Gedichten

door Jos van Daanen (1959)
Tot er woorden waren, waren we niets

In het bladstil, in het oranje waar zon en maan
de schemering bedrijven, in de blik van glurend fauna
en de klamme veeg van klossend water over griend
zijn we opgestaan.

We schepten loof en legden op- en ondergang
op linnen vast. Jij zat in alle kleuren en ik schiep koffie,
sigaretten om het ruwe leven af te dwingen. Samen
gaven we licht.

Maar tot er woorden waren, waren we niets, en zelfs nu
zijn we nauwelijks. We zijn nog maar amper
goden in het spel, te druk met het wijzigen
van de regels.




Zonder titel

Ik ben hier niet, ik ben
in gedachten, ik ben een spoor
op het enige pad dat door het moeras glijdt,
ik ben het gefluit van een vogel
zonder dat je de veren ziet, ik
ben het blad dat omdraait
aan de tak van de boom,
ik ben jij als je verdwenen bent
met achterlating van je naam
en jouw deel van mij, en soms
ben ik gewoon niets, niet eens alleen hier,
maar overal, onhoorbaar, niet
te vinden, hoe goed je ook zoekt.




Gedachten over een beter begrip
van dingen die verloren gaan


Aan de oever
waar de wereld voor een vis
ophoudt te bestaan,
zit een man,
speelt voor god.

Aan de blauwe hemel
hangen vlokjes vogels
zonder houvast.

In zijn hoofd
legt een visser
onzichtbare verbanden.