Bärbel Geijsen - Zoute veren
Eeuwig heen en weer
door Jan Pollet

Ze publiceerde ooit één gedicht in Raster. Nu, na zeven jaar stilte, maakt freelance journaliste Bärbel Geijsen (1968) definitief haar entree in de wereld van de poëzie met de opmerkelijke bundel Zoute veren.
Ongewild moet je aan vogels denken: iets teers, zachts, lichts dat zich met gemak aan de zwaartekracht onttrekt. Toch zal je tevergeefs naar deze luchtige, sierlijke associaties zoeken in het debuut van Geijsen. Van bevlogenheid of zwierig, dichterlijk elan is in Zoute veren namelijk geen sprake. Zowel vorm als inhoud getuigen van een nuchtere, aardse blik, van een hart dat geen dromen of illusies (meer) koestert.
Het leven wordt gezien als '(...)een spiegelbeeldig/ einde waarin zich slechts begin/ herhaalt.(...)' (uit 'Klaar voor morgen'). De 'veren' uit de titel zetten ons dus, bewust of onbewust, op het verkeerde been. Maar als het geen veren van vogels zijn, over welke veren heeft de dichteres het dan?
Uit het titelgedicht, waarmee de bundel opent, blijkt dat het gaat over veerboten die op zout water varen:

Zoute veren

Ik heb al kramp van de kantlijn klamp
me vast aan de nautische module zoute veren
niet gezocht om de vondst maar ambtelijk
serieus ontwikkeld.
(…)

Meer bepaald gaat het hier om de veerboten die heen en weer pendel(d)en tussen Vlissingen en Breskens over de Westerschelde. Tijdens een interview op de VPRO-radio (De Avonden, 11 september 2007, Bärbel Geijsen in gesprek met Erik Jan Harmens en Wim Brands) vertelde Bärbel Geijsen dat haar verre roots in Zeeland liggen en dat dat ook de plek is waar ze steeds hopeloos naar terugverlangt:

(…)
nooit verkropt
dat anderen er zomaar hoorden
en jij alleen het navertellen had.

(uit: 'Onwillige herinnering')

Ze kan er alleen over vertellen, ze heeft Zeeland nooit echt beleefd en de kans dat ze ooit in Zeeland wortel zal schieten is zo goed als nihil.
Het is meteen het kernthema van Zoute veren: al wil hij het nog zo graag, de mens zal nooit een vaste plek vinden op deze wereld. Wij zijn veroordeeld om eeuwig op weg te zijn, sterker nog, we moeten ook eeuwig dezelfde terugweg bevaren. Aan het eind van ons levenspad wacht ons geen verlossende ontknoping maar slechts een spiegel die ons terugkatapulteert naar het begin.
De veerboot die eeuwig heen en weer schippert tussen twee oevers vat de existentiële teneur van de meeste gedichten goed samen. De mens kent zichzelf niet, vindt nooit zijn plaats in de wereld en is teruggeworpen op zichzelf en zijn existentiële eenzaamheid. Verwante thema's als 'twijfel' en 'aarzeling' komen al in de eerste regel van de bundel ter sprake: 'Ik heb al kramp van de kantlijn', en worden in het laatste gedicht als een soort levensmotto bevestigd: 'het is het beste/ steeds naar binnen te keren'. De hoop om ooit aan wal te komen wordt nergens uitgesproken. De dichteres lijkt zich neer te leggen bij dit eeuwig pendelende bestaan.
In het gedicht 'Redding' gaat ze zelfs voluit bitter en sarcastisch te keer:

We dunnen langzaam uit
en gehuld in wijde waarden
weten we niet hoe we ons verder
dan ooit van vervolmaking af helpen.
Maar wat geeft het bij de mens
is het einde immers op handen
en voeten nog haalbaar.

Bärbel Geijsen schetst hier een beeld van de menselijke soort die op handen en voeten opnieuw in de 'voet'sporen van de Neanderthaler treedt. Alsof evolutie en ontwikkeling lege begrippen zijn zonder reden van bestaan. In dit heen en weer tikkende leven moet het individu niet rekenen op enig houvast. Hij blijft de buitenstaander die er niet bijhoort, het leven niet echt beleeft. We bevinden ons in een leegte die kant noch wal raakt: 'Wij zijn tenslotte niet van hier', klinkt het beslist in 'Venta Santa Barbara', een sleutelgedicht met een onrustwekkend berustende aanhef:

Wij zijn niet ongehoord voorbij
gegaan, zo stellen we ons voor,
maar lopen desondanks zoals bedacht
het uitgestippeld pad.
(…)

Eén van de laatste gedichten, 'Behalve ik', beschrijft de schampere confrontatie van de dichteres met het eigen graf: 'Het gaapt me aan, het gat/ vol ongeloof.' Ze ziet hoe zes handjes de 'valkuil' graven en beeldt zich de gesprekken in die rond haar graf gevoerd worden. Maar ook het sterven blijkt, net als het leven, iets te zijn dat niet echt beleefd kan worden.
'Hoor, ze roepen me geloof ik al', zegt ze als haar lichaam naar beneden gelaten wordt. De kuil gaat dicht en dan lijkt het alsof de kanten oevers zijn die naar elkaar toe brokkelen; alsof de zee wordt dichtgegooid en de veerboot geen betekenis meer heeft:

(…)
De kanten brokkelen
net zo lang tot alles er als altijd inpast.
Behalve ik dus en de drie paar schoenen
zonder welke ze vast reddeloos
verloren zijn.

Het consistent volhouden van het thema, de heldere parlandostijl en de onthutsende leegte die de lezer aanstaart bij het laatste gedicht maken Zoute veren tot een sterk gecomponeerde bundel met een repetitieve inslag.
Soms zijn de woordspelingen en vormspelletjes wel eens van het goede teveel. Bärbel Geijsen heeft de neiging om in de val van 'het systeempje' te trappen en systeempjes – dat weet elke poëzielezer – hebben een verstikkend effect op een gedicht. Daarin had de dichteres wat strenger mogen snoeien, zoals ze naar eigen zeggen al gedaan had:

Strik

Een strik van eindeloos langdradige
gedachten woekert om de voorrang.
Alleen de best bewaarde
woorden wacht een mooi
moment voor het oprapen.
Maar tijd raakt op en uitgelekte schatten moeten
zomaar weggegeven. Droogopslag. Geslachtofferd.

Bärbel Geijsen - Zoute veren
De Bezige Bij, 2007; 48 blz.; € 15
ISBN13 978 90 234 25403; ISBN10 90 234 25405

Jan Pollet


Gepubliceerd in Meander, http://meandermagazine.net, op 23 januari 2008.
Deze tekst is te vinden op het adres: http://meandermagazine.net/t.php?txt=3750.
Overname van teksten is alleen toegestaan met toestemming van de auteur: Jan Pollet.