Recensie van Wat een geluk - Gerry van der Linden

De zon een schommel

Gerry van der Linden
Wat een geluk
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2012
ISBN 9789046813225
€ 17,50
64 blz.

‘Wat een geluk’.
Wat verwacht je van een dichtbundel met deze titel? Is het cynisch bedoeld, of is het de uitroep van iemand die eensklaps het licht heeft gezien? Het duurde een aantal gedichten voor ik het door had, om precies te zijn vier. Toen had ik de ervaring gevangen te zijn in een caleidoscopische wereld.
Hoe vang je waarneming en gevoelservaring in één beeld? In dat vierde gedicht van de bundel doet Gerry van der Linden dat zo:

De zon een schommel
waarop ze zit
achter een luik gespeelde slaap

Een naamloos gedicht waarin elke strofe verder van het kind op de schommel af gaat, over de slingerende grindpaden met kinderfietsen in het park, naar de rozenbottel. De bloei van de roos is voorbij, maar de bottel is glanzend rood en zoet. Dan raakt het nog even aan de nacht, voor het met nadruk verklaart:

Het is wit het is dag.

Negen korte regels. Het is bijna verbazingwekkend wat er in zo’n kort bestek kan gebeuren. Pril geluk en verval gaan hand in hand, en ondanks de schemering (afgeroomde nacht!) die zichtbaar wordt achter de oogleden van het kind, weet ze dat het dag is, en licht.
Wat een kaal gedicht! Heerlijk.
Hoe is het mogelijk met zulke karige middelen zoveel bijna tastbare werkelijkheid op te roepen. Hoe is het mogelijk dacht ik, dat ik mij zo thuis voel in een aantal van haar gedichten. Dit is het zevende gedicht:

Al het land dat ze heeft
rond haar kleren
de vermomde zon

ze zwaait haar armen
pulkt aan een kwaaie vrucht
petst de schil terug

de bodems waarop ze slaapt
jongens willen op haar staan
in een bed in haar lichaam

broer en zus en de dieren
die haar observeren
in hun torens van stampei

en de vogels waaruit ze springt
alle bomen opeens
is het land dat achterblijft.

Die wereld ken ik. Het gevoel gevangen en niet te vangen te zijn, bekeken te worden zonder gezien te zijn, te ontsnappen zonder weg te komen, en onveranderlijk, het land dat ze heeft, het land dat achterblijft, een bodem.

De titel van deze negende bundel van Gerry van der Linden dekt de lading op wonderlijke wijze. Wat zij vooral beoogt weer te geven, lijkt mij de veelzijdigheid van elke ervaring, hoe er van alles tegelijkertijd plaats kan vinden en aanwezig kan zijn. Heden en verleden vallen samen, licht en schaduw lopen in elkaar over, liefde en pijn zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Hoe elk onderdeel van de werkelijkheid andere delen kleurt.
De complexiteit van de werkelijkheid compenseert ogenschijnlijk de gebreken, en de gebreken accentueren lichtere zaken.

Wat dankzij de geslaagde gedichten niet opvalt is, hoe moeilijk het is om met autobiografisch materiaal te werken. Vooral wanneer gedichten over dierbaren gaan, al dan niet in leven, en de dichter(es) het gevoel heeft trouw te moeten blijven aan de geschiedenis. De feiten beperken de verbeelding, de anekdote overheerst al snel, en daarmee verliest de taal haar spankracht. Gedichten zijn dan niet in staat om te betoveren.
Bij Gerry van der Linden ontbreken dan prompt de pakkende meerdimensionale beelden, zoals blijkt in:

VISSER

Nog zijn er draden
overzichtelijk vroeger
weg was wat ik wilde weg
van hoe ze mijn naam noemden
zonder proeven wie er achter klonk
zonder stompen wie ben jij
niet gewoon een kind
natuurlijk gewoon een kind
aan een droomloze oever

[…]

Hier wordt vooral een oprechte poging gedaan om gevoelens van een kind op te roepen, terwijl zij als volwassene in gedachten met haar overleden vader praat. En dat mislukt. Het gedicht boeit niet, blijft steken in goede bedoelingen, houdt de aandacht niet vast.
In het volgende gedicht lijkt de dichteres wel te slagen:

VADER

IJsbloemen blauwgeaderde hand
geribbelde deken gebroken wit

hart zonder ophef hart ja nee
dingen gedaan wilde hij niet
o nee
dingen die hij wilde niet gedaan nee

vader is een ingepakte uitvinding

zichtbaar oud en ziek
(spijt niet zichtbaar genoeg)

een machine van losse grepen

de dochter een lopende band.

Het begint mooi met beelden van in de kou een bedlegerige oude man. Ik zie direct zo’n ouderwetse witte sprei over dat bed. Geen deken. Dan is de betovering ineens weg. De tweede strofe is onbeholpen, geeft nergens houvast, loopt niet. Jammer dacht ik, had het nog een jaartje laten liggen, die nauwelijks zichtbare spijt eruit gehaald, en dat ‘zichtbaar oud en ziek’. Het is de belofte van een prachtig gedicht, geen werk dat al af is.
Gedichten over jezelf en je familie blijken poëtische mijnenvelden. Zo komt het gedicht ‘Moeder’ dat erop volgt, niet verder dan een anekdote. Geestelijke afstand is een noodzaak om goede poëzie te schrijven.

Gelukkig zijn er gedichten waar de taal het uitgangspunt was, en dan blijkt Gerry van der Linden een sterke dichteres.
Wat een geluk !


***
Gerry van der Linden (1952) is dichter, schrijver, schrijfcoach en docent Schrijftraining & Poëzie aan de Schrijversvakschool Amsterdam. In 1978 debuteerde ze met de dichtbundel De Aantekening. Daarna volgden Val op de rand (1990), Aan mijn veren hand (1993), Zandloper (1997), Lila en de Tekens (1999), Uitweg (2001), Goed volk (2004) en Glazen jas (2007). Daarnaast schreef Van der Linden een novelle en twee romans. Zie ook het interview eerder in Meander.