Lucas Hirsch over de overeenkomst tussen skaten en poëzie:

Stijl, flow en ritme

 
Lucas Hirsch publiceerde in talloze literaire tijdschriften en debuteerde in 2006 bij uitgeverij Arbeiderspers met Familie gebiedt. Ilja Leonard Pfeijffer merkte destijds op in een recensie in NRC Handelsblad: ‘Als dit nog maar het begin is, kunnen we nog veel meer verwachten.’ Nu is de bundel Tastzin verschenen en lijkt Hirsch de verwachting in te lossen.

Foto: Ayesha van der Woensel
Wat is het grootste verschil tussen je debuut en de tweede bundel?

Mijn debuut was een bundeling van de beste gedichten. Tastzin is met een doel geschreven en heeft een thema. Dat is het grootste verschil. Bijna alle gedichten zijn in de eerste persoon enkelvoud geschreven, het zijn heel persoonlijke gedichten uit een periode waarin ik een dikke burn-out beleefde. Ik heb bijna een jaar over de bundel gedaan en in dat jaar heb ik mezelf weer helemaal teruggevonden. Tastzin handelt dus over het herdefiniëren van de ik.

Je debuut werd goed ontvangen. Hoe denk je dat op Tastzin gereageerd gaat worden?
Dat kan ik niet inschatten, denk ik. Ik kreeg al complimenten, onder andere van Bas Belleman. Hij was mijn tweede lezer en heeft tijdens de besprekingen duidelijk laten merken dat Tastzin een mooie bundel was geworden. Van mijn vader kreeg ik een mooie brief waarin hij zijn dank uitspreekt over hetgeen ik aankaart, en ik heb links en rechts complimenten van dichters via de mail mogen ontvangen.

Waarom heb je gekozen voor dit omslag voor Tastzin?

Eerlijk gezegd heb ik niet gekozen. Het diende zich aan. In een youth hostel in Chicago, ik was daar samen met mijn vriendin vanwege een optreden op een literair festival. We hadden dit heel goedkope hostel voor een aantal dagen geboekt, maar het was er zo verschrikkelijk dat we na een nacht al besloten om te vertrekken. Toen we ’s ochtends de deur van onze kamer dichttrokken, keek ik naar rechts en zag het raam aan het einde van de gang. Ik dacht meteen: dit is wat ik op het omslag wil hebben – de titel voor de bundel had ik al bedacht. Mijn vriendin schoot de plaat en bewerkte hem, ze deed overigens ook de vormgeving van deze bundel.

In allebei de bundels neemt familie een prominente plaats in. Heb je hier een verklaring voor?
Tastzin is, naar mijn idee, het logische gevolg van Familie gebiedt. In mijn debuut kwam de ‘ik’ haast niet voor. Het was alsof ik een voorstudie deed naar wat familie, en alles wat daarbij komt kijken, zou moeten zijn of was. De bundel kwam als een boemerang terug en resulteerde in een studie naar mijn familierelaties. Ik werd dus geconfronteerd met hetgeen ik zelf had aangeslingerd, en dat deed even heel erg pijn. De familiegeschiedenis van zowel mijn vader als mijn moeder is roemrucht te noemen. Ze hebben zo hun sporen nagelaten. Als je probeert te achterhalen wie je bent en waar je vandaan komt, dan kan je niet anders dan naar je familie te kijken.

Leert men Lucas Hirsch kennen door Tastzin te lezen?
Hm, ik weet het niet. Het is wel heel eerlijke en soms pijnlijke poëzie – ik zat niet goed in mijn vel. Je kan dus stellen dat je meeleest met die emotionele periode. Ik heb het opgeschreven zoals ik het op dat moment ervoer en heb geen blad voor de mond genomen. Dus het antwoord zou ‘ja’ kunnen zijn.

De bundel begint met een citaat van de skater Mark Gonzales. Wat is de overeenkomst tussen skaten en poëzie?
De stijl, de flow en het ritme. Iedere skater heeft zijn eigen stijl. Zoals er skaters zijn die technische trucjes niet op snelheid kunnen uitvoeren, zijn er skaters die die trucjes met een onmogelijke snelheid en heel stylish kunnen uitvoeren. En zoals er skaters zijn die trucjes uitvinden, heb je skaters die alles kopiëren wat op dat moment populair is. Dat zie je ook in de poëzie terug. Ik houd van dichters die met heel veel stijl schrijven, eigen zijn en zichzelf blijven vernieuwen. Om een aantal skaters te noemen die ik bewonder om hun stijl: Ray Barbee, Mark Gonzales en Chris Haslam. Opvallend is dat de jongens met wie ik vroeger heb geskateboard allemaal in een creatief beroep zijn terechtgekomen. Het zijn grafisch vormgevers, fotografen, kunstenaars.

Je hebt een baan bij een bank. Is het moeilijk om dit te combineren met je dichterschap?
Nee, totaal niet. Ik heb een baan nodig om te blijven schrijven. Alleen maar schrijven levert me niets op. Die verschillende werelden geven altijd aanleiding tot het schrijven van gedichten. De meeste ontstaan tijdens het reizen van en naar mijn werk. Dan lees ik ergens een regel, of hoor iemand iets geks zeggen, of hoor een zin uit een liedje op mijn iPod. Dan schrijf ik dat op in een boekje dat ik altijd bij me heb. Zelfs op kantoor wil ik wel eens een aantal regels opschrijven. Ik heb werk nodig om in balans te blijven in mijn leven. En er is meer in het leven dan het schrijven van gedichten. Gelukkig wel, zeg. Ook ben ik op deze manier niet afhankelijk van subsidies, dat voelt goed!

Je hebt Kleine Revolutie Producties opgericht. Waarom?
In Haarlem zijn er veel evenementen voor en door amateurdichters. Ik wilde iets anders. Middagen of avonden met professionele en gepubliceerde dichters waren er namelijk nauwelijks. Ook wilde ik programma’s maken die de poëzie uit het verdomhoekje halen. Zo maak ik sinds twee jaar om de twee maanden Word Lounge: Een Kleine Revolutie. Dat is een avond in het Patronaat waarop ik dichters aan singer-songwriters koppel, en waarvan het de bedoeling is dat ze 25 minuten lang op een of andere manier samenwerken op het podium. Dat heeft al heel mooie dingen opgeleverd. Zo had ik bijvoorbeeld Bas Belleman en Leine, Erik Jan Harmens en Hannah Sleumer, Alfred Schaffer en Arthur Adams en F. Starik en Susan Zeegers. Ik vind dat de poëzie moet samenwerken met andere kunstdisciplines. Zo wordt het aantrekkelijker om naar poëzie te gaan luisteren en kijken.

Wat wil je met Kleine Revolutie Producties bereiken?

Heel simpel eigenlijk. Ik vind het te gek als mensen me na afloop vertellen dat ze een heel mooie avond hebben gehad en zelfs een bundel hebben gekocht van de optredende dichter, terwijl ze nooit poëzie lazen of naar poëzie waren gaan luisteren. Dat is waar ik het voor doe. Of voor de mensen die voor de muzikanten komen en dan toch ook door de dichters worden gegrepen. Je moet het poëziepubliek een voor een binnenhalen. Zo bewerkstellig ik iedere keer een kleine revolutie. Maar ik wil het wel klein houden: niet te veel publiek en niet te veel dichters. Ik wil het op deze manier spannend houden en dat lukt tot nu toe erg aardig. We zien wel weer wat ik morgen bedenk.

Wat is je band met Haarlem?
Tja, Haarlem is de stad waar ik het sleutelgedicht ‘van rookkokers en pandaken’ uit Familie gebiedt heb geschreven. Het is de stad waar mijn grote liefde woonde toen ik in Amsterdam vertoefde. Haarlem is me heel dierbaar geworden omdat ik er een persoonlijke en spirituele groei heb doorgemaakt. Ik schreef er het gedicht dat brak met mijn oude werk en resulteerde in mijn debuut. Eind 2005 ben ik van hartje Amsterdam (Amstel 100) naar Haarlem verhuisd om samen te gaan wonen met de liefde van mijn leven. Het heeft me geestelijke rust gebracht en dat is mij heel dierbaar.

Wat heb je met de Verenigde staten?
Allereerst ben ik Amerikanist en historicus, dus het zat er al goed in. Maar het land heeft me altijd al geboeid. Ik ben vanaf mijn tiende al met skateboarden bezig geweest, en alles in die scene komt uit de VS. Ik las als klein mannetje al skatetijdschriften als Thrasher Magazine en Transworld. Toen ik ouder werd, kwam ik er achter dat ik liever Amerikaanse romans las dan Nederlandse en dan vooral uit de periode 1940 tot1990. Ik denk dat het de mentaliteit van het land is: ‘Ok I fucked up, but I have a second chance!’ In Nederland is eenmaal falen ook echt falen. Ook het idee dat als je ergens heel erg goed in bent, dat je dan in de VS daar ook je leven aan kan wijden. In Nederland is het helaas nog steeds zodat je je kop niet boven het maaiveld uit moet steken. Verder is het een waanzinnig mooi land. Ik heb een tijdje in Boston gewoond. Met mijn lief reis ik ieder jaar een aantal weken door het land per trein. Zo hebben we de Westkust gedaan, van San Francisco naar Seattle, en van Chicago via Illinois naar Decatur. En vorig jaar zijn we van New York naar Rockland Maine gereisd. Man, wat een mooie trip was dat! Ik wil ooit nog proza schrijven om die avonturen te bezingen. Mijn lief en ik hebben ontzettend heimwee naar de VS als we weer in het overbevolkte Nederland terug zijn. Heel apart is dat. Het zal wel met de ruimte en de mentaliteit van de gemiddelde Amerikaan te maken hebben dat het ons zo aantrekt. Ik bedoel, we waren in Chicago en we zouden ’s ochtends tijdens de spits moeten reizen met onze bagage – enorme rugzakken, je kent het wel. Wij dachten dat het enorm vervelend zou worden in de metro. Niets was minder waar. De mensen waren zo ontzettend attent en behulpzaam dat ik dacht dat Ralph Inbar ergens lachend vandaan zou schieten. Moet je in Nederland eens proberen…. Enfin, over een aantal jaren wonen we waarschijnlijk in de VS.

Zie ook het weblog van Lucas Hirsch