Gedichten

door Alda Merini (1931)
Lettere

Rivedo le tue lettere d’amore
illuminata adesso da un distacco,
senza quasi rancore.

L’illusione era forte a sostenerci,
ci reggevamo entrambi negli abbracci,
pregando che durassero gli intenti.
Ci promettemmo il sempre degli amanti,
certi nei nostri spiriti divini.

E hai potuto lasciarmi,
e hai potuto intuire un’altra luce
che seguitasse dopo le mie spalle.

Mi hai resuscitato dalle scarse origini
con richiami di musica divina,
mi hai resa divergenza di dolore,
spazio, per la tua vita di ricerca
per abitarmi il tempo di un errore.

E mi hai lasciato solo le tue lettere,
onde io le ribevessi nella tua assenza.


Brieven

Opnieuw zie ik jouw liefdesbrieven
nu in het licht van een afstand;
haast zonder een sprankje wrok

De illusie gaf ons kracht;
we hielden elkaar in omhelzingen vast
in de hoop dat intenties eeuwig zouden duren
we beloofden elkaar het «voor altijd» van geliefden
zo zeker waren wij van onze onsterfelijkheid

En toch heb je me kunnen verlaten
je ontdekte een ander licht
achter mijn rug om, zonder dat ik het wist

Je wekte me tot leven
uit een armzalige bron
met verlokkingen van goddelijke klanken
je liet me creperen van pijn
ruimte wilde jij, voor jouw leven van onderzoek
je woonde in mij als een vergissing van de tijd.

En je liet me slechts jouw brieven na
waaruit ik dorstig drink in jouw afwezigheid.


*


Ah se almeno potessi

suscitare l’amore come pendio sicuro al mio destino!
E adagiare il respiro
fitto dentro le foglie
e ritogliere il senso alla natura!

O se solo potessi
corpo astrale del nostro viver solo
pur rimanendo pietra, inizio, sponda
tangibile agli dei
e violare i più chiusi paradisi
solo con la sostanza dell’affetto.


Ach kon ik maar

de liefde afdwingen
als onontkoombare helling naar mijn bestemming !
En kon ik maar het zuchten
in het dicht gebladerte
tot kalmte manen
en de ziel van de natuur wegnemen!

O kon ik toch maar
hemellichaam van ons eenzaam leven
onverbiddelijk als steen, de aanvang
en de oever slechts bereikbaar voor de goden
de toegang tot verboden paradijzen schenden
door de kracht van genegenheid alleen.


*


A tutte le donne

Fragile, opulente donna, matrice del paradiso
sei un granello di colpa
anche agli occhi di Dio
malgrado le tue sante guerre
per l’emancipazione.
Spaccarono la tua bellezza
e rimane uno scheletro d’amore
che pero grida ancora vendetta
e soltanto tu riesci
ancora a piangere
poi ti volgi e vedi ancora i tuoi figli,
poi ti volti e non sai ancora dire
e taci mervigliata
e allora diventi grande come la terra
e innalzi il tuo canto d’amore.


Voor alle vrouwen

Kwetsbare, weelderige vrouw, oermoeder van het paradijs
je draagt een kiem van schuld
ook in de ogen van god
de heilige oorlogen die je voerde
om zelfbevrijding ten spijt.
Verwoest hebben ze jouw schoonheid
slecht een geraamte van de liefde rest.
Alleen jij bent nog in staat
om tranen te laten
dan keer je je om en kijkt naar jouw kinderen
dan keer je je om maar weet niet wat te zeggen
en je zwijgt in verwondering
je wordt groot als de aarde
en je zet jouw liefdeslied in.


*


Bambino

Bambino, se trovi l’acquilone della tua fantasia
legalo con l’intelligenza del cuore.
Vedrai sorgere giardini incantati
e tua madre diventerà una pianta
che ti coprirà con le sue foglie.
Fa delle tue mani due bianche colombe
che portino la pace ovunque
e l’ordine delle cose.
Ma prima di imparare a scrivere
guardati nell’acqua del sentimento.


Kind

Kind, als je de vlieger van je dromen vindt
bind hem dan vast met de intelligentie van je hart.
Ongerepte tuinen zie je verrijzen,
en je moeder verandert in een plant
ze bedekt je met al haar bladeren.
Maak van je handen twee witte duiven
die vrede zullen brengen overal
en orde in de dingen.
Maar kijk voordat je leert schrijven
eerst goed in de spiegel van je gevoel.


*


La terra santa

Ho conosciuto Gericho
ho avuto anch’io la mia Palestina,
le mura del manicomio
erano le mura di Gerico
e una pozza di acqua infettata
ci ha battezzati tutti.
Lì dentro eravamo ebrei
e i Farisei erano in alto
e c’era anche il Messia
confuso dentro la folla :
un pazzo che urlava al Cielo
tutto il suo amore in Dio.
Noi tutti, branco di asceti
eravamo come gli uccelli
e ogni tanto una rete
oscura ci imprigionava
ma andavamo verso le messe,
le messe di Nostro signore
e Cristo il Salvatore.
Fummo lavati e sepolti,
Odoravamo di incenso.
E, dopo, quando amavamo,
ci facevano gli elettrochoc
perchè dicevano un pazzo
non può amare nessuno.
Ma un giorno che da dentro l’avello
anch’io mi sono ridestata
e anch’io come Gesù
ho avuto la mia resurrezione
ma non sono salita ai cieli
sono discesa all’inferno
da dove riguardo stupita
le mura di Gerico antica.


Het heilige land


Ik heb Jericho gekend
ook ik heb mijn Palestina gehad,
de muren van een inrichting
waren de muren van Jericho
door een put verontreinigd water
werden wij allen gedoopt.
Binnen die muren waren wij als Joden
Farizeeërs in de hoogte
de Messias was er ook
verward stond hij in de menigte :
een gek die naar de hemel riep
en zijn liefde voor God uitschreeuwde.
Wij, een kudde asceten
wij waren als vogels
en soms was een donker net
dat ons omsloot
maar toch gingen we naar de mis,
de mis van Onze Lieve Heer
en Christus onze redder.
We werden gewassen en begraven,
we geurden naar wierook.
En later toen we hem liefhadden,
gaven ze ons elektrische schokken
want, zo zeiden ze,
een gek kan van niemand houden.
Maar op een dag vanuit het graf
ben ook ik verrezen
en net als Jezus Christus
heb ik mijn wederopstanding gehad,
maar ik steeg niet ten hemel
ik daalde af naar de hel
van waaruit ik opnieuw verwonderd keek
naar de muren van het oude Jericho.


vertaling : Antoinette Sisto en Lotje Lomme


Gedichten zijn afkomstig van de website : http://www.aldamerini.it/