Poëzie is een eiland waar ik mezelf kan zijn met mijn kwaliteiten en zwakheden
Yves Joris sprak met Bart Stouten
Toen ik enkele maanden geleden
Sven Cooremans interviewde voor Meander
vertelde hij me dat hij op een dag werd opgebeld door ene Bart Stouten die op Klara
'De tuin van Eden' presenteerde. Daarin wordt dagelijks aandacht besteed aan een (minder
bekend of beginnend) dichter.
Voor wie regelmatig op de Vlaamse klassieker zender
Klara (www.klara.be) afstemt, zal Bart Stouten zeker geen onbekende zijn. Dagelijks
presenteert hij tussen 18.00 en 20.00 uur 'De tuin van Eden'. Onlangs verscheen bij
Uitgeverij P zijn tweede dichtbundel. Een reden om eens met de dichter te praten over
Petrarca, Bach, poëzie en klassieke muziek.
Hoe voelt het om dagelijks met zoveel verschillende
gedichten in aanraking te komen?
Dat is een ongemeen boeiende ervaring. Alsof
je aan een orgel zit met 32 verschillende registers, en elke dag weer een nieuwe klankkleur
mag ontdekken. Er gebeurt iets heel merkwaardigs wanneer ik zo'n gedicht voor de radio
lees. Het voelt aan alsof ik op een collectief bewustzijn afstem -- soms 'begrijp'
ik het gedicht op een heel andere manier wanneer Vlaanderen meeluistert. Het is alsof
een ander dan mijn gewone bewustzijn ingeschakeld is, alsof ik een duik waag in de
diepte van betekenissen die we allemaal samen ontdekken.
Dat Bart Stouten een
veellezer is, valt dadelijk op als ik even rondkijk. Zijn bibliotheek is verdeeld
over meerdere muren van zijn huis in Wilrijk. Naslagwerken, literatuur en muziek:
de boeken van een gepassioneerd man.
De gedichten die we horen in uw radioprogramma,
is dat een persoonlijke voorkeur of moeten we er een rode draad in zoeken?
Persoonlijke
voorkeur speelt een rol, maar niet in de zin dat ik me zou afsluiten voor poëtica's
die me minder aanspreken. Wat je in poëzie ook doet - het 'ik' opzoeken of
ervoor vluchten, al dan niet poëticaal denken, enzovoort - ik wil ervaren
dat het gedicht eigen criteria aanreikt om me ervan te overtuigen dat het 'sluitend'
is, dat er geen woord teveel of te weinig staat, dat het beantwoordt aan een interne
dynamiek die de thema's naar de juiste taal stuurt, iets wat Tonnus Oosterhoff 'Zo
is het!' zou doen uitroepen. Mijn poëzie ligt in het natuurlijke verlengde
van het radioprogramma, het is dezelfde 'drive' die me bezighoudt. Tegelijk zijn het
twee gescheiden activiteiten: je zult me nooit een eigen gedicht horen lezen op de
radio. Ik wil niet beticht worden van belangenvermenging, no way.
We zitten momenteel
op tien kilometer van Antwerpen, boekenhoofdstad 2004. Bij een kopje koffie glijdt
ons gesprek vlotjes over op de hype om poëzie willens nillens bij de grote
massa op te dringen.
Antwerpen boekenstad, Literaal. Ik las onlangs in de Standaard
dat de stoepen momenteel (vaak letterlijk) geplaveid liggen met gedichten. Is dit
een goede zaak? Geloof je dat de gemiddelde bezoeker van de kust op zoek zal gaan
naar de verschillende tegels met daarop versregels van Pessoa?
Dat is een mooie
vraag. Zal ik eerlijk zijn? Nee, ik geloof niet in poëzie als toeristisch
bruikbaar pepmiddel voor de geest. Je ruikt andere belangen, vooral commerciële,
het gaat minder om Pessoa dan om de goede beurt die de kust wil maken, of wie dan
ook. Niemand hoeft mij te brainwashen met verzen, hoe indrukwekkend ze ook zijn. Maar
ik vind dit wel jansenistisch streng geredeneerd. Ik ben er immers ook van overtuigd
dat poëzie op de meest onverwachte momenten kan opduiken, je hoeft de verzen
maar te 'plukken': op de markt, in de tram, in het park - overal waar beelden tegen
elkaar aanschurken, overal waar onvermoede associaties wachten.
Zijn we niet ver
afgedwaald van Luceberts 'ik ben een god'? Moet poëzie wel van haar elitaire
trapje worden gehaald?
Nu zelfs Tony Blair ontdekt heeft dat het Britse Lagerhuis
geen fraai versierde bunker is, maar een open plek waar hij desnoods met protest in
de vorm van een condoom met purperen stof kan worden bekogeld, is het niet zo verwonderlijk
dat poëzie wordt opengesteld voor bezoekers uit alle rangen van de maatschappij.
De betere poëzie zal die bredere toegang verdragen. Het toneel van Shakespeare
is op vele niveaus genietbaar; het bevat de meest verheven gedachten terwijl het ook
minder ingewijde lezers kan entertainen.
Bart vraagt me of ik zijn eerste bundel
Sapporo Blues gelezen heb. Ik moet hem echter teleurstellen. Uit een van de vele
stapels boeken die rond zijn pc zwerven, diept hij een exemplaar op en overhandigt
het me. Een voordeel voor recensenten: ze kopen zelden boeken.
Sapporo Blues blijkt
helemaal anders van opzet, een tombeau voor een Japanse vriend. De mooie inkttekeningen
van Rainier Boidn maken het geheel tot een mooie hulde.De wijsheid van de wind is
je tweede bundel. Sapporo blues werd goed onthaald', lees ik op de bijgaande persmededeling,
maar toch is er in de pers niet zoveel verschenen over deze nieuwe bundel. Wordt poëzie
nog steeds stiefmoederlijk behandeld?
Jammer genoeg in Vlaanderen wel. Ik kan maar
niet begrijpen dat een tijdschrift als de Poëziekrant steeds dezelfde grote
namen bejubelt -- en zo weinig kritische reflectie opneemt over nieuw experiment.
Alsof de toekomst van de poëzie bezegeld is door het lot van steeds dezelfde
gevestigde namen te volgen. Sommigen gewagen van een poëziepolitie; zo ver
zou ik niet willen gaan, maar ik stel vast dat de poëziekritiek het alleenrecht
is van een paar vaandelzwaaiers. Ita est.
Een snelle blik op je nieuwe bundel
doet mij het ergste vermoeden. Het angstzweet breekt me uit als ik terugdenk aan de
lange doorlopende verzen van de Aeneis en Ilias. Poëzie is voor jou duidelijk
geen nachtkastlectuur, maar een wegenkaart. Iedere lezer kan zelf de weg kiezen die
hij wil volgen.
Is dit voor jou poëzie pur sang, of zal er ooit nog een
Bart Stouten verschijnen met haiku's en sonnetten?
Ik kwam onlangs in contact met
werk van de Amerikaans dichterTyrone Williams: Cold Calls, die zijn poëzie
letterlijk als voetnoten bij een lege bladzijde opvatte. Prachtig. Ooit hoop ik zo'n
heel kleine, heel dunne bundel te publiceren om afstand te doen van het idee dat ik
alleen grote vormen en lange verzen schrijf. Voor elke vorm leent zich een ervaring,
elke vorm vindt een bepaalde fase in je loopbaan. De tijd van de korte gedichten komt
nog wel.
Je bundel is een partituur met woorden. Preludium, fuga en postludium.
Zijn muziek en literatuur broer en zus, of eerder neef en nicht?
Muziek is de superieure
kunst. Poëzie is muziek in taal. De vorm 'preludium' verwijst naar het voorspel
in de liefde. In de fuga worden de stemmen en thema's van de liefde gesynthetiseerd.
De liefde die aan haar aardse beperkingen is ontstegen, bedoel ik dan, de spirituele
liefde.
Fuga is een meerstemmig muziekstuk met veelvuldige herhaling van het hoofdthema.
Nomen est omen. Je bundel is zeker een veelvoud van thema's die steeds weer herhaald
worden: Bach – Petrarca – Mohammed - ... Verwacht je van je lezers niet teveel voorkennis?
Ik
hoop dat er voor mijn lezers iets te ontdekken blijft. Elke lectuur is een andere
hefboom. Wie goed leest, merkt dat ik parallellen uitwerk tussen god (Allah), god
de 'vader', Bach als de 'vader van de muziek' en mijn eigen beminde (veel te jong
overleden) vader. Zoals Petrarca Laura als een jong meisje van vlees en bloed beschrijft,
maar ook als een Engel van de Liefde, zo verwoordt Mohammed in de koran (in sublieme
poëzie, want hij was niet alleen profeet maar vooral ook dichter) God als
een mooie jongeling. Petrarca en Bach scharnieren tussen een 'stile antico' en 'stile
nuevo'. Al die elementen kan ik je zo in een paar zinnen aanreiken, maar de kracht
van de poëzie is juist dat ze die links sotto voce hanteert om een eigen
ervaring te raken, bij de dichter en in de lezer . Gedetailleerde kennis is daarbij
minder noodzakelijk dan inspirerend.
In duisternis gehuld, achter ruitenwissers:
Het
jaar dat achter je ligt.
Opgebroken weg in de achteruitkijkspiegel
Waar je jezelf
narcistisch begluurt,
Veilig weerkaatst in een verloren moment
Van aanschuiven in
de file.
Een file van nauwelijks nog te overziene jaren,
Gevangen in rook en neon,
luidsprekers
die je bestoken met het lyrisch geweld
van een jukebox.
Een zware opening van een bundel. Je zou hier een dichter verwachten
op het einde van zijn leven die alles nog eens overschouwt. Een mens die alleen zichzelf
nodig heeft, maar beseft dat hij verdoemd is. Je koppelt dit aan het moderne gegevens
van de stilstaande mobiele mens. Is de file een moment van ergernis of reflexie?
Beide.
Leven doe je in dat moment van stilstand, wanneer de ervaring 'aan het spreken' gaat.
De file (van de jaren) is natuurlijk pure ergernis in de zin dat de tijd ondertussen
onherroepelijk verloren gaat, maar naarmate het gewicht van de tijd toeneemt, groeit
ook je persoonlijkheid; de tijd laat je toe positief te evolueren, idealiter in de
richting van een sluitend gedicht.
Een regendruppel die je ziel weerspiegelt.
Kristallen
in vaders wereldrijk.
Onnavolgbaar meerdimensionale polyfonie.
De donkere kamer
die verscheen
In de spiegel van Arnolfini.
Er is veel te doen
geweest over dit schilderij. De spiegel die de ruggen van Arnolfini en zijn echtgenote
weerkaatst, toont een onbekende derde man in de kamer. Is het de schilder? Of is het
de dichter? Ben jij de mysterieuze man op het schilderij van Van Eyck? Is dit jouw
manier om binnen te dringen in het verleden?
Prachtig dat je dat gezien hebt.
Ik ben de dichter-schilder in de spiegel die niet anders kan zichzelf verraden, ook
al lijkt het objectief de kamer uit te beelden. Soms lijkt het of Van Eyck dat schilderij
juist legitimeert door de noodzaak van het eigen ik, de derde man in de spiegel. Maar
je mag van mij niet verwachten dat ik alle verzen 'uitleg' -- daarmee praat ik ze
stuk.
Angst, woede, gecodeerd in heilige getallen.
De essentie ervan, zonder
alle bijkomstigheden.
Bach wil dat zijn muziek op een bepaalde manier
begrepen
wordt. Elke partituurbladzijde
is een Mann ohne Eigenschaften.
Bach, de Kabbala, Musil: vijf regels en daarin literatuur, mystiek en muziek.
Maak je het de lezer opzettelijk moeilijk, of ben je gewoon een erudiet man?
Ik
verleen de uitspraak van Musil inderdaad haar mystieke kracht. Die zit direct in de
muziek van Bach. Veel van de dingen die met het label 'erudiet' worden aangeduid,
neigen naar volledige transparantie als je ze zorgvuldig leest, als je traag op zoek
gaat naar de verbanden. Ik zeg vaak dat mijn poëzie bedoeld is om 's nachts
te worden gelezen, elke dag een vers of drie-vier, in de hoop dat een nieuw betekenisverband
je naar de slaap zal loodsen.
Bach speelt een grote rol in je werk. Bach als
vader van de muziek wil de liefde voor God muzikaal beschrijven. Zit er voor de dichter
een diepere betekenis achter?
Toch wel, in zoverre dat vader ook letterlijk op
mijn eigen overleden vader slaat, of beter gezegd: op mijn hardnekkige liefde voor
hem, liefde die stand houdt door de jaren en in deze poëzie de gedaante krijgt
van ragfijne muziek. Dat is goddelijke muziek, in de zin waarin je het predikaat goddelijk
ook van toepassing kan brengen op de muziek van Bach.
Het nadeel van je bundel
is dat je er moeilijk een strofe kunt uitlichten. Je schrijft doorlopende teksten.
Waaiert uit om steeds via een andere weg terug te komen. Je ontloopt de file voor
Bologna, mijmert er over Petrarca en de koran, gaat verder naar Syrië. Heb
je geen schrik dat de lezer de weg kwijt zal raken? Hoe moet iemand aan dergelijk
werk beginnen? Vrees je niet dat de lezer er minder gaat uithalen dan wat de schrijver
er wilde inleggen?
Nee. De dwaling, de queeste, de moeizame zoektocht, maakt
een essentieel onderdeel uit van de poëtische ervaring. Het idee dat de sleutels
op de meest onverwachte plekken wachten. De beste lectuur die ik kan aanbevelen is:
hier en daar enkele verzen, heel aandachtig; nadien het gedicht in één
ruk doorlezen, zonder je te laten afschrikken door de onbegrepen gebleven elementen,
zoals wanneer je naar een muziekstuk luistert. Daarna nog eens zorgvuldig inzoomen
op een paar losse verzen. Je zult zien: uiteindelijk ga je steeds op een andere manier
genieten, net zoals ik toen ik het gedicht componeerde.
Is dichten wrochten of
heb je een pen die zelden stopt met schrijven? Joyce had een vruchtbare dag als hij
een zin had geschreven. Neruda's pen lekte verzen. In wie kun je je het best terugvinden?
Ik schrijf dag en nacht, echt oneindig veel, maar schrappen is de boodschap
voor me. Tijdens het schrijven doet zich een hoogst merkwaardig proces voor: het gedicht
komt geleidelijk naar me toe. Het gedicht 'vindt' me. Het kan lang duren, ik heb geen
enkele controle over de duur van dat proces. Soms duurt het jaren, soms maar een paar
weken.
Momenteel woedt er een strijd (och ja, een beetje stof dat opwaait wordt
al snel een literaire oorlog genoemd) tussen de Nederlandse dichter Pfeijffer en zo
wat de rest van de literaire wereld. Hij haalt heilige huisjes neer en noemt Kopland
een mindere dichter. Er wordt weinig weerwerk geboden. Is poëzie volgens
u gebaat met een beetje polemiek?
Natuurlijk. Hoe meer polemiek hoe liever. Omdat
uit al die polemiek weer nieuwe opvattingen, nieuwe poëtica's kunnen opstaan,
en daar vaart de poëzie wel bij. Louter cerebrale of aartsmoeilijke poëzie
kan mij irriteren, maar ik neem geen genoegen met die irritatie -- ik vind het bevrijdend
om te ontdekken waarom ik reageer zoals ik reageer. Toen ik Pfeijffer zijn eigen verzen
zag performen in Antwerpen, veranderde mijn mening over hem in positieve zin. Ik vind
dat de discussie over open en gesloten poëzie (enz.) altijd terug te voeren
is tot de vraag wat je tot uitdrukking brengt. Is het iets dat je vooraf al weet en
alleen nog in geschikte woorden moet vertalen? Dan bedank ik voor die verzen. Is het
iets dat aan het begin staat van een onderzoek, een experiment (namelijk het gedicht
dat volgt, en dat de kracht heeft om de maker te veranderen, een gedicht dat ingrijpt,
dat zijn eigen wetten stelt, zijn eigen gangen gaat enz.) dan wil ik ervoor tekenen.
Soms is het experiment muzikaal, of poëticaal, soms moet je pijnlijke risico's
nemen -- alles is het overwegen waard, behalve de machinale expressie van iets dat
al helemaal gekend en gevoeld is.
De koffie is op. De klok meldt ons dat we twee
uur over poëzie hebben gepraat. Bart moet naar Brussel om zijn volgende 'Tuin
van Eden' voor te bereiden. Ook ik moet naar Brussel. Zelfde stad, ander werk. Er
resten me nog slechts twee vragen. Welke dichters zijn je voorbeeld?
Blaise Cendrars,
de poètes maudits, T. S. Eliot, Ezra Pound, Stefaan van den Bremt, Lucienne
Stassaert, Stefan Hertmans, Emily Dickinson en Sylvia Plath.
Met welke dichter
word je liever niet vergeleken?
No comment.
De wijsheid van de wind van
Bart Stouten verscheen in het voorjaar van 2004 bij
Uitgeverij P