|
André Heijnekamp |
||
|
Ontmoeten
De bel klinkt helder in de gang van alle daagse dingen toch even verbaasd dat het klinken van de glazen dit heeft gebracht. Je opent de deur en laat me enthousiast binnen, links liggen ze, zeg je gelijk en wijst naar de viltjes op het tafeltje. Wat lief, zeg ik, je hebt ze bewaard, maar jij vindt dat gemaakte afspraken niets over liefde zeggen. Je lacht kort, de afspraak is geen houden van, maar de wil tot het spreken is, liefde laat zich moeilijk vast leggen. Het is geen overeenkomst tussen of een tegenstelling, de mensen willen graag, zekerheid geeft liefde niet. Je kijkt me observerend aan alsof je me af wilt tasten en zegt door de kamer kijkend, ik bedoel, alles is hier tweedehands.
Liefdesgedicht (pril)
De vloer trok als aarde ik moest er voor gaan zitten. Het idee gestald vroeg om een weide. Ik had beelden gespaard en een plek gecentreerd en misschien was dat juist of misschien ook niet. Maar iets in mij vroeg om een uitweg. Ik ben alleen gaan zitten. Gesloten zal ik zijn geweest. Ik schreef. Ik kijk je aan en jij slaat je armen rond mij, knijpt het papier vast in je hand, zucht je hoofd op mijn borst. Ik hoopte, zeg je, dat ik jou geraakt had en of jij mij had gehoord. Ik twijfelde of jij de woorden kende.
Ouderdom
Je zegt dat je boven nog iets hebt gevonden terwijl het sigaartje naar je lippen gaat. Je lacht en klinkt opgewonden. Er hangt iets speels over je gelaat. Ik hoor hoe moeders in de keuken rommelt. Langzaam kom je omhoog gekropen. Ik zie hoe je de stoel uit schommelt en doet alsof je door wilde lopen. Je schuifelt verder op weg naar de trap, de koffie die loopt en hijgt met je mee. Moeders lacht hoewel ik best snap het moeizame zit in alle twee. Want ik hoor je wel de trap opgaan, er wordt alleen niet veel gepraat. De kopjes worden minder vol gedaan en de klok - die tikt en tikt en slaat! |
Het idee dat de vrijdagnacht groots was André Heijnekamp uit Amersfoort beantwoordt enkele vragen. ![]() Wie of wat motiveert jou tot dichten? Ik heb mij afgevraagd waarom ik de kleur bruin mooi vind. Het zal de geruststelling van die kleur zijn geweest. Ik heb rond mijn zeventiende de pen gepakt. Kwam dat omdat ik nooit een groepsdier ben geweest of omdat ik zo een spiegel had voor mijn gedachten? De vraag is misschien beter te beantwoorden op dit moment, dan vanuit het verleden. Het is zo lastig om te vertellen waarom ik verliefd ben en zo gemakkelijk om te beseffen waarom ik van haar ben gaan houden. Ik wil uitleggen. Ik wil duidelijk maken. Wanneer mijn gedichten worden gelezen is dat voor mij een gigantische meerwaarde. Ik moet dichten, zodat ik later niet kan zeggen dat ik het niet geprobeerd heb. Het schrijven geeft mij vertrouwen, alsof ik een functie heb op deze aarde. Ik schrijf om de groei van de appel te vieren en het rotten te verzachten. Puur als een geruststelling. De liefde, het samen zijn is hetgeen mij prikkelt en hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze denken. En ook dat zoveel gebaseerd is op verwachtingen.
Heb je dichters als voorbeeld? Of dichters/performers die je bewondert?
Albert Verwey, Willem Wilmink, Adriaan Morriën, P.N. van Eyck, H. Marsman, Huub Oosterhuis, Ed. Hoornik, zijn dichters waarvan ik bundels heb gehaald, om ze in het café te lezen, met het idee dat de vrijdagnacht groots was en het nu tijdloos. Ze schrijven gedichten die me raken. Ik heb moeite met het woord bewondering, omdat dit neigt naar een scheve balans in de verhouding. Voor mij gaat het om het werk en niet om de persoon. Ook al liggen werk en persoon in lijn, ik heb er een mindere boodschap aan. Voor elk mooi gedicht krijgen de dichters een kus op de wang, maar dan wel vanwege het gedicht. Er is zoveel moois! |
|