Gedichten

door Marijke Hanegraaf (1946)

Een ster, een kind

Schemering zet licht op een hoogwerker
een gave ster en grijpbaar.

In de duisternis ontstaat een oude vraag:
hoort bij de ster een kind?

Zo’n kind gezien
vanuit een hemelsblauwe trein

met care erop jagend langs grijze seinen
door de winter van Europa

met aan de route een versleten hek
ademend in zijn hangslot

zo’n kind dat zwaait
naar het geratel in de avond

een porseleinen pop
tot barstens in de armen.

 


Restruimte

Hij kon ploegen met twee ploegen tegelijk
gaf de paarden een losse hand

liep er een pas achter om ernaar te kijken
liep door lange morgens

door voren als zwaarden over vreemde
en stugge grond. Zo’n vader.

Met de zon op zijn hoogst rusten zoals hij
een uur midden op de dag laten ontstaan

onder een berk die het licht filtert.
Dan, als je wakker wordt traag

overeind komen traag je voeten grond geven
terwijl de wind over je verwachtingen spint

en ‘s avonds thuiskomen bij iemand die zegt
toe ga je wassen, zo kun je niet aan tafel.

Alsof het altijd zo zal blijven zeggen
we krijgen onweer.


 

Kust zee

Ze is de poten van de stoel
de kookkachel gloeit diep in haar
mevrouw rust in de koffiepot
het water zingt haar toe

is haar de zee, het mooiste
ooit gehoord ruist aan
haar kapsel wuift, zee kust.

Te midden van de branding
vergroeit ze traag tot zetelhout.
De oude koffie lang gereed
zingt ze het water toe.


 

Achterland

Ter ere van mijn bezoek brengt de wind stilte.
De lopende banden van de zandwinning wachten.
De kerken rusten in de geest van gisteren.

Onze bus sukkelt naar de rand van het land. Ooh
coming, coming, hurrah, hurrah, verder
in het nieuws een bosbrand en langs de route

bericht na bericht: in het ene dorp
wonen dertig kinderen, in een ander
zijn alle te bouwen huizen verkocht.

We nemen een dijk dwars door het groen.
Ergens stroomt de rivier; meer dan de dijken
schijnen de pijpen van de steenfabrieken signalen.

Als we langs eetcentrum ’t Heuveltje rijden
kijkt iemand op zijn horloge en knikt. Alsof alles
normaal is, het uur, de dag, de dwarse dijken

en ook ruim voldoende: de zon en de bus
die op weg is naar een grens en mij beweegt.
Het beste is om niets te doen

en om ook steeds meer niets te doen.
 

Uit: Restruimte, 2010, De Arbeiderspers