Interview met Tania Alegria

De zee is een weg

 
Tania AlegriaTania Corrèa Alegria werd in Brazilië geboren maar woont tegenwoordig in Lissabon. Ze studeerde rechten en Sociale Wetenschappen en werkte in de maritieme transportsector. In 2008 publiceerde ze de tweetalige Spaans-Portugese bundel InVerso en in 2010 het Spaanstalige Memorial de Exorcismos.
Fa Claes vertaalde een aantal van haar gedichten en Sander de Vaan had een mailgesprek met de Braziliaanse, die zich prima thuisvoelt in haar ‘nieuwe’ vaderland Portugal.


Wat is voor u poëzie?
Ik heb geen romantisch beeld van poëzie. Voor mij is het de ritmische expressie van een idee, middels woorden in versvorm. Poëzie lijkt in zekere zin op muziek en wiskunde: men tracht een vergelijking met variabelen te construeren om een bepaald resultaat te bereiken. Voor de dichter is dat een gedicht, voor de componist een muziekstuk en voor de wiskundige de oplossing van een vraagstuk. Inspiratie (of vindingrijkheid) is een van die variabelen, en het daarin aanwezige toevalselement maakt deze variabele zo belangrijk. De overige variabelen worden ingevuld met behulp van de elementen van de versbouw: metrum, rijm en ritme.

Waar ligt voor u het verschil tussen een ‘gewoon’ gedicht en een voortreffelijk gedicht?
Ik ga hier even niet uit van gedichten die eigenlijk gewoon in stukken gehakte prozateksten zijn. Een middelmatig gedicht is voor mij een gedicht dat technisch in orde is, maar ‘kunst’ ontbeert. Die vlam die een tekst een eigen licht geeft, een flits die de weg naar het gevoel van de lezer beschijnt. De Mexicaanse dichter Octavio Paz zei ooit: “iedere lezer zoekt iets in een gedicht en het is niet ongewoon dat hij het ook vindt: hij droeg het al in zich mee.” Wanneer een gedicht een dergelijk licht bevat, kun je van een voortreffelijk gedicht, een kunstwerk spreken.

Kunt u uit uw eigen werk een voorbeeld van zo’n lichtflits noemen?
Ik ben een bescheiden ‘verzenschrijfster’ en het valt mij moeilijk om over mijn eigen werk in dat soort termen te spreken. Maar enkele gedichten kunnen op veel bijval van mijn lezers rekenen. ‘Stigma’ is zo’n gedicht, dat positief is ontvangen en waarmee mensen zich identificeren omdat ze het gevoel uit de volgende verzen herkennen: ‘Mijn borst is een buitenwijk / vol dreigende straten / en hoeken waar de wind met zwaarden zwaait.’

Welke verzen van andere dichters hebben veel indruk op u gemaakt?
Dat zijn er heel veel. Maar ik zal mij hier beperken tot drie aspecten die genieën van andere dichters onderscheiden: een origineel perspectief, een uitzonderlijk gebruik van retorische middelen en maximale poëtische beknoptheid.

Een voorbeeld van een origineel perspectief vormen de verzen van Manuel Alcántara (Málaga, 1928), uit het gedicht ‘Deze donderdag’:

Deze donderdag hangt van je mond af.
Je moet hem verzorgen zoals een park een kind
zoals de herfst ieder blad verzorgt
en het voldoende lucht verschaft
opdat het zich bij de anderen voegt

Hier spreekt een dichter die een wereld ziet die niemand anders ziet, een wereld waar een donderdag van een mond afhankelijk is, waar parken kinderen verzorgen en de herfst haar bladeren. De dichter verwoordt die wereld vanuit zijn heel eigen, bevoorrechte perspectief.

Een voorbeeld van een geslaagd gebruik van retorische middelen is het gedicht ‘Net als de stier ben ik voor rouw geboren’, van de Alicantijnse dichter Miguel Hernández (1910-1942). De eerste strofe luidt:

Net als de stier ben ik geboren voor rouw
en verdriet, net als de stier ben ik gebrandmerkt
met een hels ijzer in mijn zij,
door een man in mijn lies met een vrucht.


In slechts vier verzen maakt de dichter hier gebruik van de volgende retorische middelen: beeldspraak, vergelijking, symmetrie, anafoor en hyperbaton. Een hele prestatie…

En dan zijn er nog de verzen van Gabriel Celaya (Guipúzcoa, 1911-1991) uit het gedicht ‘De poëzie is een met toekomst geladen wapen’:

Zo is mijn poëzie: poëzie-gereedschap
een unaniem en blind kloppen tegelijk.
Een met uitdijende toekomst geladen wapen
waarmee ik op je borst richt.


In een paar compacte verzen vat de auteur hier een uiterst gecompliceerd intellectueel betoog samen over de rol van de dichter in de maatschappij.

Hoe schrijft u zelf? Bent u een impulsieve dichteres of schaaft u lang aan uw gedichten?
Wanneer ik een idee heb voor een gedicht, ga ik eerst op zoek naar de meest passende lyrische vorm. Als ik dat heb gedaan, weet ik al ongeveer hoeveel verzen het gaan worden, hoe het ritme en – eventueel – het rijmschema zal zijn. Dan begin ik pas te schrijven, vers voor vers, zonder op het einde vooruit te lopen. Dat kan lang duren, want ik ben altijd op zoek naar perfectie, hoewel ik weet dat dit eigenlijk onbegonnen werk is. Om een zo mooi mogelijk resultaat te behalen, gebruik ik allerlei soorten woordenboeken, waaronder ook synoniemen- en rijmwoordenboeken. Verder raadpleeg ik theoretische werken over de Spaanse en Portugese dichtkunst, want ik schrijf in beide talen. Als het gedicht eenmaal af is, ben ik mij ervan bewust dat niet iedereen het even mooi zal vinden, maar ik heb tenminste alles in het werk gesteld om het zo mooi mogelijk te maken. Met andere woorden: het gedicht is misschien niet helemaal geslaagd, maar ik had het niet beter kunnen doen.

Hoe ontstonden de verzen: “want doordat ik je niet zie / heb ik hongerige honden in mijn ogen staan” uit het gedicht ‘Rondgang’?
Ik schreef eens in een e-mail naar een vriend: “ik heb hongerige honden in mijn ogen staan”. Ik weet niet meer precies waarover het ging, maar toen ik deze woorden had geschreven wist ik meteen dat dit een krachtige poëtische zin was. In de daaropvolgende dagen ging ik op zoek naar een thema waarvoor ik dit vers zou kunnen gebruiken en bedacht een verhaal over iemand die in gedachten bij het raam van een geliefde wacht en die, omdat hij haar niet ziet, ‘hongerige honden’ in zijn ogen meedraagt.

U bent Braziliaans, woont in Lissabon, maar schrijft vaak in het Spaans. Waarom?
Ik vind Spaans de mooiste van alle talen en uitermate geschikt voor krachtige, elegante verzen. Sinds zeven jaar leer ik Spaans en bestudeer ik de Spaanse versbouw en -techniek. Het gros van mijn gedichten heb ik in deze taal geschreven. Gek genoeg schreef ik pas mijn eerste gedicht in mijn moedertaal toen een Spaanse uitgever mijn bundel InVerso wilde uitgeven en ik hem voorstelde om er meteen een tweetalige uitgave van te maken. Paradoxaal genoeg vind ik het makkelijker om in het Spaans te dichten dan in het Portugees…

U hebt in de maritieme transportsector gewerkt. Bent u daar iets poëtisch tegengekomen?
Ik heb in de allesbehalve poëtische branche van het Commerciële Zeetransportrecht gewerkt, maar toen schreef ik nog geen gedichten. Nadat ik was begonnen te dichten, diende de zee zich als een steeds terugkerend thema aan, onder meer omdat ik de zee niet meer als een grens zag, maar als een weg. Bovendien heb ik twee vaderlanden, één aan iedere kant van de Atlantische Oceaan, en aldus verbindt de zee mijn twee identiteiten. Een voorbeeld van dit gevoel is te vinden in de slotverzen van mijn gedicht ‘Ballingschap’:

Vaderland is de grond waar ooit
de sporen van mijn doden werden geschreven,
daarom zal ik gaan zonder te weten
van welke kant de zee mijn ballingschap was.

De opbrengst van uw bundel InVerso gaat naar UNICEF. Denkt u dat dichters vandaag de dag voldoende geëngageerd zijn met de wereld om hen heen?
Net als bij andere mensen hangt het engagement van dichters af van hun sociale, politieke, ecologische en humanitaire bewustzijn. Het feit dat iemand dichter is, maakt hem of haar niet meer of minder geëngageerd dan anderen. Maar wanneer je je bewust bent van de werkelijkheid om je heen, ben je wel beter in staat om het belang van sociale en humanitaire gerechtigheid te verbreiden, aangezien je stem verder reikt en mensen ook meer kunt raken. Ik geloof dat geëngageerde poëzie een belangrijk instrument is in de strijd tegen onderdrukking, ongelijkheid, onrechtvaardigheid, oorlogsgeweld en alle andere vormen van wreedheid.