Interview met Daniel Bras

Een rookwolk boven een huis in een eenzame vlakte

 
Daniel Bras (Utrecht, 1962) schrijft gedichten op het snijpunt van theater en poëzie en publiceerde in tijdschriften als Passionate, Tzum, Lava en Krakatau. In het voorjaar van 2000 organiseerde De Rode Hoed een tentoonstelling van zijn poëzie en fotowerk. In 2002 won zijn toneelstuk Tribunaal de tweede prijs in festival Hollandse Nieuwe nr. 6. Hij publiceerde in eigen beheer de bundels Van leven luis (1988) en De stilte van een ongeschonden stad (2000).

Hoe lang schrijf je al poëzie en wat betekent het voor je?
Het wereldkampioenschap voetbal in 1974 bracht mij ertoe mijn eerste gedichten te schrijven. Maar eigenlijk was mijn moeder mijn eerste inspiratiebron, omdat zij woorden verzon die niet bestonden. Sinds 1974 houd ik me vrijwel dagelijks bezig met schrijven. Het is een oefening in nederigheid en tegelijkertijd in ambitie; iets creëren dat nog niet eerder zo onder woorden werd gebracht. Ik schrijf om vorm te geven aan een manier van kijken, van verwondering, woede en angst.

Hoe uit zich die woede en angst in je poëzie?
Het sublimeert zich. Woede is nooit alleen maar woede en angst bestaat niet enkel uit angst en het is mijn taak als dichter om deze geschiedenis inzichtelijk te maken voor de lezer. In 2002 nam ik deel aan Hollandse Nieuwe, een festival georganiseerd door het toenmalige Cosmic theater. En hoewel het geen onverdeeld succes bleek te zijn, werd mij wel duidelijk dat een emotie het beste tot haar recht komt wanneer ze onderhuids blijft. Je benoemt ze niet, maar de lezer pikt ze wel op. Natuurlijk is de vorm waarin het gedicht is geschreven van evident belang.
Na een debacle, waarbij een volgend toneelstuk slecht geïnterpreteerd werd, besloot ik voortaan alleen nog maar zelf mijn teksten voor te dragen. Daarbij viel me op dat mijn werk een link had met voordracht. Mijn eerste bundel Van het leven luis  was een geschreven performance. Mijn tweede bundel had de vorm van een tentoonstelling. Rond dezelfde tijd bezocht ik een aantal optredens van dichters, slams en festivals. De meeste poëzie was eendimensionaal. Men werkte met oneliners, wilde direct de goedkeuring van het publiek. Wat de meeste dichters misten, was de overtuigingskracht van het toneel. Zij staan als zichzelf op het podium, terwijl zij in feite de rol van voordrachtskunstenaar spelen. Vanaf dat moment besloot ik gedichten te schrijven in de vorm van theaterteksten. Het voordeel is dat je een bepaalde emotie kunt uitspreiden over een aantal gedichten, waardoor je de hele geschiedenis ervan kunt beschrijven.

Is optreden een goede ervaring geweest?
Ik kom moeizaam uit de startblokken. Meestal duurt het een aantal jaren voordat ik zeker ben van mezelf en de gedichten die ik heb geschreven. Dat komt ook omdat ik telkens iets nieuws wil schrijven. De thema’s mogen hetzelfde blijven, de vorm waarin zij worden gegoten moet anders zijn. Toen ik besloten had mijn teksten voor te dragen, schreef ik me in voor het festival Onbederf’lijk Vers in Nijmegen. Ik werd uitgenodigd en las die avond mijn gedichten voor in een café waar ook twee andere dichters optraden. Dit optreden sterkte me in het idee dat ik de juiste vorm had gekozen. Sindsdien heb ik regelmatig mijn gedichten voorgedragen, met wisselend succes. Elke keer moet je de juiste toon zien te vinden en, omdat het publiek van plek tot plek verschilt, is elk optreden weer anders. Een goede voorbereiding is alles. Zodra je in die ene lichtvlek gaat staan, moet je de tekst onder controle hebben, zodat je ermee kunt spelen.

Hoe zou je je poëzie willen omschrijven?
Ik zou mijn poëzie niet willen omschrijven. Wat ik over mijn poëzie kan zeggen is dat ze sluimert. Het is als een rookwolk boven een huis in een eenzame vlakte. Het is een paard dat met een deken op zijn rug naast een besneeuwde schuur staat. Als dichter sta je in een bepaalde traditie. Soms stuit die traditie je enorm tegen de borst, grijp je alle mogelijke middelen aan om er afstand van te nemen, en een enkele keer voel je je er thuis. Als ik bij een bepaalde traditie thuishoor, dan hoop ik dat het de traditie is van de epiek.