Gedichten

Vertaling: Fa Claes


ER GEBEURT NIETS

Het licht fonkelt op de witte muur waar de rozenstruiken zich uitrekken.
De lucht is niet veel meer dan een voorgevoel dat op de huid afschampt en naar pijnbomen ruikt.
De morgen is rustig. Er gebeurt niets.

En toch, jij, zo hulpeloos, zo bleek, zo met vlagen besmeurd
als had een stormwind, heftig; het kanteel van je patio vernield.
Vochtige zwammen hangen aan je haar,
in je handen raken droeve bladeren verward,
rook in je ogen, mos tussen je tanden
en binnen in je borst huilt een meute honden
die de vier windstreken besnuffelen om de geur van de verbrande oogsten te ruiken.
Er zit kool onder je nagels, zo fel was je razernij bij het omwroeten van de nacht.
Je hebt vlekken korstmos op je schouder door in zoveel graven te zijn gaan liggen.

Kalmeer nu maar, jij. Er is alleen dennengeur,
serene dageraad, zachte bries, leeuweriken aan het ontwaken tussen de takken.

Er zijn geen orkanen bossen aan het verwoesten.
Er is geen brand in de oogst van je ballingschappen.
De morgen is in vrede met zichzelf.
Kalmeer nu maar, Marién. Er gebeurt niets.



NO PASA NADA

La luz chispea sobre el muro blanco donde se desperezan los rosales.
El aire es poco más que una intuición que resbala en la piel y huele a pinos.
La mañana está en paz. No pasa nada.

Y sin embargo, tú, tan desvalida, tan pálida, tan sucia de tormentas,
como si un vendaval hubiese, fiero, demolido la almena de tu patio.
Hongos húmedos cuelgan de tu pelo;
en tus manos se enredan hojas tristes;
humo en los ojos, musgo entre los dientes
y pecho adentro aúlla una jauría
husmeando los puntos cardinales por oler las cosechas incendiadas.
Tienes carbón debajo de las uñas, tal fue tu saña al escarbar la noche.
Traes manchas de liquen en la espalda por haberte acostado en tantas tumbas.

Cálmate, tú. No hay más que olor a pinos,
alborada serena, brisa suave, alondras despertando en los ramajes.

No hay huracanes destrozando bosques.
No hay incendio en la mies de tus exilios.
La mañana está en paz consigo misma.
Cálmate tú, Marién. No pasa nada.


*


EEN HANDVOL KLEI

Soms word je wakker en is het of je stierf van angst en van vervreemding
bij het ontwaren van de dag, het onderscheiden van zijn klippen,
het schatten hoeveel stappen je scheiden van de nacht.

Onvruchtbare grond wacht op de indruk van je hand
en je hebt slechts een handvol klei om de kolossale muur
op te trekken die je stiltes omsluit.

Zo eenzaam dat je schaduw niet met jou over de keramiek van de stoepen zal stappen,
zo verstomd dat de stemmen de richting die naar de trommelvliezen voert niet zullen vinden,
zul je, halsstarrig, hekken om je patio bouwen.

En niets zal ongeschonden de schemering halen.

De heldere maan zal komen om het puin te verlichten
terwijl uit je blik de vogels wegtrekken.

Morgen keer je weer zonder andere beweegredenen
dan je arbeidershand en een handvol klei
om de muren op te trekken die je stiltes omsluiten.



UN PUÑADO DE ARCILLA

A veces te despiertas y es como si murieses de espanto y de extrañeza
al vislumbrar el día, discernir sus escollos,
evaluar cuántos pasos te alejan de la noche.

Árido suelo espera la impronta de tu mano
y no hay más que un puñado de arcilla para erguir
la colosal muralla que encierra tus silencios.

Tan sola que tu sombra no cruzará contigo el gres de los umbrales,
tan muda que las voces no encontrarán el rumbo que lleva hacia tus tímpanos,
construirás, obstinada, las cercas de tu patio.

Y nada llegará incólume al crepúsculo.

Vendrá la luna clara a alumbrar los despojos
mientras de tu mirada los pájaros emigran.

Mañana volverás, sin otros argumentos
más que tu mano obrera y un puñado de arcilla,
a construir los muros que encierran tus silencios.


*


ZELFS LACHEN DOET PIJN

Die droefheid is zelfs niet behandelbaar.
Als endogene en kwaadaardige cel
sticht ze wisselvalligheden in mijn uren,
slaat in mijn aders, ondergronds,
bij het pompen van de systole van de tijd
om de gang der dagen vooruit te duwen.

Ik weet niet wanneer ze kwam, niet hoe, niet vanwaar,
of iemand ze met de hand tot aan mijn oevers bracht;
de jaren die aan hun juk zijn gebonden sleepten haar mee
of ze kwam op haar voeten, geslepen en hebzuchtig,
meegesleurd door de gal van mijn stigma’s.

Zeker is dat de voorkant van de klokken primeert
en het touw rond mijn nek snoert
met haar ogen van afgrond,
haar handen van metaaldraad.

Onder haar beheer doet zelfs lachen pijn.



HASTA LA RISA DUELE

Esa tristeza ya no tiene cura.
Como célula endógena y maligna
inaugura intemperies en mis horas,
en las venas me late, subterránea,
bombeando la sístole del tiempo
para empujar el curso de los días.

No sé cuándo llegó, ni cómo, ni de dónde,
si alguien la trajo de la mano hasta mis márgenes,
la arrastraron los años uncidos a sus yugos,
o vino por sus pies, artera y codiciosa,
arrebatada por la hiel de mis estigmas.

Lo cierto es que preside la faz de los relojes
y agarrota la soga en torno de mi cuello
con sus ojos de abismo,
con sus manos de alambre.

Bajo su mando hasta la risa duele.


*


RONDGANG

Het is te laat om gedichten te schrijven.
Een zo hoge avond, zo verlaat,
zo middernacht op alle klokken
dat zelfs de ogen de woorden niet bevochtigen.

Maar hoe dan ook, ik kom
van het dak dat met hout is bekleed,
van de schappen waar de boeken slapen,
van de zetel met de vorm van mijn taille,
van het licht op het tafeltje,
en van de twee vazen die ik in Venetië kocht
die ik haastig ging kopen toen ik vertrok
richting enige andere haven
want de zomer had zijn eindpunt gehaald.

Ik kom, je ziet het wel, ook uit herinneringen.

Ik kom uit dezelfde zachtaardige missers
met hun uitzicht van oude spullen van me,
hun sepiakleur,
hun geur van hars.

Ik kom van vers tot vers -
terwijl ik de breedte van de nacht aan het aftasten ben -
tot aan je patio en loop om de ramen heen
want doordat ik je niet zie
heb ik hongerige honden in mijn ogen staan.



RONDA

Es demasiado tarde para escribir poemas.
Una noche tan alta, tan tardía,
tan medianoche en todos los relojes
que ni los ojos mojan las palabras.

Pero igual vengo
del techo revestido con madera,
de los estantes donde duermen libros,
del sofá con el molde de mi talla,
la luz de la mesilla,
y de dos jarras que compré en Venecia
que corrí a comprar justo cuando partía
rumbo a algún otro puerto
porque el verano había terminado.

Vengo, ya ves, también de las memorias.

Vengo desde los mismos trastes mansos
con su cariz de viejas cosas mías,
su color sepia,
su olor a pino.

Vengo de verso en verso
tanteando la anchura de la noche
hasta tu patio y rondo las ventanas
que por no verte
traigo perros hambrientos en los ojos.