Recensie van Deze poelen, deze geest - Lloyd Haft

Dichten is geen dood maken

Lloyd Haft
Deze poelen, deze geest
Uitgever: Querido ,Querido ,Querido ,Querido ,Querido
2008
ISBN 9789021434568
€ 16,95
88 blz.
Lloyd Haft laat in Deze poelen, deze geest vijf gedichten titelloos (de ‘brieven’ aan Gerrit Kouwenaar en de evangelist Johannes), maar de overige 34 gedichten dragen dermate lange titels dat de inhoudsopgave liefst vijf bladzijden beslaat. Dat krijg je met titels als ‘Als ik thuis in Oegstgeest tegen de avond een merel hoor, denk ik opeens aan tweeënvijftig jaar geleden in een ander werelddeel, toen ik voor de laatste keer mijn inmiddels overleden biologische vader zag tijdens een wandeling waarbij wij een veldleeuwerik zagen’.
Het doet enigszins denken aan de hoofdstuktitels in negentiende-eeuwse historische avonturenromans, zoals in het bekende ‘Ferdinand Huyck’ (1840) van Jacob van Lennep. Daar heet het eerste hoofdstuk ‘Waarin, onder meer andere wetenswaardige zaken, het portret van den held dezer geschiedenis gevonden wordt’ en een van de latere ‘Waarin treurige en indrukwekkende toneelen voorkomen, gelijk men die somtijds in het dagelijksche leven, maar zeer dikwijls in romans en versierde geschiedenissen aantreft’. Het effect ervan is dat je je als lezer al vertrouwd voelt met de gebeurtenissen alvorens ze hebben plaatsgevonden, wat zorgt voor een merkwaardige combinatie van vertrouwelijkheid en distantie. Bij Haft is het niet anders, zij het dat bij hem het uiterlijke avontuur vervangen is door het innerlijke.

Het zwaartepunt van Hafts bundel bestaat uit de ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’, gepresenteerd in drie afdelingen, in totaal 21 gedichten. Aan het begin ervan schrijft hij: ‘In juli 2004 trad ik uit dienst bij de Leidse universiteit waar ik sinds vele jaren docent Chinese literatuur was geweest. Evenals mijn oud-Chinese voorgangers vond ik in deze levensverandering aanleiding om een aantal gevoelens in versvorm tot uitdrukking te brengen.’
Dit is het eerste gedicht:

‘Bij het leeghalen van een boekenkast zie ik dat de op de rug gedrukte titel van een gedichtenbundel door zoninval onleesbaar is geworden’

‘De rug is gevoelig,’
zei de dokter, achtentwintig
jaar geleden. Langer, vijfendertig
jaren geleden

zette ik dit boek
hier neer. Ik weet
welk het is. Maar hoe het heet
is niet meer te lezen.

Toch ben ik blij. Die dunne
baan die blijft
waarlangs de dagen kwamen
houdt bijeen

wat anders blad na blad
verviel, niet te verhalen.
‘Scripta manent’, geschreven dingen
blijven, schreven

onze voorouders. Wie
verstaat hen nog?
Woorden raken weg zonder
schade: wij immers leven

nog. Ik heb het zelf
gezegd: liever licht
dan woorden over licht.
Het boek staat. Geel

torent zijn rug die niet
als het jonge gras wuifde,
aldoor hier stond. Bleef,
niet heette.

In tegenstelling tot de uitdijende titels heeft Haft de vorm van zijn gedichten streng ingeperkt; ze zijn zonder uitzondering opgebouwd uit strofen van vier (de meeste) of drie korte regels die vaak maar twee of drie heffingen tellen.

Veel van wat voor zijn poëzie in deze bundel kenmerkend is komt in dit eerste gedicht al direct tot uiting: de tamelijk nuchtere, bedachtzame manier van benoemen en beschrijven die toch ook lyrisch en verbeeldingsrijk is, de nostalgische ondertoon, de persoonlijke, openhartige invalshoek die voor een heel directe communicatie met de lezer zorgt, de duidelijke neiging tot explicietheid daarbij, het discours van de dichter met zichzelf waaruit een sterke, zelfbewuste kwetsbaarheid blijkt, even ontwapenend als onthecht. Het zijn niet alleen kwaliteiten voor een dichter, maar ook voor een docent.

In ‘Bij het zien van aankomende eerstejaarsstudenten denk ik aan oud-vakgroepsvoorzitter Idema’ komt dat mooi samen. (W.L. Idema, hoogleraar Chinees aan Harvard University en schrijver van tal van sinologische studies en vertalingen waaronder Spiegel van de klassieke Chinese poëzie, was tot 1999 hoogleraar te Leiden).
Het gedicht begint anekdotisch met ‘Het is niet zo / dat wij ze altijd / hetzelfde vertelden, / die eerste morgen // van de Herfstmaand / als ze met drommen bejast / in de galmende zaal met hoge / ramen binnenschoven. // ‘, maar krijgt dan al snel een peinzende, filosofische lading die de bestaanservaring centraal stelt:

Wat we ze boden waren
woorden – álle vertellen
is doorvertellen’ – maar
wat we ze zwijgend toonden

was onszelf, elke herfst
een ander […]

Wij zouden ze hoeden,
bewaren voor de woorden
der dwaalleraren. Maar ‘wie
zal er waken over

de bewakers zelve?’
Wij citeerden het,
leerden het ze,
konden het niet beantwoorden.

[…]

Het moet een genot zijn geweest les te hebben gekregen van docenten die tot zoveel zelfreflectie in staat waren.

Het vergankelijkheidsbesef is een belangrijk motief in de bundel, vaak gecombineerd met een intense natuurervaring. Als de dichter bij vrienden in een klein lusthof verkeert, overpeinst hij: ‘Wat waren de uren / – die paar dagen – // van wat wij onze / ‘jeugd’ noemen, meer / dan de tocht van een geur / door een gaarde?’ Een humoristische, relativerende ondertoon zorgt ervoor dat de ervaring van de ‘grote’ gevoelens niet drukkend wordt. Als hij zichzelf in de eetzaal van een hotel in de ruit weerspiegeld ziet, constateert hij: "Ben ik dat? / ‘Oud mannetje’ / in de taal die ik van ze / heb moeten leren, // de hier om mij heen / voorbijgaanden. // ‘Mager’ zullen ze me // noemen, ‘bleek’ – // als ze me al // zien. Ik die mezelf / nu vaak tegenkom – / ‘gepensioneerde’, ‘se- // nior’.’ Haft refereert hier terloops aan het feit dat Nederlands niet zijn moedertaal is.

Een belangrijk motief is ook de religie. Haft was oorspronkelijk methodist, maar werd later anglicaan. In religieuze zin voelt hij zich aangetrokken tot de oosters-orthodoxe en katholieke vormen van het christendom. Als hij in zijn werkkamer een kruisbeeld van de muur haalt, schrijft hij: ‘Ik die alle dagen, / alle jaren u / trachtte te vatten – // geen van mijn verbanden, / hoe lang, ijl / gesponnen, dat past // om u. Kleiner / was altijd mijn niet / dan u was.’ Dezelfde overgave treffen we aan in:

‘Bij het leeghalen van een bureaula stuit ik onder een stapel oude studentenadministratie op een rozenkrans; weer vind ik het jammer dat het traditionele gebed hierbij eindigt met de naklinkende woorden ‘het uur van onze dood”

Wat mij door de vingers
glipte – alles
kralen. Hout,
parel, glas -

alle zien -, alle
tastbare, strelend
mijn toch nog warmere
huid langs.

Ik die hier stond
te tellen, te spellen:
u en u en
u – geen ander,

altijd die opening,
mijn lippen rond,
mijn adem die eindigt
altijd voorlopig op amen.

Na de drie afdelingen ‘Gelegenheidsverzen van de academische functionaris bij zijn ambtsnederlegging’ volgen vier gelegenheidsverzen onder de noemer ‘Schadelijke stoffen’, waarin hij het langs originele omwegen heeft over roken, asbest, kwik en rookgas. Het laatste krijgt de mooie religieus-filosofische ondertoon mee die voor veel van Hafts gedichten zo kenmerkend is:

‘Bij het horen van een duif op de schoorsteen driehoog boven het fornuis, denk ik: ik hoop maar dat die beesten niet straks de rookafvoer dichtmaken’

Toen ik jong was
– mijn dromen nog zo schaars
dat ik ze opschreef –
was dit groots geweest.

Een duif op mijn dak!
Boodschapper zeker des Geests
of Lichts of Hemels – geen
dom luid beest.

Nu: hier sta ik
in de keuken. Denk:
blijft bij alle koeren nog
het rookkanaal leeg?

Komt vanavond nog
mijn rook, mijn reukwerk
weg? Niet of u
een antwoord zult neer-

laten. Maar of er nog
een weg omhoog zal zijn -
door daken, door alle dichte
dromen heen.

De gedichten in ‘Achter Oud-Poelgeest’ staan in het teken van het motto bij het eerste gedicht uit deze cyclus: ‘en wat wij ervan zeiden werd / een deel van wat het is’. Het zijn regels uit ‘A postcard from the volcano’, het gedicht waarin Wallace Stevens (1879 – 1955) beschrijft dat met iemands dood niet alleen de persoon zelf verdwijnt, maar ook alles wat zijn specifieke manier van het bekijken en schouwen inhield; een latere generatie zal, hoewel dezelfde taal sprekend, nooit meer hetzelfde van de dingen kunnen aflezen: ‘… that with our bones / We left much more, left what still is / The look of things, left what we felt / At what we saw. […] We knew for long the mansion’s look / And what we said of it became / A part of what it is … ‘
Soms is er hier een wat pessimistische ondertoon. Haft ziet ‘de grote moede aarde’ dan als ‘die klomp kou, homp nood’, als ‘Eén kloot zwijgen / die wacht op een roep, // een op of af van ons. / Want van ons alleen / is het zeggen, / noemen, // waar willen hebben.’

In de twee open brieven aan Kouwenaar, die in zijn bundel Landschappen en andere gebeurtenissen (1974) schreef ‘Van alle maken is doodmaken / wel het volmaaktste’ verantwoordt Haft polemisch de instelling van waaruit hij werkt en schrijft. In de eerste brief lezen we (de ambigue aanhef is fraai): ‘Dichten is geen dood / maken. Scheppen is / dulden, tegen / de ochtendmist in // luisteren hoe de kern/ klopt.’ […] ‘Wou je tot stof terugbrengen, / terugroepen, wat nooit / van stof uitging?’ In het tweede vervolgt hij met ‘Niet wij maken het / woord stof. / Het stof dat onze botten // naar buiten brengen / spelt al, / vormt al haast ons.’
Alles in Haft tendeert dus naar de waarheid dat ‘nee’ wordt weersproken en ‘ja’ wordt gewezen. Het is een onvoorwaardelijke keuze voor de levende eenheid van geest en natuur, waarin geen plaats is voor een in wezen dor en somber materialisme. Wat geleefd wordt en als zodanig wordt aanvaard, bestaat.

Uit de speelse tai chi-verzen die hierop volgen spreekt een haast mystieke bestaanservaring, waarin de dichter zich even vast wil positioneren als vrij wil zijn. Als hij zijn houdingen oefent, verzucht hij: ‘Leer mij dan / mijn voeten voegen naar dit gras / tot ook ik wortel, / brandend in de zon nog / sta, even, mijn / paar keer nog niet val.’ Een vaste buigzaamheid, meer is hem niet gegeven, want de ultieme bevrijding zoals een opstijgende vogel die ervaart, kan niet geleerd worden: ‘Vogel dat doe ik je / nu niet na, mijn bot komt nog / niet los uit eerder. / Wij krijgen hier // geleraard alles: houdingen, / standen, vormen alle. / Behalve verlaten. / Niemand hier // die dat benoemen zal. Niemand die bij vaderen / kan afzien wat ook vaderen / niet konden, niet // hier nog deden.’

De bundel sluit af met drie brieven aan de evangelist Johannes. De gedichten cirkelen rond Johannes 13:23 en de ik-figuur erin is de discipel die geloven wil ‘Ooit zal het vlees weer / woord worden – waar / of bewaard om het even’. In het laatste gedicht is sprake van een merel die een dode tak in de bek meevoert en zo als het ware zelf zwijgend door de dood wordt meegevoerd:’Stil bevracht // brengt zij wat zij hier niet / af kan kreten, / houdt dat in de bek al // omgebogen dood / zwijgsel. Wat zwak / tegen de hemel kraste, // […] // laat haar niet meer af. / Zo moet zij mee en zal, / […] // waar de bek het laatst, wijdst openvalt.’

Het is precies het effect dat deze magistrale bundel bewerkstelligt: de lezer blijft voor de zanger die Haft is met open mond van bewondering achter. ‘Liever licht dan woorden over licht’ schreef Haft in het eerste gedicht. We zouden zijn woorden toch niet graag willen missen.


********
Lloyd Haft (1946), geboren Amerikaan maar al veertig jaar Nederlander, studeerde sociologie en linguïstiek aan de Harvard University in Massachusetts. In 1968 vestigde hij zich in Nederland en studeerde in Leiden Chinese taal- en letterkunde. In 1981 promoveerde hij op een proefschrift over de Chinese dichter Bian Zhilin.
In 1982 debuteerde Haft met de bundel Ikonen bij daglicht. Daarna verschenen: Brandende lisdodden (1984), Slakkehuis en andere korte gedichten (1985), Wijl wij dansen (1987), Atlantis (1993), bekroond met de Jan Campertprijs in 1994, Anthropos (1996), Ken u in mijn klacht (1998), De Psalmen in de bewerking van Lloyd Haft (2003) bekroond met de Ida Gerhardtprijs in 2004 en Formosa (2005). Zijn uit het Chinees vertaalde gedichten publiceerde hij in de bloemlezingen Tweesprong (1983) en Een onafzienbaar ogenblik (1990). Van de Amerikaanse dichter Hart Crane stelde hij een in het Nederlands vertaalde bloemlezing gedichten samen onder de titel Gefluisterd licht (1996).