Recensie van Waterpas - Joop Leibbrand

De blauwe bus van Van der Wijst

Joop Leibbrand
Waterpas
Uitgever: HDC Media
2010
ISBN 9789077842539
€ 9,90
128 blz.

Joop Leibbrand (1943) was een paar jaar stadsdichter van Den Helder. Dat heeft een mooie verzameling op deze Noord-Hollandse havenstad geïnspireerde gedichten opgeleverd. Na eerdere bundels als Wacht maar (2001; onder het pseudoniem Frida Snel) en Vroeger of later (2003) kan het bij HDC Media verschenen Waterpas worden beschouwd als het voorlopige hoogtepunt in Leibbrands oeuvre.

Wat is een ‘stadsdichter’? Iemand die het in elk (officieel) gedicht heeft over de stad in kwestie? Een dichter, afkomstig uit een bepaalde stad? Een dichter die zich in positieve zin onderscheidt van de ‘dorpsdichter’, een man van de cultuur versus natuur en platteland? Leibbrands officiële opdracht ken ik niet, maar stilzwijgend gaat iedere lezer er wel vanuit dat een stadsdichter in zijn werk de stad waar hij dichter is, in ruime mate aan bod laat komen – en dat een aantal jaren achtereen. Bij Joop Leibbrand is dat Den Helder, de ‘hoeksteen van de Noordzee’, zoals hij het in het gedicht ‘Thuishaven’ op bladzijde 118 formuleert, de stad waar hij geboren en getogen is.

Ik weet niet of nuchterheid een kenmerk is van de inwoners van Den Helder, ‘nuchter’ is in ieder geval wel het woord dat bij mij opkomt tijdens het lezen van Joop Leibbrands gedichten. Ze zijn van een nuchterheid die dicht bij die van C. Buddingh’ zit (raadpleeg de megabundel van Buddingh’ die vorig jaar geproduceerd werd door Nijgh & Van Ditmar) en bij die van Buddingh’s voorloper E. du Perron (herlees Parlando). Hoogdravende metaforen zul je bij Leibbrand niet aantreffen, sentiment slechts sporadisch. ‘Ik ben een veel te normaal mens voor het kunstenaarschap,’ zegt Leibbrand in het als nawoord opgenomen gesprek met Peter Hovestad. Deze en andere zelfrelativerende uitspraken sluiten naadloos aan bij het no-nonsenseimago van Waterpas. Op een aantal hekeldichten na waarin met name de politiek in Den Helder op de korrel wordt genomen, is het over het algemeen rust en nostalgie in Joop Leibbrands verzen.

Nostalgisch

De lege dwarsstraat en de voetbalmuren,
het perk waar je tot ’s avonds laat nog tolde,
de veiling waar je achter stapels groentekratten

zo spannend weg kon schuilen, de stoep
waarop je televisie keek – het geluk
toen je een keer naar binnen mocht.

Al die plaatsen die je mist als je er bent
omdat het leven dat ontbreekt het jouwe is.

De steeg van de gestolen zoen,
de geur van meisjeszweet, het geheim
van kleren die er voor het eerst toe deden.

Den Helder was een blauwe bus
van Van der Wijst en vuilniswagens
die het Helder hielden.

Winkels hadden portieken, scholen
nog nummers, de trein reed door
naar het mooiste station.

Om al wat weg is nog te zien
moet je daar niet gaan kijken.

Net als bij Buddingh’ tref je bij Leibbrand overal de paradox van het realisme aan: ‘nooit iets echter / dan wat werkelijk is’ (‘Uit de kunst’, blz. 110). Of is dit niet meer dan een opgeleukte tautologie? Wat levert kijken naar de werkelijkheid – in Waterpas die van Den Helder – meer op dan de werkelijkheid zelf? Moet je als lezer de diepere lagen er maar bij fantaseren, in reactie op de suggestieve lijntjes uit het ‘kijkende’ gedicht? Realisme blijft een lastig genre, merk ik steeds weer. Maar als dat zo nu en dan een mooi gedicht oplevert, hoeft dat geen probleem te zijn.

Toen ik aan deze bundel begon, wist ik niets van Den Helder. Nu, na een paar keer lezen van Leibbrands stadsgedichten, heb ik het gevoel toch iets van de sfeer van die stad geproefd te hebben. Misschien konden de verzen in Waterpas inhoudelijk nóg informatiever, in elk geval passen ze naar mijn idee prima bij hun ‘stad van herkomst’, om even een beroemde boektitel van Du Perron te variëren. Alle VVV’s van Noord-Holland kunnen hun voordeel doen met dit prachtige, cultureel verantwoorde promotiemateriaal.