Recensie van Archaïsch de dieren - Hester Knibbe

Het menselijk tekort

Hester Knibbe
Archaïsch de dieren
Uitgever: De Arbeiderspers
2014
ISBN 9789029589215
€ 18,95
84 blz.

Stel dat ik in een paar zinnen een karakteristiek zou moeten geven van Archaïsch de dieren. Ik zou dat als volgt doen:

Deze bundel gaat over de condition humaine. Grote schrijvers en dichters zijn Knibbe voorgegaan, maar het lijkt of zij daar als eerste over schrijft. Dat komt door haar onmiskenbaar persoonlijke werkwijze, zowel vormtechnisch als inhoudelijk. Daarnaast laat zij zien dat het schrijven van deze poëzie voor haar niet vrijblijvend is, maar noodzaak. Als je dat over kunt brengen, heb je een uitstekende vormbeheersing. Velen voelen hetzelfde, maar kunnen dat niet uitdrukken.

Misschien zou ik het bij deze opmerkingen moeten laten en de lezers de bundel vervolgens aanbevelen. Deze is zo rijk, dat iedere bespreking hem tekortdoet. Ik doe toch een poging.
Vooraf: Archaïsch de dieren is een tweeluik, bestaande uit Vrijspraak voor Kaïn en Er is altijd. Het eerste deel heeft vier subafdelingen, het tweede geen.

Vrijspraak voor Kaïn
La condition humaine, de roman van Malraux, werd door Du Perron vertaald met de titel Het menselijk tekort. Zijn interpretatie is ook op deze bundel van toepassing.
De afdeling heeft een motto van Queen, regels uit de song’ Bohemian Rapsody':

                    I see a little silhouetto of a man,
                    Scaramouche, Scaramouche, will you do the Fandango.
                    Thunderbolt and lightning,
                    Very, very fright’ning me.


De man is angstwekkend, hij vormt een gevaar. Ons gedrag als spel om een bedreiging te bezweren: dat is een belangrijk motief in Vrijspraak.

In tegenstelling tot dier en kind is een volwassene zich niet alleen van het heden bewust, maar ook van het verleden en de toekomst. Het gelukzalige hier en nu hebben zij moeten verlaten. Ze weten. Er is geboorte, maar ook de angst voor verlies. Er is toekomst met aan het einde de dood. En dat alles in een onherbergzame, onveilige wereld, waarin ook je medemens een bedreiging kan zijn.
Knibbe gebruikt de verdrijving uit het bijbelse paradijs als beeld voor la condition humaine. Adam en Eva, aangeduid met het universele ‘wij ‘, beginnen te twijfelen: een rivier komt ergens vandaan en gaat weer ergens naartoe, pitten die ze op de grond spugen ontkiemen. ‘Dus moest er wel// meer zijn onder de zon, iets/wat je aanvang zou kunnen noemen en einde.’ Gevolg: de verbanning die het begin is van alle ellende. Zonder een thuis kunnen mensen niet:

We zochten een weg naar slaapplaats
en blijven, hadden zo’n lijf

dat een plek wilde hebben iets
eigens van minstens twee armen wijd

En schuldig zijn ze niet: ‘hadden we/ hersens gekregen om niet te willen//weten? (… ) Hadden we dáár om gevraagd?’
Dit zijn tevens voorbeelden van Knibbes vaak ontnuchterende, licht humoristische stijl. Die maakt constateringen soms lichter, draaglijker, soms schrijnender.
De mens voelt zich bedreigd en eenzaam. Dat is het begin van godsdienst:

Eenzaamheid werd een stem
die ons toesprak, kreeg van die ogen. Doen

zei de stem ondanks je zachtheid ben je
geschapen voor de verwoesting.
Dat het

moest, blonken die ogen en dat we daarna
als een kind zouden slapen. ( … )

Wat moest is ‘profetieën schrijven over wat de wereld te veel heeft// tekortkomt en dat alleen een vonnis/ dat wegsnijdt en rafelt voorgoed/ kan genezen.’
En wat is het gevolg? We ‘bliezen in onze dooie// uppies verderf over het land opdat/ men zou weten van ons zou weten.’ 
Let wel, het gaat om een beeld. Je kunt bijvoorbeeld ook denken aan de heilsprofeet Marx en zijn toegewijde volgelingen Stalin en Mao.

Als de zaken zo staan moet je wel vrijspraak bepleiten voor Kaïn, zoon van Adam en Eva. Hij is barmhartig. Denkend aan zijn broer Abel overweegt hij het volgende:

Schuld is een afspraak. Ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger

te stijgen ( … )

Offer: een leven voor een gedachte.

Dacht: schuilt er dan een belofte
in dood? ik, zijn hoeder, zal hem uit erbarmen
van zijn povere staat hier op aarde
verlossen.

(Nog een bekende regel uit ‘Bohemian Rapsody': Mama, just killed a man – )

De laatste subafdeling van Vrijspraak voor Kaïn heeft als titel ‘Archaïsch de dieren’, net als de hele bundel en een gedicht dat hieronder nog aan de orde komt. Op het laatste gedicht na, bestaat dit gedeelte uit de serie ‘Thebe’. Knibbe was daar in 2012, waar zij vergeefs de restanten van het oude paleis buiten de stad probeerde terug te vinden. ‘Thebe’ doet natuurlijk ook denken aan het gedicht van Achterberg, waarin hij een geliefde uit de dood probeert op te roepen. In beide gevallen wordt nog eens benadrukt dat het verleden voorgoed onbereikbaar is en daarmee de doden die je het allerliefst waren. Het gruwelijkst is het als je een kind verliest. Dat kan alleen nog in de verbeelding bestaan:

Vannacht kwam hij thuis, jong als we waren
geen jaren verstreken, bekeek me en zei
je bent ouder geworden.
( … )
En ik gaf hem tijd en spelen

Al dit lijden wil je kinderen besparen, je wilt niet dat ze van het wrede leven weten. Laat hen onbezorgd leven in het paradijselijke hier en nu:

Onder de Melkweg zonovergoten
archaïsch de dieren. Maar laat

de kinderen met rust, zij moeten nog
komen te weten ( … )

Voor hun onwetendheid zijn desnoods zoenoffers beschikbaar, zegt de dichter gekscherend, zoals je haren zaligheid nagels of

( … ) een handvol
graan voor het brood dat je eet en zorgzaam
geeft aan het kind dat speels de muis aan
de kat voert, luid zingend de spin een poot
de duif een slagpen ontvreemdt.

De ironie is, dat ook kinderen in hun onwetendheid al wrede beesten zijn.

Archaïsch de dieren
Drie keer ‘Archaïsch de dieren’. Veel nadruk dus. In dit gedicht een beeld voor bedreiging, archaïsch omdat het om beelden uit de Egyptische oudheid gaat, maar ook omdat die bedreiging al sinds mensenheugenis bestaat. Als titel van de hele bundel: in hun overlevingsdrang zijn mensen wreed. De oudste delen van onze hersenen reageren als die van dieren. En, op een heel andere manier, een verwijzing naar het gelukzalige hier en nu in het paradijs, het ontbreken van het tragisch bewustzijn, alleen voorbehouden aan dieren en kinderen.

Het is niet uitsluitend droefenis. De subafdeling eindigt met het gedicht ‘Ja’. De liefde maakt het menselijk tekort aanvaardbaar:

( … ) we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.

( … )
we houden elkaar gewoon
Bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen

Mooi is de regelafbreking na zijn: ondanks alles zijn we, we leven.

Er is altijd
Er is altijd heeft geen subafdelingen en is aanmerkelijk korter dan Vrijspraak voor Kaïn. De toon is lichter en de bijbelse metaforiek ontbreekt vrijwel geheel. Wij zijn de uitvinders van ons verlangen, luidt het motto. Knibbe beschrijft op originele wijze een universele levenscyclus die zij op een persoonlijke manier uitwerkt:

Ook als het nest
een ratjetoe is
van toevallige
vondsten
legt zich het ei
en breekt
ten slotte.

Een belangrijk motief is het slordige hoofd, een eerste kindertekening van jezelf, het begin van een persoonlijkheid dus. Aanvankelijk is die tekening nog rudimentair:

( … ) met twee
ogen geen
mond nog wel
armen en benen geen
handen en voeten

Gaandeweg wordt die ingevuld: er komt een hand die begint aan een onvolmaakte curve: ‘het is tijd het is tijd het is// tijd voor ( … )’ en dan komt er een invulling. Tijdsbesef dus, maar op een veel lichtere manier dan in Kaïn. Aan het eind van het leven vindt het ‘oog in het slordige/ hoofd ( … ) zonder de moeite van handen en voeten de weg.’ Dit is een voorstelling van de dood: ‘er is altijd/ een laatste// breken door vlies en schaal.’

Tot slot
Ik hoop dat ik een goede indruk van deze bijzondere bundel heb gegeven. Er is nog veel meer: de wanhoop van de moeder die haar kind niet kan beschermen (‘de paniek van zijn moeder// die riep: er is noodweer op komst. Hij/ zat daar maar veel te niet bang’); de uitgeholde beschaving, verbeeld door het toeristenbezoek aan Jeruzalem: ‘op de kruisweg een luidruchtige bende/ met klikkende fototoestellen en amberkleurige/ kruidenverkopers, god hebbe hun handel.’
Een aanrader.


***
Hester Knibbe (1946) debuteerde in 1982 met de bundel Tussen gebaren en woorden. Nadien publiceerde zij nog een tiental bundels, waaronder Een hemd van vlees (1994), Een dunne duurzaamheid (1999), De buigzaamheid van steen (2005), Bedrieglijke dagen (2008) en Het hebben van schaduw (2011). Haar werk is bekroond met de Herman Gorterprijs (2000), de Anna Blamanprijs (2001) en, in 2009, de Adriaan Roland Holst-Penning. De uitreiking van de laatste viel vrijwel samen met de verschijning van Oogsteen. Een keuze uit de gedichten 1982-2008.