Gedichten

door Geert Jan Beeckman (1961)
 (zegt de rivier)


Het is waar de mens is mij nader
dan de zee. Hij is mijn wandelaar
parallel aan het leven mijn zwijger
die morgen in het land ontbreekt.

Het is meer dan een gedachte dat hij
loopt in de richting van ons twee:
zomaar weg van vroeger en voor
de afstand waar ik geen antwoord op geef.

Want mijn waarheid ontspringt waar
hij het niet weet. Geheugen zo diep
dat hij dat blijft volgen. In mijn spiegel
soms zijn gezicht. Dan voor even
eeuwig water spelen als belofte.




MEMORYHOUSE


Zolang zij boven slaapt
blijft zij doder dan de rest
eerst in de rug van een lach
later wanneer een schreeuw
op een muur brak.

Het schrapt niet de huid
die wij binnengingen niet
de spiegel waaruit zij stuk viel
niet de binnenkant die van
dezelfde pijn moet zijn geweest.

Zo sterft ze nog altijd erger
dan de dood als er een bel gaat:
de seconde die wit wegtrekt
de man die zegt zij ligt stil
in de vlek van een moord.




(zegt de oude man)


Natuurlijk zijn er altijd mensen geweest
dat kun je zien door een raam
stoel aan een tafel waar hun leven zat
in het midden gaan ze altijd weg.

Neen ook zij wisten van niets
etenstijd altijd stilte en kraakbeen
een duister woord in het hoofd

met een steen onder de hemel
keken zij naar de dood en zeiden
dat wij enkel daarover gaan:

in het geheugen roerloos bij sneeuw
in de tijd een glas laten staan
waar poëzie een gat in de stilte slaat.

Kijk ze gaan nog altijd weg alsof
het niets is stoel aan een tafel
waar hun leven zat je wilt blijven weten
hoe het was.