Joost Baars
Joost Baars (1975) woont in Amsterdam, waar hij
programma's maakt bij literair theater Perdu, en recensies schrijft voor deRecensent.nl.
Hij publiceerde poëzie en artikelen in Krakatau, Nymph, Lava en Pampus.
tussen vertrek en aankomst
tussen vertrek en aankomst is alleen een lijn,
geen ruimte, en net daar
bevindt hij zich, de veerman,
midden tussen de oevers
denkt hij (en ik weet niet
of je wel eens een ongeluk hebt gehad,
aangereden of van een ladder gevallen of zo, maar het is verbazing-
wekkend hoeveel je kunt denken
in een fractie van een seconde) water, al
het water in de wereld, is een druppel,
één druppel, buiten
dan misschien de wolken, en her en der wat spetters
in de lucht (schepen, dolfijnen, spelende kinderen,
verdrinkende kinderen) of op een kade, maar in de hele wereld is geen kade
die dit water, dat ik elke dag zo routineus bedwing,
nu niet beroert
het was op zomaar een dinsdag
het was op zomaar een dinsdag dat het veer niet zijn gebruikelijke lijn van oever tot oever voer, maar
halverwege een draai maakte en langs het Noordzeekanaal open water bereikte, daar weldra aan de
horizon verdween.
het was op zomaar een dinsdag
zijn gebruikelijke
*
halverwege
een draai maakte
open water
*
de horizon
verdween
*
niet de gebruikelijke lijn
maar halverwege
*
het Noordzeekanaal
open water
de horizon
(wat een paniek moet er zijn uitgebroken op het schip, de passagiers die niet weten waar ze heen gaan,
geschreeuw, gejammer, de onverstoorbare vastberadenheid van de veerman... - JB)
de horizon
*
de angst
de
vastberadenheid
de horizon
marktblues
ik heb een blanco boodschappenlijstje
en overvloed
wat kook ik vanavond
de hemel sluit zich en het begint zachtjes
zachtjes gebeurtenissen te regenen
appels worden bevoeld, fietslichtjes bekeken,
prijzen in twijfel getrokken, schoenzolen slepen
over het nog natte asfalt, moeders sjokken met hun versleten
kinderen langs de patatkraam van meneer Donkers
een zwarte man met opgerolde broekspijpen
en tandeloos speelt mondharmonica
just strummin'
ik kan alleen maar struinen
naar het einde van de straat, ik weet niet waar
naar een avond met ik weet niet wie
langs kraampjes vol met dingen die zouden kunnen
zouden kunnen mislukken
in de haven, in een boot
zit een oude visser.
hij denkt aan jou.
hij heeft net in de krant gelezen
dat zijn subsidies worden stopgezet.
hij zit aan zijn tafel. stil. hij staart naar de muur
waar jouw gezicht in staat.
de kinderen die om de haven wonen
dromen van toekomsten en spelen ondertussen
verstoppertje tussen de masten.
ze zouden daar aan boord kunnen belanden,
de visser tegenkomen in zijn hut,
denken waar kijkt ie nou naar?
hij die die ochtend voor het eerst
weer voor je heeft gezongen. liedjes die alleen
van vroeger hadden kunnen zijn.
dat hij ze nog kende!
hij roert zijn koffie met een eigenaardig soort
geluk. zijn schip deint op de golven
in de haven. de netten hangen
op het dek te drogen in de zon.
Foto © Aimée Terburg
Joost, al in de vorige eeuw stonden enkele gedichten van jou in Meander.
Wat heb je sindsdien allemaal gedaan op het gebied van de poëzie?
Vooral heel veel rondgelummeld, vrees ik. Ik ben op een gegeven moment op een punt gekomen
waar mijn uitgangspunten en beweegredenen om poëzie te schrijven niet langer goed voor mij
en mijn gedichten waren. Ik moest mijzelf daarom opnieuw uitvinden en dat was een traag en
ongewis proces. Tel daarbij op dat ik zelf nogal traag van aard ben en gemakkelijk afgeleid,
en je zit zo op een stilte van een paar jaar. Natuurlijk, ik was redacteur van
Lava, heb hier
en daar wat essays geschreven en ben programmamaker bij Perdu geworden. Vooral dankzij die
laatste club, en de mensen die daar werken, gaat het met mijn poëzie ook weer de goede kant
uit. Als redacteur van Lava moet je voortdurend zoeken naar het goede in iets dat iemand
doet. Je moet daar bijna kameleontisch te werk gaan. Bij Perdu word je voortdurend gedwongen
om te definiëren waar je zelf voor staat, aan te geven wat je wilt dat poëzie doet en
betekent in de wereld.
Ik weet nu beter wat ik doe, wat ik wil, wat ik zoek in een gedicht. Ik ga nu veel kernachtiger
te werk, maar ik ben er niet heel erg anders door gaan schrijven, behalve dat alle neiging tot
navelstaren en zelfexpressie uit mijn werk is verdwenen. Ik vind mezelf niet meer zo
interessant. Maar dat heeft denk ik vooral te maken met volwassen worden.
Milla van der Have zegt in een recensie in Meander 283:
Poëzie met een boodschap is passé. Dat deden de
dominees in voorgaande eeuwen, maar sinds de
jaren vijftig van de vorige eeuw dient de poëzie,
zo lijkt het, alleen nog maar over zichzelf te
gaan of, desnoods, over taal in het algemeen. In
ieder geval dienen referenties naar het
(maatschappelijke) leven zoveel mogelijk uitgebannen te zijn.
Wat vind jij daarvan?
Langs deze tegenstelling loopt ook de huidige discussie die min of meer naar aanleiding van
een essay van Bas Belleman in Passionate wordt gevoerd. Belleman probeerde daarin ervoor
te pleiten dat er wat meer gekeken wordt naar waar gedichten over gaan, wat een dichter
wil zeggen. Helaas is dat opgevat als een pleidooi voor poëzie met een boodschap.
Aan beide kanten – die van de talige poëzie en die van de poëzie met een boodschap - wordt
eigenlijk hetzelfde gedaan: de taal wordt losgekoppeld van de inhoud. Dat is zoiets als kleur
loskoppelen van de inhoud van schilderkunst, of dialoog loskoppelen van de inhoud van toneel
en film. Ik begrijp daar helemaal niets van. We nemen de wereld waar door taal. Natuurlijk,
we nemen de wereld waar door onze ogen, handen, neus, oren, maar we kunnen de informatie die
we van deze zintuigen krijgen alleen duiden met taal. Wij mensen zijn in de unieke en wat
ongemakkelijke positie dat we aan onszelf kunnen denken. Aan een ik dat we kunnen
lokaliseren. Dat ik is niet direct aangesloten op onze zintuigen, de informatie
van de zintuigen wordt ingebed in het grotere geheel dat het ik is, gefilterd door een
systeem van duiding: de taal.
Bijvoorbeeld: als je het koud hebt, als je kou voelt, ligt het er aan hoe je die informatie
kadert binnen het geheel dat je ik is. Je kunt denken: "gisteren was het kouder", of:
"gelukkig heb ik een jas aan", of: "maar het is hartje zomer!", of je kunt
proberen het te negeren. Dezelfde kou wordt aldus minder koud, of kouder. We nemen de wereld
waar, maar die waarnemingen bereiken ons pas na een duiding, en die vindt plaats in taal. De
wereld zoals wij die kunnen kennen is dus van taal, ja, alleen maar van taal, taal staat
tussen ons en de "echte", onkenbare wereld in. Als je dan toch over die wereld
wilt schrijven, is de taal feitelijk alles dat je hebt, en als je over taal schrijft, dan
heb je het onherroepelijk over de wereld.
De beste bundel van 2005 vind ik
Niets van Mark Insingel. Een zeer talige bundel, als je het
spectrum tussen taal en wereld aanhoudt waar deze vraag van uit gaat. Maar de bundel gaat ook
over de liefde. En ook over de ruimte tussen het ik en het buiten, en tussen het ik en de ander,
wat de bundel weer snijdend actueel maakt. Aan de andere kant van het spectrum heb je
Leaves of
Grass van Walt Whitman, in 2005 in een prachtig vertaalproject in het Nederlands uitgekomen. Dat
werk staat bol van de referenties naar de maatschappij en naar de wereld. Whitman was naast
dichter ook politicus, en sommige stukken in
Leaves of Grass zijn niets anders dan politieke
redevoeringen. Die als poëzie opschrijven, gaat dat soms niet over taal?
Het vervelende van de huidige discussie is ook dat engagement alleen maatschappelijk engagement
kan zijn, maatschappelijk engagement alleen politiek engagement, en politiek engagement is
automatisch Dylanesk: let’s make this world a better place. Geen wonder dat de meeste mensen zo’n
vies gezicht trekken bij engagement.
In Perdu kreeg Marc Reugenbrink, redacteur van
Yang, ooit bij een paneldiscussie over literaire
tijdschriften de vraag of Rutger Kopland ook in zijn tijdschrift geplaatst zou kunnen worden. Tot
ieders verbazing zei Reugenbrink van wel. Maar Kopland is toch niet geëngageerd? Zijn antwoord
was dat Yang niet voor een manier van schrijven stond, maar voor een manier van lezen. Een
geëngageerde manier van lezen (Reugenbrink noemde dit trouwens een ideologische manier van lezen,
waarmee hij bijkans nog meer vieze gezichten scoorde). Je afvragen: wat betekent dit werk in de
wereld, in mijn wereld? Dat kan dus met Kopland en Van Ostaijen, met Insingel en Whitman,
zelfs met Driek van Wissen.
William Carlos Williams heeft iets heel moois gezegd over de verhouding tussen de taal en de
wereld. Hij zei: je maakt een gedicht met de taal zoals je die om je heen aantreft, herschikt
die tot een intense uitdrukking van je waarnemingen, op zoek naar een openbaring in de taal
die je gebruikt. Het gaat er daarbij niet om wat er in het gedicht wordt gezegd, het gaat erom
wat het gedicht doet, wat er in het gedicht plaatsvindt.
Zo omzeilt Williams heel elegant de vorm/inhoud-discussie. De dichter, zegt hij, kijkt om zich
heen en wat hij aantreft is zijn ruwe materiaal. Hij plukt stukjes wereld uit de wereld, en die
stukjes bestaan volgens Williams uit taal. De openbaring waar hij vervolgens naar op zoek gaat,
is de gebeurtenis dat er uit die eigen taal (lees: uit wat je weet over de wereld) iets voortkomt
dat de dichter nog niet wist, of beter nog, dat alles wat de dichter dacht te weten misschien
op losse schroeven zet.
Een zeer talige poëtica, zeker, maar daarom niet minder geëngageerd. Hoe dan? Op zoveel
manieren, maar laten we de inkopper eruit pikken. In deze tijd van fundamentalisme en
fundamentalistisch geweld hebben we behoefte aan Williams’ soort openbaringen van onzekerheid
en onwetendheid, aan een poëzie die rekenschap geeft van de volkomen individualiteit van
taal en die juist daarin op zoek gaat naar het ongekende.
Wie moet naar jouw mening volgende keer centraal staan in Podium?
Het liefst zou ik Rozalie Hirs nomineren, omdat ik denk dat zij één van de belangrijkste
vernieuwers van de komende jaren gaat worden, en omdat zij bewijst dat er met voordracht een
heleboel meer avontuur mogelijk is dan voordrachtsdichters willen doen geloven. Zij valt niet
binnen het concept van deze rubriek, en daarom kies ik voor Perdu-collega Kees van Houte. Zijn
werk is zo vreselijk anders dan het mijne en tóch voel ik me verwant met hem, misschien doordat
we erg goed zijn in het inhoudelijk bekritiseren van elkaar en misschien lukt dat ook juist wel
zo goed
omdat ons werk zo verschilt. Misschien is verwant niet het goede woord, maar moet ik
zeggen: inspirerend.
Zie ook:
www.joostbaars.nl