Een beetje dichter moet beschikken over een ongebreidelde fantasie - zo heb ik ooit gehoord. Als dat waar is, ben ik geen dichteres. Ik kan slechts schrijven over de dingen die ik ken, die ik zie (en dan hoop ik nu en dan dingen te zien die een ander niet ziet). 't Is natuurlijk ook niet zo dat je mijn leven kunt gaan nalezen in mijn poëzie. Ik pak de dingen netjes in voor de lezer. En soms ook voor mezelf.




Welke dichters lees je graag en waarom?
De keizer van de Belgische poëzie is ontegensprekelijk Hugo Claus. Geen vorm, stijl of inhoud die hij onberoerd heeft gelaten. En wat meer is: zijn schrijven raakt. Hij is grappig en wreed tegelijkertijd en soms weet je niet meer of je nu eerst wou grienen of schaterlachen. En dus doe je het dan -voor je ’t goed en wel beseft- allebei. Zijn poëzie is bovendien heel duidelijk 'made in Belgium' en ik hou van 'Het Mooi Vlaams'.
Daarnaast mag ik de bijvoeglijke taal en de ritmiek van Leonard Nolens erg graag, de (bedrieglijke) eenvoud van Herman de Coninck, de eenvoud en precisie van Rutger Kopland, het laaiende sentiment van Jean Pierre Rawie, het diepgaand engagement van Wislawa Szymborska, de gevatheid van Eva Gerlach, de felle fantasie van Eva Cox, de beheerste taal van de Carrie Bradshaw van de poëzie: Catharina Blauwendraad. En als ik daar nog een top drie van minder bekende namen mag aan toevoegen: de Grieks-Vlaamse talensalade van Frédéric Leroy, het meedogenloze metallic blauw van Erwin Vogelezang en de man die -in alle ernst- beseft dat poëzie niet alles is en niet alles poëzie: Tom Zinger.




Van welke pëezie houd je absoluut niet?
Ik hou niet van de benaming 'slechte poëzie'. De vraag is wat je als lezer aankan en aan wìl. Ikzelf blijk het moeilijk te hebben met de vorm van bijvoorbeeld Lucebert en Van Ostaijen, wat niet wegneemt dat ik hun taalspel bewonderenswaardig vind. Alleen maakt hun poëzie geen honden in mij wakker.




Hoe sta je tegenover optredens, doe je het zelf, ga je er wel eens heen?
Optredens schuren het elitaire laagje van de poëzie af. Een gedicht moet niet altijd een zaak zijn van Oostindische inkt op geglaceerd papier. Een Claus die ietwat gebogen over zijn pupiter en met frêle stem blìjft herhalen dat hij van hot naar her rent en ‘zo naar je toe rent’, komt op een gegeven moment -slecht ter been of niet- met een bloedgang vanop dat papier tot achter in die doodstille zaal gehold. Dan word ik gelukkig van het besef dat poëzie zonder krukken kan. Leonard Nolens moét je ook zijn Prachtig Boek -het valt niet te schrijven- eens horen voordragen in Luna Express. Zo’n gedicht blijft nazoemen.
Poetryslam is van een ander kaliber, maar ik vind het daarom geen minder waardig podiumgenre. Slam haalt de ambiance weer binnen in poëzie én ook de interesse en dat kan nooit negatief zijn. Dus ja, ik waag me zowel aan voordracht als aan slam.




Tot slot: waarover kun je zelf geen gedicht schrijven en wie zou dat dan beslist wel eens moeten doen?
In een interview met Piet Piryns had Claus het eens over de ontroering die hij voelde bij het horen van een hese beo. Een gedicht dat dààrover gaat, laat ik met alle plezier over aan onze nationale Ridder van Rare Woorden.


Meer gedichten van Katrijn Jonckheere kun je lezen op http://www.kaajee.web-log.nl