[overzicht]


Jan-Willem Anker




Uithoek

In de uithoek staat een longdrinkglas,
een onthoofde zwanenhals
uitgedraaid.

Een buldog schuimbekt bij zijn kluif,
hoest onverstoorbaar tapijtpulp op.

In hem tikt
een zelfdenkende bom.

Het glas koestert zijn mogelijkheden,
nog niet ingepalmd door vierkant licht.

Als het een fractie zal verschuiven,
sla ik mijn hoofd tegen de muur.

Als het breekt,
ontploft de hond.

Een uithoek laat zich niet benaderen.




Feierabend

Zijn hoofd schommelt
in slaapstand

een pauzehoofd
vol denkbeeldige bries

louter donkere omtrek.

De stoel is een zuignap
maar het lijf kleeft terug.

Het been stuiptrekt
om iets weg te schoppen

iets koppigs op de voet
een octopus misschien.

De tv brandt het testbeeld
de panopticumstille kamer in

maar wat zwart is blijft
ook beschenen zwart.

Scheert autolicht vleermuizig
over de wanden

hij schrikt niet op, nee gaat
in zichzelf ten onder.




Meisje

Ze trekt een geul in de menigte
van gebarricadeerde aktetassen

jassen die bij toeval openvallen
voering rafelt in de mouwen

dialogen die beetje bij beetje los
geweekt raken van het rumoer

blijven haken aan graffitimuren
in de tunnel onder de snelweg -

haar spoor is een spoor van leegte
blikken onder een vlakke hand

zonder verklaring uiteenwijken
en stokstijf een gat slaan in het licht

ze is blauw in doorzichtige ruimtes
ze ontstaat pas als ze voorbij gaat

maar wat raakt ze eenzaam kwijt
achter een omvallende hoek.




Van Jan-Willem Anker(1978) verscheen dit jaar bij uitgeverij 'De Bezige Bij' de bundel Inzinkingen


Al op je 27e is er bundel van je verschenen bij een grote, een 'echte', uitgever.
Wat heb je daarvoor moeten doen en laten? Kan iedereen dat bereiken?

Ik denk zeker niet dat iedereen dat kan bereiken. Ik heb er erg hard voor moeten werken (pakweg tien jaar) en ik heb lang geschreven in de anonimiteit. Dat laatste is moeilijk omdat je soms hunkert naar erkenning voor wat je doet. Toen ik nog geen publicatie had, wist haast niemand dat ik schreef. Ik vond niet dat jejezelf dichter kon noemen zonder publicatie. Tegenwoordig kijk ik daar wel anders tegenaan, zeker met de groot aantal dichters die via optredens bekendheid krijgen. Hoe dan ook, toen ik mijn manuscript afhad, heb ik dat aan De Bezige Bij opgestuurd. Ik had naar aanleiding van een aantal publicaties in Bunker Hill al contact met redacteur Victor Schiferli, dus het kwam niet zomaar uit het niets. Het manuscript is toen geaccepteerd. Heel gemakkelijk eigenlijk. De laatste debuutloodjes waren dus licht. Maar goed, het leven houdt niet op bij een debuut, ik wil nog veel meer schrijven en ook dat zal veel moeite kosten.


Ik lees bij Droog dat je literatuurwetenschap hebt gestudeerd. Hindert zulke kennis je niet bij het dichten?
Ik heb inderdaad Literatuurwetenschap gestudeerd in Utrecht, een jaar Nederlands daarvoor en nog anderhalf jaar Slavistiek daarna, maar het hindert me allemaal niet bij het schrijven. Integendeel, al is het zo dat ik tijdens het schrijven zelden of nooit nadenk over wat ik heb opgestoken tijdens mijn studies. Kijk, literatuurwetenschap en Nederlands leren je vooral om scherp en analytisch te lezen, om verbanden te leggen en te herkennen. Lezen dus, niet schrijven. Je leert over theorieën die ontwikkeld zijn om literatuur te benaderen. Maar ik heb nooit een gedicht geschreven met psycho-analytische, Marxistische, (post)structualistische leesstrategieën in het achterhoofd. Ik denk dat dat erg moeilijk is. Dergelijke literatuurtheorieën zijn bedacht om teksten van betekenis te voorzien, niet als voorschrift om een tekst te maken. Voor mij zijn ze ook veel te abstract om in die zin dienst te doen. Verder heb ik veel literatuur tot me genomen tijdens mijn studie en dat is goed geweest. Ik heb nooit het gevoel gehad dat een goede schrijver me blokkeerde bij het schrijven.


Waaruit haal je inspiratie?
Uit van alles en nog wat eigenlijk. Het is een lastige vraag omdat je zo snel op dooddoeners uitkomt. Het leven. Ervaringen. Nou ja, niet al het leven en niet alle ervaringen. Ik schrijf geen ready mades en ik schrijf nooit gedichten naar aanleiding van de actualiteit. Misschien in de toekomst. Het gaat om wat je interessant vindt. Wat je oppikt. Sommigen gedichten zijn nog wel eens bij een paar woordjes begonnen. Een regel of een beeld. Het gebeurt ook wel dat ik na het lezen van poëzie die ik goed vind, ineens erg veel zin krijg om zelf te schrijven.


Welk gedicht uit de bundel 'Inzinkingen' vind je (vandaag) zelf het beste?
Nou, de cycli zijn me nog steeds dierbaar. Losse gedichten? "En niet verdwijnt", "Over de heuvel" en "Uithoek" ben ik nog steeds tevreden mee.


Deze rubriek heet o.a. 'Podium' omdat er nogal vaak aandacht wordt besteed aan 'podiumdichters'. Heb jij nog iets zinnigs te zeggen over de verhouding tussen dichters die op hun best zijn op een podium en dichters wiens werk je het beste kan lezen?
Nee, eigenlijk niet zo veel, merk ik. Poëzie en voordracht zijn met elkaar verbonden, dat zal altijd zo blijven. Er is op dit moment heel veel aandacht voor de voordracht, maar het lijkt er op dat iedereen uiteindelijk de publicatie toch belangrijker vindt.


Wie moet, naar jouw mening, volgende keer in deze rubriek centraal staan?
Thomas Möhlmann is een goed idee. Hij is onlangs gedebuteerd bij Prometheus met De vloeibare jongen, een goed debuut van iemand die ook al heel lang optreedt en publiceert in tijdschriften en bloemlezingen. Hij kan wellicht een interessanter antwoord geven op de vorige vraag, omdat hij veel vaker heeft voorgedragen dan ik.


Samenstelling: Rob de Vos

Zie ook de recensie van Inzinkingen door Milla van der Have.