Recensie van Altijd een raam - Sylvie Marie

Een appel die verschil maakt

Sylvie Marie
Altijd een raam
Uitgever: Vrijdag | Podium
2014
ISBN 9789057596735
€ 16,50
64 blz.

Een appel is behalve lekker nog veel meer. Ik heb het weer gelezen. In een bundel die al dagen op mijn bureau ligt en die ik niet kan wegnemen:

appel

al dagen ligt een appel op het aanrecht,
ik kan hem niet wegnemen.

er staat een mand in de kast, daar past hij bij,
maar ik laat hem liever op het graniet
en beeld me in dat hij onderaan al krimpt.

ik wandel dagelijks tien keer in de keuken
aan de appel voorbij en ik zou meer
van de wereld moeten weten,
meedoen, vloeken, naar buiten.

maar zolang ik blijf, laat ik hem zijn,
nu nog is hij rond als de aarde,
ik, zijn satelliet.

als hij rot, ruk ik me los.
als ik me kan losrukken, gooi ik hem weg.

Wat gaat er in dit gedicht allemaal wel niet schuil achter de verboden vrucht! Inderdaad, van een gedicht dat nog in de maak is bij de dichter, tot een hele wereld: rond als de aarde als hij is. Sylvie Marie – want over haar nieuwe bundel Altijd een raam heb ik het – laat een appel een wereld van verschil maken!
‘Niet om te happen, maar om te snappen’ had er op een bordje naast de boom moeten staan: als Eva dat begrepen had was de vloekende ‘zondige’ wereld ook voor ons terra incognito gebleven. Helaas, het mocht niet zo zijn. En ja, onszelf beheersen is moeilijk wanneer we een obsessie hebben. De dichteres bedwingt zich nog een beetje, maar de lezer hapt toe. En trotseert de gevaren… De gevaren van fixatie. Wat valt daarover te zeggen?
Wie zich fixeert completeert met zijn bewustzijn in zekere zin het ding waarop het bewustzijn zich richt. Hoe groter de fixatie, hoe kleiner (nauwer) het bewustzijn. Bedenk ik bij mezelf. Even uitproberen… Ja, blindstarend ben ik er echt helemaal van overtuigd: de appel staat voor de toekomst (of wellicht voor ons lichaam), en de ‘ik’, zijn satelliet, is ons bewustzijn! Het harde graniet in de tweede strofe is een beeld voor de onherroepelijkheid van de tijd, die de toekomst (ons lichaam) laat verschrompelen. Hebbes! Geweldig! Nu stoppen!
Staan er nog meer goeie gedichten in deze bundel? Jawel:

zakdoek

mensen zijn niet voor elkaar gemaakt
als ze zeggen: je hebt zo’n mooie neus,
daar zou je iets mee moeten doen.

ik had je kunnen houden als je me zo nam
dat jij schelp werd, ik slak, we perfect sloten,
maar slijm was het enige wat kwam.

toch dacht ik bij je uitzwaaien
aan de zakdoek in mijn broek, het idee
een knoop te moeten leggen, die vast

te grijpen zodat telkens je verder trekt,
hij aanspant, ik me alles
almaar beter herinner.

Na de mooie neus in de eerste strofe kan het geen kwaad om te bedenken dat een schelp en een slak(kenhuis) als onderdelen van een oor kunnen worden opgevat (ja, ja, men moet daar een neus voor hebben). In de tweede strofe is er echter geen sprake van een oor en (dus) ook niet van oorsmeer. De slak en de schelp laten alleen ruimte voor ‘slijm’, en dat laat de ontmoeting zeker niet ‘gesmeerd’ verlopen… Maar de tegenstelling tussen ‘slijm’ en ‘smeer’ werkt wél gesmeerd: een gave illustratie van hoe een metafoor die alleen in de lucht hangt toch functioneert!
In de laatste twee strofen wordt deze miskleun van een date fraai verder uitgewerkt: het woordje ‘toch’, aan het begin van de derde strofe, zet de lezer even op het verkeerde been: alsof de ik-persoon toch iets voor de ‘je’ voelt. Maar dat blijkt ijdele hoop waar het woordje ‘als’, dat men zou verwachten na ‘telkens’ in de vierde strofe, schitterend is weggelaten: het is alleen de ervaring (de opgedane kennis), die door de ‘ik’ wordt gewaardeerd. Wellicht om zichzelf dergelijke ontmoetingen in de toekomst te besparen. Prachtig specimen van het kunnen van de dichteres, dit gedicht. Ondanks dat dunne breuklijntje dat stiekem loopt tussen de eerste en de tweede helft; die zoals een neus en een zakdoek bij elkaar horen, dat wel.

Heel mooi is:

slaapliedje

leg gerust je volle lengte neer.
je arm mag onder die van mij, je benen
rondom de mijne gestrengeld en ik
kan zelfs je hand in mijn hand
aan. het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil
lossen en de nacht is zacht, maar ook hard zwart.
jij, ik, we hebben enkelvouden te delen,
het bed, de hitte, het duister. vreemd,
we houden zo veel over.

Voor wie denkt dat dit niet veel om het lijf heeft: dat klopt (ook). Plakkerig sfeertje: twee mensen die tegen elkaar liggen tijdens een zwoele nacht. Gaat het over liefde (seks)? Het lijkt er even op, maar ‘het is heet, maar niet zo heet dat ik je wil…’ neemt in de volgende regel een andere wending. Nee, met die enkelvouden verderop is dit meer een gedicht over de onmogelijkheid dan de mogelijkheid om iets met elkaar te delen.
Voor wie meer wil lezen dan er staat – en wie wil dat niet – is het einde van de tweede zin interessant: ‘ik kan zelfs je hand in mijn hand aan’. Dat lees ik met een flinke dosis fixatie en enige fantasie als: ik kan zelfs je hand, terwijl die zich in mijn hand bevindt, aan (als een handschoen!). Natuurlijk heeft ‘aan kunnen’ hier vooral ook die andere voor ‘de hand’ liggende betekenis van ‘ertegen kunnen’, maar een hand die tegelijkertijd in en om (en dus buiten) een andere hand zit, raakt wel aan de kern van dit gedicht (en misschien van de hele bundel), die de paradoxale opgave stelt van elke relatie: want hoe kunnen we onze verschillen delen? Hoe zit dat met die eenheid die zich als een dualiteit presenteert?

Goeie gelegenheid om mijn fixatie te botvieren. Wat als ‘jij’ en ‘ik’ helemaal niet twee mensen zijn, maar zoals in het appel-gedicht weer lichaam en geest (bewustzijn)? Natuurlijk, ik weet het: de geest bestaat helemaal niet: enkel een handige constructie van ons brein, een praktisch homunculusnusje (bla, bla, bla). Maar toch, even (het is maar een gedachte): wat als de geest wél zou bestaan en als een ‘ik’ in dit gedicht zijn relatie met het lichaam becommentarieert? Legt dan niet het lichaam zich in zijn volle lengte neer, zoals het leven zich in de tijd uitstrekt? En ‘bewoont’ dan niet, zoals in ‘Het Veer’ van Martinus Nijhoff, het lichaam de geest, omdat de geest zich misschien verder in de tijd kan uitstrekken dan het lichaam? Allemaal verbeelding natuurlijk, maar in deze bundel met zoveel binnens en buitens geen onmogelijkheid. De hitte van het lichaam en het duister van de dood en van de geest…(wauw!) Het is maar hoe gefixeerd je bent – hoe je bent gefixeerd. En tenslotte is daar nog die andere dualiteit: die van taal en werkelijkheid.

Taal is een wonder, waarin dingen kunnen die praktisch niet kunnen. Dat maakt taal een beetje een wereld op zichzelf: een wereld apart van de ‘echte’ wereld. Juan Ramon Jiménez schreef in het Spaans al dat onze gedachten (onze woorden) meer ons thuisland zijn dan de wereld zelf. Ook andere dichters lopen (heel) soms tegen de grens tussen die beide aan: Sylvie Marie in dit één na laatste gedicht van haar bundel?

het laatste wat ik van haar zag,
was haar hand.

of neen, niet eens haar hand was het
die uit het treinraam zwaaide,
het was haar hand met schoen omheen,
hoes van dik katoen en wol.

ik kon al haar vingers bedenken:
een voor een, en toch ook niet.
haar echte hand werd het nooit.

altijd bleef het iets anders,
een boog met snuit,
een want.

Alleen al door deze grens te naderen levert de dichteres een grote prestatie. Nooit zullen we de wereld helemaal begrijpen, zullen we haar precies vatten in de taal, die niet hand in hand, maar hand in want meegaat. ‘Het’ ontglipt ons waar de taal van verschilt en waar ze uiteindelijk ook alleen maar een want is, een verlangen: het uiterst bereikbare.

***
Sylvie Marie (Tielt, 1984) debuteerde met Zonder (2009). Haar tweede bundel Toen je me ten huwelijk vroeg (2011) werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs, de J.C. Bloemprijs en de Eline van Haarenprijs.
Site: http://www.sylviemarie.be/