Kees, wie moet naar jouw mening volgende keer centraal staan in Podium?
Samuel Vriezen.
Waarom?
Samuel Vriezen is, als dichter, niet zo nauw te definiëren als precies dat: een dichter. Ik
zal proberen te duiden waarom het aspect van 'non-dichterschap' in het geval Vriezen een pre is.
Vriezen schrijft gedichten. In de eerste plaats, echter, componeert hij muziekstukken, voor
piano vooral, en ook, als ik het wel heb, voor kamerensembles (kleine groepen muzikanten).
De aard van zijn werk (in breedste zin) valt misschien te definiëren als 'de ruimte
onderzoekend'. De ruimte van het blad (partituur of pagina) vormt bij Vriezen op zeer
wezenlijke wijze het uitgangspunt voor het maken van een compositie, het schrijven van
een gedicht. De dichter Vriezen is in niet geringe mate onderhevig aan de kennis van
de praktijk van het componeren van muziek, en in het verlengde daarvan, het besef van
ruimte, uitgemeten in tijd, wat ik hier dan ook maar duid als 'door partituur geïnspireerde
foefjes'.
Een beetje lezer zal het idee hebben alle kanten van de komma, of de dubbele punt of de punt
komma, reeds te hebben ontdekt, en zal, vanuit die veronderstelling, bij het lezen van een
Vriezen, de wenkbrauwen doen wippen, en vervolgens vervaarlijk doen kantelen, in milde
verrassing, respectievelijk hartgrondige irritatie, bij het aanschouwen van kluwen komma's
op een wel zeer bepaalde plek in de tekst. Op die bepaalde plek, en misschien is dat inderdaad
aan de hand, worden woorden (primair: betekenis), aanwezig in het gedrang van al die komma's,
hoe zal ik het zeggen, wel, zeer onderhevig aan dat gedrang. De functie van de komma: het
inlassen van een korte pauze in de lezing, de functie zelf dus, wordt hier een bijzondere
betekenisgevende aanwezigheid in de tekst. Ja, krijgt betekenis in zichzelf, meer dan in
de zeer summiere overdrachtelijke zin van 'een ademhaling' tussen twee grootheden door.
(Ik wil overigens wel melden dat noch Vriezen, noch ikzelf per se een kommafetisjist is; het
bewuste leesteken heeft hier een louter illustrerende functie.)
Het visuele aspect van het minste leesteken is een factor die meetelt in Vriezen's
composities. Stijlmiddelen als herhaling en opsomming (lekker veel komma's in de opsomming) zijn
bij Vriezen van groot belang, maar altijd ten faveure van de bladspiegel. Je zou misschien
kunnen stellen dat Vriezen de ruimte onderzoekt, door alle componenten die de ruimte (kunnen)
vullen, zonder het minste vooroordeel, te onderwerpen aan een set oorspronkelijke
formules, die de mogelijkheid van die ruimte bepalen, en, laat ik zeggen, de voorwaarden
uitmaken voor het (in dit geval) gedicht.
Ritme, natuurlijk, is het aspect van het gedicht zelf, dat bij een delibererende aanpak
als die van Vriezen, van groot belang is. Gebruikte stijlmiddelen staan nu in extremis in het
teken van het ritme van de tekst. Ritme, op zijn beurt, is een belangrijke betekenisgever, is,
bij wijze van spreken, het groen (of rood of geel) getinte glas van de bril waardoor de wereld
wordt bezien.
In een gedicht van Vriezen is betekenis van individuele woorden, of woordclusters, enigszins
gelijkgeschakeld. Dat wil zeggen: het intentionele aspect van het gedicht ligt niet langer
besloten in zoiets als onset, body, coda, punchline of mystificatie, setting, drama en
resolutie, of zelfs zoiets als een intuïtief traceerbare eenheid in een amalgaam van
opeenvolgende beelden, dat leidt tot een, wel, modernistisch aandoend knik-en-plap stuk
waarin wellicht de onuitspreekbaarheid van de sacrale Idee in ondergebracht is
(als de geest in het graf met het lichaam van de overledene), met als gevolg, dus,
dat het distinctief (betekenisvolle) aspect van een woord (woordcluster) problematisch
wordt. (Alle meisjes bezien door rode glazen, hebben rode haren.)
Jaja...
Dat ik zaken verwar, staat buiten kijf. Dat ik tracht te duiden wat Vriezen's visie,
en dientengevolge zijn werkwijze, zo ongeveer behelst, het moge duidelijk zijn, heeft bij
mij de verveling uit de plaat (die spiegel die poëzie soms is gezegd te zijn, in diepste wezen)
gepoetst, heeft voor mij de poëzie weer op de kaart gezet als discipline van de kunsten die
als eerste sinds de uitvinding van de kleurentelevisie weer eens niet louter in beelden
spreekt, maar vanuit de heelheid van een concept een universum creëert waarin wetten
de dienst uitmaken, zoals natuurwetten de mens, het hoogste woord de rechtsgang, etc.
Om nog even te vervallen in beeldspraak: Vriezen's poëzie staat in het teken van een
onderzoek naar samenlevingsvormen, door simulaties die per pagina (per gedicht) de wetten krijgen
toegedicht volgens welke elk afzonderlijk atoom (van 'poes' tot 'vliegdekschip' tot ',') binnen
zijn grenzen, opereert.
Nou, ik ben benieuwd!
Wellicht dat Vriezen zelf de nodige correcties kan uitvoeren op het hierboven geschrevene, het in
zijn geheel kan verwerpen desnoods.
Samenstelling: Rob de Vos