'Terugkeerbundels' van twee wijze mannen
Chris Coolsma bespreekt Stillerlewe van Pirow Bekker en Afstande van Lucas Malan
Waar zal het heengaan met de poëzie in het Afrikaans? Volgens Henning Pieterse, Zuid-Afrikaanse schrijver van heftig proza en gepassioneerde poëzie, is er sprake van een opleving. 'Of dit net 'n kortstondige oplewing is, durend sal wees of (volgens sommigen) die laaste stuiptrekkings is van 'n tradisie, sal net die tyd leer'. Voor dit laatste lijkt te pleiten, dat er niet zo veel in het oog springende debutanten zijn. Pieterse signaleert heel wat 'terugkeer'-bundels. (Zie voor zijn beknopte, maar zeer informatieve overzicht:
www.boekwurm.co.za/blad_nuus/nuus_argief_2003/2003_17.html#lewe)
Dit keer liggen er twee van zulke bundels voor mij. Zowel Bekker (1935) als Malan (1946) publiceerde vele bundels en ze zijn dan ook in de grote overzichtswerken te vinden. Gelouterde dichters dus. In de voorliggende bundels overheerst de terugblik, de herinnering, de overpeinzing en het besef van voorbijgaan en verval.
Ze zijn hier samengenomen vanwege hun overeenkomst. Het gaat om oudere mannen die gaan ontdekken 'dat je boven je vijftigste van vele zaken afstand moet doen, dat je afstand moet nemen en je je ook veel meer van die afstand bewust wordt.' (Malan bij de presentatie van zijn bundel in Stellenbosch). Het leven wordt stiller, je gaat stiller leven en het leven dat achter je ligt bevriest tot een stilleven. De titels van de bundels hadden niet toepasselijker kunnen zijn.
Het openingsgedicht van Malan zet de toon voor het grootste deel van zijn bundel. Bert Haanstra, een van de grote Nederlandse cineasten van de 20e eeuw, besloot ooit zijn documentaire over Rembrandt met een reeks in elkaar overvloeiende zelfportretten van de schilder waarop je niet alleen de lichamelijke veroudering, maar ook het lijden aan het bewustzijn van de veroudering ziet. De ogen van Rembrandt gaan anders kijken. Ze nemen afstand, tonen verdriet en wijsheid. Dat heeft Malan herkend en zo schetst hij zijn zelfportret door de zelfportretten van Rembrandt te beschrijven.
Selfportret
Rembrandt van Rijn het hierdie genre vervolmaak.
Hy van die Jodenbreestraat wat só vaardig, keer
op keer vleiende portrette van die rykes kon maak,
het tegelyk sy slag daarmee op homself gekeer.
Soveel keer so het hy dit weergegee: die trotse figuur
van 'n jonkheer wat swierig geklee staan en pronk:
sy mooi gelaat hooghartig voor dié wat hom begluur
in sy glansende verfgewaad. Skilderagtig jonk.
Vat nou enige van daardie veeltal as eksemplaar
en gaan kyk hoe dit met die laaste twee vergelyk:
Dié gee ons 'n droewe ou man wat na aan trane lyk.
Daar is niks. Net verdigte verdriet wat na buite staar.
Kyk nou die eie albums deur. Let op die gesig, die lyf.
Hoe meesterlik word jý in die Rembrandt-styl herskryf.
Malan treft me met 'schilderachtig jong', 'verdicht verdriet dat naar buiten staart' en met de omkering aan het eind, waar hij opmerkt dat het leven onze veroudering meesterlijk in Rembrandt-stijl herschrijft.
Bekker schrijft ook een zelfportret, waarin hij, spottend met zijn afkomst, vraagt om met de computer zijn gezicht aan zijn wensen aan te passen:
Maak my bolip 'n snapsie stywer
die onderlip ietwat verwen
(my herkoms is van 'n goeie stand)
die hele mond 'n bietjie wyer
(gulheid is nie aangeplak)
die neus verkies ek iets gevleuel
die ken gekuil, maar ferm
[...]
lig die haarlyn bo 'n rapsie meer,
benadruk ronding, lê voorkop bloot
('n hoë is 'n teken van verbeelding, vergelyk
jou Leonardo's, Sigmunds, Shakespeares,
jou Beet- en Langenhovens, Einsteins, Darwins –
dit onderskei mens van dier,
dit breng die gansveer en die haelgeweer
tesaam die gedrang in.)
(snapsie, rapsie is 'n beetje; hoë is hoog; een hoog voorhoofd onderscheidt ons van de dieren, het bracht ons de zegeningen van de ganzeveer en het hagelgeweer, zegt Bekker ironisch.)
Het stijlverschil is interessant. Bekker is in het leven veel ouder, maar Malan komt in zijn gedichten over als de oudere van de twee. Bekker is speelser, snaakser, zelfs in het aangezicht van de dood. Zijn gedichten kunnen zo op muziek gezet worden. Blues, voornamelijk. Dat zien we ook in de precieze beschrijving door beide dichters van de ellende van het bejaardenhuis:
Huis Herfsblaar (Malan)
Hier waar jy oplaas jou laaste dae sal slyt,
word jy lyflik geskraag, bedagsaam verplaas
van laas nag se lêplek waar jy die bed beskyt
en bevlek het, oorgedra sitkamer toe, waar 'n TV
raas en jy saam met die trop kan sit om te dut.
[...]
Hier word die stadsgedruis, kamerade van 'n beroep
diskreet van jou weggehou; moet jy gedienstig wag
op ontbyt en die nurse wat jou vir slapies kom roep.
Die son lê aan op 'n knol. 'n Trollie rol verby. Die lig
val skrams op 'n boek. Jy eien dit, en die rook
van 'n droom slaan óp voor jou; 'n geliefde naam
klop aan. Laat die dag loop júlle weer saam.
(oplaas = op het laatst; lêplek = ligplek; trop = groep, troep; hy's dors = hij heeft dorst; skrams = schuin; jy eien dit = je pakt het, maakt het je eigen. )
Mooi is de a-klank die het gedicht samenhoudt, het is een sfeertekening, tragi-komisch, waarbij slechts ongemakkelijk gelachen kan worden.
Ouman in tehuis (Bekker)
Niemand smeer vir jou jou brood nie
jou servet kan jy self hou.
Suster sê 'n man het nie 'n skoot nie
behalwe vir 'n jonger vrou.
Niemand vat 'n lepel uit jou hand nie,
geel iewer die soutpot aan.
Niemand sorg dat jou mond nie brand nie,
jy laat self jou asem gaan.
Geen hulp soek jy van watter aard nie,
daarby sal jy staan of val.
Niemand sterf vir jou jou dood nie,
jy's ene skuldig, en dis al.
Ook hier een moderner en speelser, ritmischer, maar ook scherper en ironischer beschouwer. Hij is dichter bij de dood.
De natuur is voor beiden belangrijk. In Zuid-Afrikaanse gedichten speelt die over het algemeen al een veel centralere rol dan in Nederlandse. Bekker betrekt zijn tuin en de omringende monumentale natuur bij zijn beschouwing van zijn laatste jaren. Hij rouwt, neemt spottend afscheid, de pijn straalt door het genieten heen, maar toch blijft het lichtvoetig:
Op pad na die paradijs
Luister, jy tuin voor my deur,
van jou duld ek geen onkruidsighede meer nie,
jy wat so voorwaarts was, so bars,
met die tuite van jou morning glories na die son;
jou flambojante hanekam
het vrat en vratterig gewird
harpuis, laventelblaar te dronk
jou bossietee te flou, te bitter die kankerbos –
hier gooi ek die gieter op die grond
Mij treffen de gedichten over de tuin van Bekker meer dan Malans beschouwingen van vruchten, planten en vogeltjes. Veel inzicht is echter wel te vinden in de gedichten waarin Malans besef van de dood doorklinkt, of jeugdherinneringen opgloeien. Hij kijkt in de spiegel en ziet een 'genenpoel':
Genepoel
Die tyd boetseer genadeloos. Jy lyk al hoe meer
op die verwerde oumas en ooms in jou voorgeslag
dié wat so ingenome met sigself op foto's pronk en lag
asof die jeug se swier ook 'n genesmet sou besweer.
Smôrs in die spieël: ouma Bekkie se ingestukte mond
aan 't koggel, fluks ondersteun deur 'n stewige kuit
keelspek van ouma Heilie se kant. Jy betrag en besluit;
Weinig te doen aan só 'n gemene verbond.
Gestroop sluip jy die storthok in: huitjie en muitjie
fris eksemplaar van 'n string voorsaat-verbasterings:
van die skewe gebit, platvoet en die swak rugstring,
kompleet tot by oupa Fanie se gekoesterde buikie.
Inbors is glo eie maaksel. Die lyf moet jy net verduur.
Langdurend, en slu is die erflas van Homo karikatuur.
(verwerde – verweerde; smôrs = 's morgens; koggel = gezichten trekkend; gestroop = ontkleed; storthok = douchehok; huitjie en muitjie = onvertaalbaar; slu = sluw)
Weer wordt er zuurzoet gelachen.
Er gebeurde iets merkwaardigs met me tijdens het lezen van deze poëzie. Aanvankelijk vond ik Malan's gedichten toegankelijker en ambachtelijk gezien van hoger niveau. Maar na intensievere beschouwing staat Bekker dichterbij, ontroert meer, is zeker ambachtsman van gelijk niveau. Daarom besluit ik met een afscheidsgedicht uit zijn afscheidsbundel, dat tegelijk een liefdesverklaring is.
Groet
Ek weet, ek weet, ek weet
aanstons is dit sulke tyd,
aanstons is dit aanstoot, groet,
ek, 'n ou hand, soos hul sê,
word vir hoër diens opgeroep.
Maar hier is dit die ene afskeid:
hier moet gelos word, daar gevat –
die toekoms met vertroue tegemoet,
voorwaarts, sonder om te kyk.
Hierdie ou hond is heel bereid
om nuwe dinge by te leer:
hy sal sy eie definisies vind.
Maar jy, wanneer jy kom,
bring met jou saam jou lyf,
ek wil geen ander hê. Ek maak
van hierdie afskeid glad geen grotigheid.
Pirow Bekker – Stillerlewe
Protea Boekhuis, Pretoria 2002
116 blz.; ZAR 89,95 (€ 9,95)
ISBN 1-919825-96-7
Lucas Malan - Afstande
Protea Boekhuis, Pretoria 2002
52 blz.; ZAR 79,95 (€ 8,85)
ISBN 1-919825-97-5
Te bestellen via
proteaboek@mweb.co.za. Er komen dan verzendkosten bij.