De feeks
Jennifer Vrielinck

Voor het haardvuur zitten ze, de warme mensen.
Ze hebben een hart dat leeft voor anderen.
Warme mensen, warm bloed.
Vleselijke kachels.
De warme handen om de koude handen.
De warme arm om de verkleumde schouder.
Het warme lichaam dat zich om je vlecht.
Het warme oor dat luistert naar jouw stil gefluister.
De warme mond die viooltjes in je oren zucht.
Warme mensen hebben het snel koud.

Zij heeft het snel koud.

Het vuur danst een sarabande. Soleares. De zevensluierdans. Grijze, witte, zwarte sluiers evaporeren. Hitsige bewegingen. Agitanado. Afnemend wuivend. Dan gaat het liggen. Hoofd en schouders voorovergebogen in spagaat. Daarna richt het zich langzaam weer op. Sierlijk met de lange armen en vingers wuivend. Alegrías. Een been strekt zich, demi-plié, richt zich op en buigt nogmaals. Het andere been herhaalt. Het hele lichaam richt zich op, strekt zich, élevé. Wuift heen en weer. Op de toppen van de tenen, armen hoog.
Volledig uitgestrekt. Trage pirouette. Accéléré. Iets sneller. Nog sneller. En dan weer trager. Een arabesque allongée. Voorovergebogen, het ene been achterwaarts tot het loodrecht omhoog staat, de armen houden het andere been omstrengeld en dan zakt het in elkaar. Nahijgend.

Ze neemt een houtblok uit de mand. Draait het blok om en om in haar handen. Het is zwaar en hard. Zwaar en hard als hout. Niet zwaar en hard als steen. Zwaar en hard als het hoofd van de filosoof. Ruw, ongepolierd, maar vol en eerlijk tot in het hart.
Ze opent het mica haardhekje. Het opent naar binnen. Niet naar buiten.

Het vuur nabibberend en zwak. Het lijkt ver. Ze buigt zich om het vuur te voederen met het zware houten hoofd. De haard lijkt dieper te worden. Het vuur lijkt verder te liggen. Ze buigt zich voorover, diep in de haard. Het vuur lijkt nog verder.

Zijn stem, zoet, zacht, gevend. De stemmen van zijn leerlingen, ongeduldig en hongerig eromheen cirkelend. De stemmen vervagen. Ze strekt haar lichaam languit op de haardbodem. Nog steeds kan ze met het blok het vuur niet raken. Op haar ellebogen kruipt ze dichter naar het vuur, het houtblok tegen haar borst geklemd.
Het bevende zwakke leven kust het droge hout. Likt het. Lange tongstrelingen. Het hout warmt, ontvlamt, heviger dan hout kan ontvlammen. Ze kronkelt om uit de haard te kruipen. De hitte is te hevig. Zuurstof. Ze kan niet draaien, moet achteruit kruipen uit de nauwe haard. Ze gloeit, zweet. Haar hart jaagt. In haar haast schopt ze met haar voet tegen het haardhekje. Het slaat dicht, valt in slot.

Ze schreeuwt. Geen woorden. Geen letters. Geen klank. Geen zuurstof. Ze hoort zichzelf niet. Ze hoort alleen zijn stem, ver weg, zoet, zacht, gevend. En de stemmen van zijn leerlingen, ongeduldig en hongerig. De stemmen vervagen.
Een vinger streelt haar droge lippen, de binnenkant van haar mond en dringt door, diep in haar luchtpijp.

Ze heeft het koud.

Ze ligt klam en koud en alleen tussen afgekoelde lakens.

Zijn stem, zoet, zacht, gevend. De stemmen van zijn leerlingen, ongeduldig en hongerig eromheen cirkelend.

Gepubliceerd in Meander, http://meandermagazine.net, op april 2002.
Deze tekst is te vinden op het adres: http://meandermagazine.net/t.php?txt=626.
Overname van teksten is alleen toegestaan met toestemming van de auteur: Jennifer Vrielinck.