Recensie van Tot ook ik verwaai - Peter Swanborn

Windsels van onbreekbaar licht

Peter Swanborn
Tot ook ik verwaai
Uitgever: Podium
2009
ISBN 9789057592997
€ 14,50
49 blz.

Geen makkelijk onderwerp: dementie. Of misschien juist een te makkelijk onderwerp? Dood, ziekbed, vervreemding zijn de voorspelbare ingrediënten van de steeds complexer wordende relatie tussen ouder en kind in die onvoorstelbare omkering aan het eind van een mensenleven: het kind draagt de moeder, verzorgt, verpleegt, berust.

In Tot ook ik verwaai gaat Peter Swanborn (1963) het ‘gevecht’ met dit autobiografische gegeven aan. Hij schrijft onomwonden over de wonderlijke mechanismen die ten grondslag liggen aan de vernietiging en de wederopbouw van deze veelbezongen relatie. De tragiek van een desintegrerende geest en een weifelend lichaam zet hij in kleine tableaus in het licht. Het is voor de lezer even zoeken naar de juiste mogelijkheden tot identificatie. De scheidslijn tussen waan en waarheid wordt consequent bewaakt en je krijgt niet zomaar toegang. Ook de lezer staat achter het glas van het ‘zwarte aquarium’ waarin de moeder opgesloten zit.

Dit is een bundel die zijn kracht pas prijsgeeft aan het eind, als ‘gewone’ vertellingen zorgvuldig in elkaar geschroefde bouwsels blijken te zijn. Het gaat hierbij nooit om het beleven van overdonderende schoonheid, of het meegesleept worden in grote tragiek. De toon blijft los, berustend, geen enkel zinnetje lijkt een geforceerde taaltruc. Ook in zijn eerste bundel was dit de kracht van Swanborn: weinig woorden, dichtbij de materie blijven. Het komt daardoor des te harder aan. De dichter weet het gruwelijke naamloze dat achter het ‘vertrokken’ masker van de seniele mens huist, knap voelbaar te maken.

Avond

Laat op de avond schuifelt ze
door haar kamer, zoekt kranten
bij elkaar, gaat zitten, loopt rond.

Ik sta op de gang voor het raam
en zie hoe ze rusteloos draait
en keert in haar zwart aquarium.

Om mij heen is alles stil. De lift
slaapt, de klok zwijgt, het boeket
staat droog, een tl knippert.

Met dit openingsgedicht is van een stille tragedie de toon gezet. De zoon staat buitenspel, de moeder is bezig met zinloze, vergeefse ordening, de dingen maken de dienst uit, al is de ‘techniek’ ervan het aan het begeven. Omdat je van de dichter geen woord cadeau krijgt, moet je als lezer zelf hard werken. Ik vind dit een verademing. Geen mooischrijverij of duizelingwekkende beeldspraak, je wordt met hem en haar in de gang gezet en mag het daar – terwijl de tl-lamp alarmerend blijft knipperen – zelf uitzoeken.

De bundel kent een opbouw in drieën, waarbij het eerste deel nog redelijk luchtig en anekdotisch is. Het universum van de dementerende moeder wordt in weinig woorden geschetst, de dichter observeert en bewondert de koppigheid, het verzet van de seniele vrouw tegen professionele verzorgers, de autoriteit. Hier is nog een restje wil aanwezig. Maar hij erkent de ernst van de situatie ook nog niet helemaal, trekt de gordijnen dicht alsof het gaat om iemand met een hersenschudding die alleen wat rust nodig heeft.
In deel I gaat het voortdurend om dit innerlijke geknok: erkent hij dat zij definitief vertrokken is, of vanuit ander perspectief juist is teruggekeerd tot wie zij was, meer dan ooit zichzelf, bestaande uit oude stemmen, voorvaderen, ongeborenen? Een huiveringwekkende sfeer komt op eenvoudige wijze tot leven.

Een ander aspect van de eerder genoemde ouder-kind-omkering is dat van verantwoordelijkheid, zorg, angst. In een tijd waarin mantelzorg een vanuit de politiek opgedrongen kwestie is geworden, stelt Swanborn een belangrijke vraag. Kan een kind de zorg aan voor een moeder die van zichzelf en de haren zo vervreemd is, van wie wil en zinnen op drift zijn geraakt? Het is niet zo dat dit uitgesproken wordt. Het zijn weer de doodgewone zinnetjes, half afgemaakt, ternauwernood gedacht zelfs, die genoeg zijn.

Angst

Had ik moeten blijven, haar niet alleen
de nacht op de bank? Had ik haar mee
naar huis? Is ze echt naar bed, geen val
van de trap? Had ik de deur dubbel op slot?

Wie zegt dat ze niet het gas of een kaars,
dat ze naar buiten? Naar de rivier, onder
de brug, maan en sterren koud gezelschap
voor wie dwaalt door een verdwenen stad.

Ooit, een kamer donker, word ik wakker
en weet dat zij is, in mij, een stem vreemd
en vertrouwd. Zo zal het zijn. Misschien.

Het is zoeken naar een terugkeer van wat de moeder ooit was, een baken waarop de eigen ontwikkelingsprocessen kunnen rusten. De boze buitenwereld gezocht als ‘koud gezelschap’, de angst dat de moeder, die ooit de sterke was, in totale ontreddering binnen en buiten niet meer onderscheiden kan, het eigen huis in de hens zet, de veilige omgeving omkeert en dakloos ook de zoon tot ontheemde maakt.
De relatie tussen beiden komt steeds verder op losse schroeven te staan, al is in het volgende gedicht geen sprake meer van intermenselijke relaties. Afgesneden, eenzaam is de moeder, de stomme dingen slechts tot gezelschap. Dit tableau leest als een toneelscène, de buitenwereld gereduceerd tot een voorbijflitsende vogel, een glimp van leven, een voorbode.

Weg

Te midden van stapels ongelezen, keurig
opgevouwen kranten zit ze op haar bank.
Geen bel of telefoon. Iedereen weg of dood
of druk. Een meeuw scheert langs het raam.

In deel II wordt de onttakeling zichtbaarder, de onthechting van de wereld voelbaarder, al lijkt even de ongrijpbare afstand tussen ‘hem’ en ‘haar’ verdwenen te zijn. In flarden keren verhalen terug, stellen ze gerust, maar al met al neemt in dit deel de tragiek toe. ‘Er is iets weg’, De geest trekt zich steeds verder terug, raakt meer in zichzelf besloten. De aquariummetafoor uit het eerste gedicht vindt in dit deel zijn pendant.
De dreiging van verlies bevecht de dichter/verteller door in de volgende tableaus de sociale isolatie te lijf te gaan. Het familietafereel voltrekt zich rondom de moeder en met haar als middelpunt laat de dichter haar enkele spaarzame handelingen verrichten, vaak doordat anderen haar verleiden tot een poging de functionaliteit van een oud leven weer op te nemen, zoals wanneer een kleinkind op haar schoot wordt gelegd.
Van iemand die troost vindt in de dingen, verwordt zij zelf tot een ding dat van attributen wordt voorzien om haar erbij te laten horen, om haar de bewegingen en handelingen te laten verrichten van een ‘normaal’ functionerend mens.

Dreiging

Als een veteraan naast vogeltjes
geparkeerd, de magere handen
met knuffels gevuld, geen medailles
of linten, wel een riem die knelt,
de lang bevochten vrijheid verloren.

Half wakker spiedt ze in het rond,
vormt nieuwe woorden, zinnen
vol gevaar. Ze roept en schreeuwt
en wijst, maar geen mens begrijpt
al zeg ik ja en ach en o, wat naar.

Onbegrepen is de moeder tot een object verworden dat vol glim en roem in een hoek staat. Een beetje onbevredigend is dit gedicht wel, omdat ik graag wil weten welke zinnen het zijn, welke de woorden vol gevaar. Het vervreemdingsproces neemt ook binnen het geplaagde lichaam toe, ledematen komen losser te staan van het geheel, ‘een hand grijpt, een arm zwaait.’ Aan het eind van dit deel ontglipt ze hem helemaal; ze ziet iets wat hij niet ziet, en zo is niet zij degene die alles kwijt is maar hij, omdat contact maken met haar realiteit niet langer mogelijk is.

In Deel III kun je spreken van een versterking van de troepen: in plaats van ‘ik’ is er een ‘wij’ aan het woord. De onmacht van het ik verdubbeld door de onmacht van het wij, want de moeder wordt gedragen door een bovenmenselijke kracht: ‘maar iets houdt haar vast. Niemand/ kan het noemen. Het stijgt en daalt,// komt in zuchten dichterbij. En wij, druk/ met wachten, zien niet hoe de kracht/ die haar draagt, ons te boven gaat.‘

In de laatste gedichten draait het ook om dit wachten tot het gevreesde moment van definitief ‘er niet meer zijn’ intreedt, hoe iets van buiten langzaam en onafwendbaar bezit neemt van de stervende. Als tot slot de familie de begrafenis al plant, staat de moeder nog even in het zonnetje in de tuin, een prachtig tragikomisch moment: ‘een vrouw in zon geborgen.’ Ze was altijd al buiten. Het zet aan tot denken over familiestructuren en de positie die iemand inneemt in dit voorgeprogrammeerde geheel. Wat doe je als je moeder, een belangrijk deel van je eigen identiteit, dreigt weg te vallen. Het is een herkenbaar proces dat in loepzuivere gedichten een moment dichterbij wordt gebracht.

Het interessantst vind ik de afwezigheid van het benoemen van wat straks komt, dat van later, het onbekende element waarnaar de dood verwijst. Het gebrek aan informatie over de stervende schept ruimte voor een onbekende factor. Het is dit wezen zonder gezicht dat in de geest en het lichaam van de moeder huishoudt, dat door de uitermate bedwongen en sierlijk gewone taal van Swanborn tot leven komt.

****
Peter Swanborn (1963) debuteerde in 2007 in de Contrabas-reeks met Bij het zien van zijn lichaam. Deze bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut van 2007. Begin 2009 verscheen Een koud bad, geschreven in opdracht van de Zeeuwse Slibreeks. Deze bundel met 24 liederen over verdronken Zeeuwen werd genomineerd voor de PZC-publieksprijs.
Sinds 2001 is Swanborn als tekstschrijver verbonden aan Nieuw Muziektheater Rotterdam.
Zijn gedichten en artikelen verschenen onder meer in De Gids, Süddeutsche Zeitung, De Zingende Zaag, Poëziekrant en Tortuca, het Rotterdamse tijdschrift voor literatuur en beeldende kunst waarvan hij sinds 2006 redactielid is. Zijn poëzie is in meerdere talen vertaald.
Sinds 1997 is Swanborn literair medewerker van de Volkskrant. Voor 1997 was hij werkzaam als beeldend kunstenaar en fotograaf.