Alsof ik een nieuwe orde schiep

 
Johanna Geels (1968) schrijft sinds 2004 gedichten. Haar debuutbundel Tuig verscheen in 2008 bij Uitgeverij Atlas en werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs 2009. In december 2010 verscheen haar tweede bundel Detox. Johanna Geels treedt regelmatig op, waarbij haar voordrachten vaak worden begeleid door muziek van gitarist Mark Beumers.

Johanna GeelsWaarom ben je gedichten gaan schrijven en waar hield je je daarvoor mee bezig?

Hiervoor schreef en las ik alleen proza. Met poëzie had ik me nooit serieus bezig gehouden, het kwam niet in me op. Later begon proza me tegen te staan: al die omwegen tot je bij de kern komt, ik vond het een logge machine worden. Ook veranderde gaandeweg mijn stijl, die korter en bondiger werd, absurder ook, tot ik iets overhield wat je een gedicht zou kunnen noemen. Toen ben ik ook daadwerkelijk gedichten gaan lezen. Geweldig vond ik dat. Ik kreeg het plezier in schrijven helemaal terug. Poëzie gaf me een geweldige kick, een energieboost, terwijl proza meer als een druilerige zondagmiddag was gaan aanvoelen: zo eentje van vroeger, als de hond zijn rug van verveling tot schilfers krabde, dat doffe gebonk van die achterpoot op het parket, terwijl buiten de lamlendige kerkklokken maar bleven dreinen.
Uiteindelijk draaide alles zich om en ging ik weer de zalige traagheid van de lange zinnen missen, de opbouw van een verhaal, dat dobberen in een uiteenzetting. Nu doe ik beide en juist die afwisseling houdt het levendig.
Ik doe het meeste op gevoel. Iets dient zich aan en ik grijp het uit de lucht. Niet dat het dan klaar is, het is een concept, een bouwpakket, het moet nog in elkaar gezet worden. Technisch gedoe, maar erg leuk om te doen. Mijn favoriete deel van het werk, omdat het zo fijn overzichtelijk is. Dat gemier en gesleutel kan maanden duren. Aangezien het concept in de lucht hangt, moet ik er wel voor zorgen, dat een deel van mijn hersens zich in die lucht begeven, anders werkt het niet, dan gaat het aan mij voorbij. Mijn hoofd moet in de juiste stand staan, de koppeling aan de pijplijn naar boven moet in orde zijn. Ik ben dus vaak meer bezig met het onderhouden daarvan, het schoonraggen, al het overbodige er uit zien te houden, zodat ik ‘ontvankelijk’ blijf, dan met het zoeken naar inspiratie an sich – die volgt dan immers vanzelf.

Het viel me op dat met name in jouw debuutbundel Tuig gedichten en titels vaak verwijzen naar religie en geloof. Wat is hier de reden van?
Ik kom uit een familie van dominees. Mijn overgrootvader bijvoorbeeld was dominee/hoogleraar theologie en rekkelijk gereformeerd. Ik heb hem nooit gekend, maar hij was wel onzichtbaar aanwezig, al was het alleen al omdat na zijn dood het huis waarin hij woonde in de familie bleef. Mijn opa en oma gingen er wonen en later mijn ouders met ons kinderen. Zijn werktafel en bijbehorende biedermeierstoel hadden een grote aantrekkingskracht op mij – die sierlijk statige krullen! – en ik sleepte dat hele zooitje naar mijn kamer. Als ik daar zo zat, speelde ik dat ik schrijfster was, keek er vooral heel moeilijk bij en beet nadenkend op mijn pen.
Als kind heb ik veel in de kerk gezeten, zat altijd op christelijke scholen en ik had wel wat met dat geloof. Met de verhalen, de sfeer, de duidelijkheid. Schuld en boete, oorzaak en gevolg, kortom, de orde.
Ik kom uit een tamelijk drukke familie, van mensen met wisselende stemmingen. In zo’n omgeving is orde vaak ver te zoeken en het geloof voorzag daar wel in. Ik heb die Bijbelverhalen ‘gevroten’. Dat lees je terug in mijn gedichten denk ik, al gaat dat niet zo bewust. Het dringt zich op, staat vooraan als er iets geduid moet worden, heeft blijkbaar de grootste bek, werpt uiteindelijk toch de langste schaduw af. En ik houd van de dramatiek, het gedoe. Het geloof is natuurlijk een geweldige kermis.
Niet dat ik gelovig ben, ik heb het afgezworen toen ik een jaar of tien was. Ineens zag ik in dat het nergens op sloeg, echt van het ene moment op het andere. Als in een openbaring. Ik heb nog wel een tijdje geprobeerd te doen alsof, maar dat was niet houdbaar, de voorhang van de wolken was voorgoed gescheurd. Later kwam de kosmos er voor in de plaats en Maria. Allemaal gedweep natuurlijk, maar ik word er rustig van, het is van een troostende schoonheid.

Wie zijn jouw inspiratiebronnen en wat betekenen ze voor jou?

Lastig. Ik las vroeger veel naturalisten, die me met hun rauwheid en heldere benoemen zeker beïnvloed hebben. Verder heb ik nooit veel tijd gevonden voor bewuste voorbeelden. Het leven had me al vroeg in zijn greep… Ik heb rond mijn zestiende een tijd zonder vaste woon- of verblijfplaats geleefd, logeerde overal en nergens. Ik kwam op rare plekken terecht, veelal aan de onderkant van de samenleving. Erg verheffend was het allemaal niet.
Ik heb alles overleefd en ben uiteindelijk in rustiger vaarwater beland, maar het bleef lang spannend en gelegenheid tot naar school gaan was er niet. Nou ja, technisch gezien wel natuurlijk, maar ik was te ver weg. Ik ben in die warrige tijd wel altijd blijven schrijven en vooral ook blijven lezen. Misschien heeft dat me er toen wel bovenop gehouden, alsof ik een nieuwe orde schiep, en ditmaal niet met Bijbelverhalen, maar met literatuur. Ik hongerde naar kennis, maar miste iemand die me vertelde wat ik lezen moest, dus ging ik zelf het wiel uitvinden. Ik ging domweg klassiekers lezen, omdat ik het anders ook niet wist. Veel Russen, beduimelde rommelmarkt- en kringloopexemplaren voor een paar cent.
Het meeste van wat ik in die periode geschreven heb, is dramatisch slecht. Ik heb ooit alles in een doos geflikkerd en er zelden meer naar omgekeken. Ik ben pas behoorlijk gaan schrijven, toen mijn leven weer een beetje op orde was. Ik schrijf ook nooit over die periode, behalve in mijn gedicht ‘Geloof (met Krattenharrie in een bijrol)’ uit Tuig. Toen was het blijkbaar oké. Ik weet die dingen nooit zo bewust.
Als ik nu lees, lees ik ook altijd met een timmermansoog. De onbevangenheid is verdwenen. Daar komt bij dat ik erg ongeduldig kan raken van het lezen van goede gedichten, dan wil ik zelf weer. Maar ik lees graag Gert Vlok Nel en Lars Gustafsson.

Detox is deels geschreven in een residentie in Berlijn. Hoe heb je dit verblijf ervaren en op welke wijze heeft dit je poëzie beïnvloed?
Berlijn is een rauwe stad, zonder opsmuk en tierelantijnen. Je kijkt de stad recht in zijn smoel en als het je niet bevalt, dan donder je maar op. Zo komt het althans op mij over en die houding past mij wel. Dit streef ik ook na in mijn poëzie. Ik houd van directheid, rauwe taal, grimmigheid, maar dan wel in combinatie met zachtheid en schoonheid. Soms ga ik daar te ver in. Mijn gedweep met de kosmos moet ik bijvoorbeeld echt onderdrukken, ik wil niet schmieren.
Die zucht naar romantiek zie ik ook terug in Berlijn, maar dan nooit zonder die andere kant, nooit zomaar, zonder het slijk der aarde. Elke stap die je daar zet, is bij voorbaat al beladen, door zoals Armando het zo mooi noemt, ‘het schuldige landschap’. Je kunt daar niet zijn zonder dat te voelen, zonder dat dit je beïnvloedt. Dan zat ik ook nog eens in het torentje van die gigantische statige villa aan de Wannsee, het Literarische Colloquium Berlin, waar je je in een literair museum waant. Diepe indruk maakte dat op me. Per Olov Enquist noemt het in zijn boek Een ander leven ‘het mooie kasteel aan de Wannsee’.
Al die geschiedenis, al die grote schrijvers die daar ooit zaten en die ik aan mijn biedermeiertafeltje nadeed toen ik klein was, en dan ik, die rare dichteres van de zandgronden, zonder scholing, ooit letterlijk uit de goot getrokken, die daar ineens zat, zoveel jaar later.
Elke ochtend stond ik zo vroeg mogelijk op om als eerste in de ontbijtzaal te zijn, de zaal die uitkeek over de Wannsee. Ik wilde daar alleen de dag beginnen, alles opzuigen, de sfeer van dat huis, de geur van die zaal, in opperste concentratie en vanuit een diepe dankbaarheid. De stad zelf voelde als thuis, dat was direct duidelijk. Ik begreep het daar, de grond, de lucht. Voor mij een zeldzaamheid. Ik voel mij altijd aan de zijlijn staan, hoor nooit echt ergens bij. Niet dat dit zielig is, ik constateer dat gewoon en ben niet anders gewend en ik kan vaak ook weinig met andere mensen beginnen, snap de codes nooit zo goed. Dat dit hier dus ineens heel anders was, dat ik me blijkbaar wel kon overgeven, kon binden aan een stad, vond ik een mooie en ontroerende ervaring. Ik wou er dan ook meteen wonen… Nu niet meer, men moet die dingen ook niet overdrijven natuurlijk.
Ik schreef er een serie gedichten, die ik ‘Berlin ist allein, ich auch’ noemde, een uitspraak van Joseph Beuys. Ik sleepte vroeger een kaart mee met die tekst er op. Ik was toen nog nooit in Berlijn geweest, maar ik voelde wat die woorden inhielden en was allang blij dat er blijkbaar ergens een plek op de wereld was, waar ik wellicht zou passen. Toen ik door het Nederlands Letterenfonds gevraagd werd mee te doen aan het Halmaproject, waarin dichters een residentie in Europa kiezen waar ze een maand kunnen schrijven, koos ik dan ook direct voor Berlijn. En daar viel alles samen.

Ik heb de indruk dat je heel bewust bezig bent met de vormgeving van je bundels. Je eerste bundel had zowel geen flaptekst als foto. Voor je tweede bundel verzorgde je zelf de omslagfoto. Is deze vormgeving van je bundels een belangrijk onderdeel van je poëzie?
Op het moment dat ik met een bundel bezig ben, gelden de regels voor die bewuste bundel. Bij Tuig hoorde blijkbaar geen flaptekst of foto, dat voelde ik heel duidelijk, dat zou maar afleiden en ik wilde gewoon dat het draaide om de gedichten alleen, geen ‘shiny happy’ foto of wervende flaptekst. Ik was immers een beginneling en wou me bescheiden opstellen, moest mijn sporen eerst verdienen, zoiets.
Bij Detox was dat anders, die bundel riep erom. Misschien was het nu veilig, had ik laten zien dat ik het heus wel kon en mocht ik dit wat schaamtelozer laten zien door wat goede recensies die Tuig had gekregen op de achterflap te knallen. En ik schuw die tegenstellingen niet. Misschien dat mijn bipolaire karakter daar aan meehelpt, dat schiet graag van het ene in het andere uiterste.
De omslagfoto van Detox is genomen in Berlijn door mijn partner, gitarist Mark Beumers, die mij regelmatig muzikaal begeleidt met optredens en die de muziek voor de cd die bij Detox zit, heeft gemaakt.
In de bundel staan enkele gedichten die over drankverslaving gaan, iets waar mijn partner jarenlang mee te kampen heeft gehad en wat hij uiteindelijk twee jaar geleden heeft overwonnen. Wij liepen in Berlijn langs een slijterij aan de Oranienstrasse en zagen daar strak voor een verzameling drankflessen een levensgrote Maria in de etalage staan. Alsof ze de aanvoerster was van dat wankele veeltal, zij ze allemaal onder de duim hield. Dat beeld stond voor veel waar wij mee te maken hadden gehad de afgelopen jaren en het sprak vanzelf dat zij de bundel en de cd zou sieren.
We zijn maanden bezig geweest met die cd. We hebben op speciale plekken opnames gemaakt, in Berlijn, in het LCB, thuis. Mijn dochter is er zelfs op te horen. Mark heeft thuis zijn eigen studio, dus konden we opnemen wanneer we wilden en wanneer we de juiste spirit hadden. Het zorgde er ook voor dat er een hele intieme sfeer ontstond, die je naar mijn idee goed terug kan horen op de cd. Ik vind het resultaat erg mooi geworden.

Hoe ervaar jij de toevoeging van muziek aan jouw gedichten?

Ten eerste heeft muziek een lagere drempel, voor muziek is niemand bang. Voor gedichten jammer genoeg vaak wel. Dan denkt men dat het allemaal rete-ingewikkeld is en dat je minstens 35 jaar gestudeerd moet hebben. Ik ben van mening dat je tijdens het lezen van een gedicht niets fout kunt doen. Je mag er gewoon in zien wat jij er in wil zien. En als dat de hond van de buren is, terwijl ik er een gemankeerde relatie met God in had bedacht, is dat helemaal niet erg. Verder tilt de muziek van Mark mijzelf en mijn gedichten naar een hoger plan, naar een andere dimensie. Vaak hoor ik na een optreden dat men mijn gedichten beter aanvoelt met de muziek van Mark erbij. Mark heeft een heel intuïtieve manier van spelen. Hij benadert de muziek zoals ik mijn gedichten benader en dat past blijkbaar heel goed bij elkaar. Wij oefenen ook nooit. Wij gaan ergens heen en doen ons ding en dat is elke keer weer anders. Wel is het altijd heel kwetsbaar, wat soms wel eng is, want er is weinig voor nodig om de betovering te doorbreken. Toch lukt het bijna altijd en het blijft fantastisch om te zien hoe het mensen raakt.

Waar ben je momenteel mee bezig?

Ik werk aan een derde gedichtenbundel en tegelijkertijd aan een roman die over verslaving gaat, een thema dat me blijft achtervolgen. Zelf ben ik nooit verslaafd geweest, al had dit makkelijk gekund. Blijkbaar ben ik er niet erg gevoelig voor. Om mij heen is het echter altijd een komen en gaan geweest van mensen die hier problemen mee hebben. Kennelijk trek ik dat aan. Ik vond het een interessant gegeven en ben gaan uitzoeken hoe het zit, waar het vandaan komt, hoe de mechanismen werken. Hoe verslaafde mensen en hun omgeving heel geleidelijk aan elkaar vast komen te zitten, hoe de een de ander voedt met ziekelijk gedrag, hoe dit alles een broeierig en beklemmend biotoopje wordt waarin iedereen elkaar uiteindelijk naar beneden trekt.
Ik heb twee jaar lang verhalen aangehoord van familieleden en partners van verslaafden en verslaafden zelf, en ik had natuurlijk mijn eigen verhaal, omdat mijn partner ermee te maken heeft gehad. Ik heb dit alles door elkaar gesmeten tot ik zo’n 300 pagina’s achtbaanmateriaal overhield. Ik ben nu de puntjes op de i aan het zetten, kan er verder nog niet zoveel over zeggen. Het is een roadmovie-achtig verhaal geworden en het duizelt me vaak bij het schrijven, dan moet ik weer even afstand nemen. Het is overigens geen treurig boek. Er zit, net zoals in mijn gedichten, veel humor en relativering in. Wanneer het definitief klaar is, weet ik niet, ik hoop snel. Ik heb zin in een nieuw verhaal. De wereld lonkt.