Recensie van Eigen terrein (Gedichten 1998-2013) - Bert Bevers

Een aangename indigestie

Bert Bevers
Eigen terrein (Gedichten 1998-2013)
Uitgever: Uitg. WEL
2013
ISBN 9062300987
€ 20,00
142 blz.
U bent gewaarschuwd: de lectuur van deze bundel zal tijd kosten. Bert Bevers serveert u in deze bloemlezing meer dan 100 gedichten die 15 jaar intensief-poëtische observatie overspannen, van de Middeleeuwen tot Keulen in de Tweede Wereldoorlog, van een huismus tot Bach die een pint gaat pakken.

1. Wie is Bert Bevers?


Met Eigen Terrein is de dichter niet aan zijn proefstuk toe. Eerder verscheen reeds de bloemlezing Afglans die werk van 1972-1997 bundelde. Tegen dit tempo kunnen we in 2018 al de volgende anthologie verwachten. Maar wie is die Bert Bevers? Ik ken het werk van de man al een tijdje, maar mocht pas in levenden lijve met hem kennismaken toen hij voor de blog De tafel van 1 een foto kwam maken van mijn werkplek in het kader van Antwerpse dichters. Grote knevel, kaal, bril en een accent dat een noordelijker geboorteplaats doet vermoeden dan het Antwerpen waar hij nu woont. Bevers is een literaire duizendpoot die niet alleen zelf poëzie schrijft, maar ook in Antwerpen en ver daarbuiten het poëtische woord een warm hart toedraagt. Zijn blog en biografie ogen op zijn minst indrukwekkend: medestichter van poëzie-uitgeverij WEL, redacteur van het tijdschrift De houten Gong, medewerker van onder meer de Nederlandse Poëzie Encyclopedie, het Nederlandse Fleurs du mal, de Belgische Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie en van het Zuid-Afrikaanse Versindaba. Bevers is lid van de raad van bestuur van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen, en lector van Uitgeverij Kleinood & Grootzeer. (bron: Wikipedia).
Maar is kwantiteit ook een bron voor kwaliteit?

2. Van Antwerpen naar Indonesië

TROMPE-L’OEUILS VOORBIJ
                     voor Jan Wessendorp

In jouw geboortestad dwarrelen
onder de bruggen nog fragmentjes

herinneringen door de tijd. Waarom
was het er, en door de vijand snel bezet.

Onverbiddelijk ontwaren draag je al
je leven mee, in beslagen spiegels zelfs.

Hier tolt het binnenst, werp je angst
van je af in verzwegen zinnen, warme

tinten. Beelden van Mas naar Schelde,
tussen alles heen en weer. Doeken vol.

Kaders kunnen amper de spanning aan
van opdrogende drang. Spattende passie

vurig in ballingschap. Grauw is de lucht, en
als je zucht vormen jouw lippen de naam.

De kunstenaar Jan Wessendorp werd geboren op het Indonesische Java. Wanneer Bevers in zijn gedicht verwijst naar de sporen van het verleden, verwijst hij niet alleen naar de Nederlandse, maar tegelijk koloniale roots van Wessendorp. Let op het subtiele gebruik van door de tijd dat zowel op een tijdsaanduiding als op een handelend voorwerp kan duiden. Vervolgens stelt Bevers de vraag waarom het er was. Het onzijdige lidwoord slaat op geen enkel van de voorgaande naamwoorden terug. Als lezer word je op het verkeerde been gezet en onbewust sluipt die het verder in het gedicht. Ook de niet-alledaagse samentrekking van was het er, en door de vijand snel bezet dwingt om traag te lezen, een traagheid die haaks staat op de snelheid waarbij Indonesië door de Japanners werd bezet. Het beginrijm van onverbiddelijk ontwaren sluit naadloos aan bij de trage a-klanken die dit distichon beheersen. De schilder herkent in beslagen spiegels de eigen reflectie, weet perfect hoe hij ermee moet omgaan, zet angst om in beelden. In de laatste versregels suggereert Bevers echter dat de kunstenaar slechts een balling is in het grauwe Nederland en dat Indonesië nog steeds in het hart van de kunstenaar ronddwaalt.

Wellicht leest u totaal iets anders in bovenstaand gedicht en bekruipt u nu de lust om mijn lezing grondig en vakkundig neer te sabelen. U hebt gelijk. Ik was nooit op Java, ik ken de kunstenaar en zijn werk niet. Ik had het niet nodig om mijn eigen beeld te vormen bij de woorden.

3. Muziek en schilderkunst verweven

HOOGZOMER

Meisjes in kleedjes met konvooien van bloemen
verstrooien schelpjeswitte snippers. Geen talen
wachten hen, wel de mildheid van handspiegels
en de fluisterende muren van de zomer. Vannacht
gaan zij rusten in lange, trage dromen waarin bomen
vuren worden. Het zullen onvergetelijke uren blijken.

In nabije voorraadschuren zingen gebronsde landlieden
lichtgevlerkte liederen. Zij vragen zich af of uit een ezel de
hel valt, of in de glans van vers gewette ploegen het houvast
van taboes gekoesterd wordt. Tikken van hoge hakken door
belletjesregen heen. Wolven gapen in hun diepe woud.
Het duurt niet lang meer: weldra is de grote hitte over.


Bij dit gedicht, zoals bij vele gedichten in deze anthologie, heb ik spijt dat ik Nederlands ken. Het moet heerlijk zijn om de klanken te laten passeren zonder naar de betekenis te moeten luisteren. De frivoliteit spettert uit de openingsregels. Je voelt de zomerbries gewoon door de woorden ruisen. Dit is poëzie van het heerlijke landleven, een idyllisch beeld dat je toelacht vanuit een schilderij van Pieter Brueghel.


Maar wat doe ik met de hel die uit de ezel valt. Ik ging te rade bij Google, maar die stuurde me de verkeerde richting uit. Vervolgens stuurde ik mezelf in de richting van een zetfout, maar ook hier liep ik tegen de muur van een vraagtekens. Nieuwsgierig als ik ben, besloot ik dan maar over te gaan tot wat ik zelden doe: ik vroeg het aan de dichter zelf. Nog dezelfde avond vond ik het verlossende antwoord in mijn mailbox:

(…) Hoewel ik vind dat poëzie niet uitgelegd moet worden, wil ik best aangeven dat de ezel en de hel te maken hebben met Scott Walker (ik verwijs elders in het boek ook naar zijn muziek).In het nummer Jolson and Jones op het album the Drift van dit genie is een geluid te horen dat ik interpreteer als dat van een ezel die klinkt als de duivel: http://www.youtube.com/watch?v=5fJ0_uWjMfk vanaf 2:42 om precies te zijn. Daarmee heb je de oorsprong. Duiding is natuurlijk nog iets anders.( …)

Heeft het me verder geholpen om het gedicht te begrijpen? Gelukkig niet, maar ik heb een fantastisch lied leren kennen in een gelijkaardig gedicht. Meer hoeft het voor mij niet te zijn.

In Eigen Terrein neemt de dichter de aandachtige lezer mee doorheen zijn poëtisch universum. Tijd en ruimte worden overgoten met een erudiete kennis van kunst en cultuur en verstillen tot werk van Morandi, bekend en tegelijk uitnodigend om verder te kijken dan het canvas. Tijdens de lectuur van de bundel beland ik in de Parijse cyclus Arrondissementen waaruit ik u nog graag laat kennismaken.

4. De dood in Parijs

X: DE LAATSTE POILU

Er werd altijd veel bij heuvels gesneuveld door jonge kerels
die het thuisfront dapper tegemoet grijnzen op anonieme
foto’s die nimmer werden opgehaald. Maar er zijn ook krijgers
die drie eeuwen aandoen. In het jaar waarin hij zijn leeftijd

met drie enen mocht gaan schrijven stierf Lazare Ponticelli,
de laatste poilu van La Grande Guerre. Hij was eenentwintig
toen de wapens zwegen, en hij had nog negen decennia te gaan.
Tegen het besluit van de Republiek om het stoffelijk overschot

van de laatste veteraan na een nationale uitvaart bij te zetten
in het Panthéon tekende hij protest aan. "Het is niet eerlijk om
de laatste af te wachten. Dit is een belediging voor alle anderen

die stierven zonder zo’n eerbetoon." Altaren zonder offers. Bij
het heengaan in messterk een winter dansten er op zijn netvlies
monden vol aardbeien, en verlangde hij al naar niemand meer.

Arrondissementen verscheen als bundel bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer in 2011 en werd integraal opgenomen in dit verzameld werk. Twintig gedichten, twintig Parijse arrondissementen. Elk gedicht in sonnetvorm. Bewust nergens een eindrijm om de nadruk te leggen op de inhoud.
Waarom begint Bevers de openingsregel met een passiefconstructie? Wil hij op die manier nog meer afstand creëren tussen heden en verleden? De tristesse druipt uit deze eerste zin. Meestal zijn foto’s herinneringen aan leuke momenten die je wil vereeuwigen. Hier verbergt de fotografische glimlach het leed van het front. De glimlach moet de familie geruststellen: alles komt in orde. Maar de foto’s worden niet meer opgehaald. Wellicht zijn ze achterhaald door het bericht dat de zoon des huizes gestorven is voor het vaderland. Officiële blablabla versus onnoemelijk leed. De overlevenden krijgen zelden een naam en verdwijnen tussen de plooien van de geschiedenis. Bevers echter geeft een van deze mensen echter een gezicht. Lazare Ponticelli was de laatste overgebleven veteraan van de Grote Oorlog. Hij stierf in 2008 op 111-jarige leeftijd. Bevers dwingt het leven van deze poilu in het strakke keurslijf van zijn sonnet, bijna honderd jaar na het militaire keurslijf van de Grote Oorlog. Geen hoogdravende woorden, bijna een simpele beschrijving van enkele feiten uit het leven van Ponticelli. Deze vanzelfsprekendheid wordt echter abrupt onderbroken in de laatste strofe. In onverholen kritiek wordt het Panthéon omgetoverd tot een altaar waar geen offers vielen. Ook de syntaxis voelt bevreemdend aan. Wat betekent het neologisme messterk binnen deze context? Wellicht speelt de dichter hier met het contrast tussen winter en aardbeien. Wie zo lang leeft, ziet de dood rondom zich heen. Ponticelli werd er al mee geconfronteerd op jonge leeftijd. De dood brandde wellicht langer op zijn netvliezen dan de monden vol aardbeien.


 
Terwijl ik deze recensie schrijf, verschijnt het bericht dat Stijn Vranken de nieuwe stadsdichter van Antwerpen wordt. Op de website van de Antwerpse schepen voor cultuur Philip Heylen lees ik: ‘(…) De adviescommissie draagt Stijn Vranken voor aan het college als kandidaat-stadsdichter 2014-2015 en motiveert de voordracht als volgt: Stijn Vranken (1974) is een dichter met gevoel voor taalplezier. Hij heeft zelden veel woorden nodig om de lezer een poëtische ervaring te schenken. Zijn poëzie is helder, verstaanbaar en vaak ook humoristisch. (…)’
De poëzie van Bevers is helder en doordacht zonder een moment hoogdravend te worden. Gelukkig is zijn poëzie niet humoristisch. Humor is een momentopname. Poëzie is eeuwig.

***
Bert Bevers (Bergen op Zoom, 1954) is dichter en beeldend kunstenaar. Hij werd genomineerd voor de Schrijversprijs der Brabantse Letteren (2003) en de Poëzieprijs Merendree (2007). Eigen terrein – Gedichten 1998-2013 is direct te verkrijgen bij de uitgever; portokosten:€ 2,31 voor Vlaamse bestellingen en € 3,00 voor Nederlandse.