Recensie van Vangst - Onno Kosters

Een onvertimmerd huis

Onno Kosters
Vangst
Uitgever: Atlas Contact
2014
ISBN 9789025444150
€ 21,99
76 blz.
 
In zijn boeiende lezing: Opa vertelt, of: Opa vertelt, II: In de herhaling uit 2013 zei Kosters over zijn poëzie:
 
 ‘Mijn poëtica, of laat ik gewoon zeggen, mijn beste poëzie, wordt vaak verwoord door werkelijk bestaande spreekbuizen, die ik verzin (Dirty Harry, Weldon Kees’ Robinson, James Boswell, Belle van Zuylen, Willem Schouten van Hoorn ( … ) ). Mijn poëzie is niet vies van een retorische truc, een invalshoek of uitgangspunt dat anti-hermetisch is of een poging tot meer straatrumoer. Mijn poëzie leeft omdat ze de buitenlucht ademt: in- en uit-, en ademt.’
( … )
Zo ik al een poëtica heb, is die er een waarin doorheen het theatrale, het geweld, de tederheid, de buitenstebinnen gekeerde buitenwereld en de binnenstebuiten gekeerde binnenwereld, doorheen het plezier van en om de tekst, doorheen het ritme, de klank, het verhaal dat abstract is en toch ergens heengaat, een onvertimmerd huis telkens wordt opgetrokken; een huis met
vele kamers, dat de lezer uitnodigt steeds opnieuw te bezoeken. En een huis waarin mijn eigenste zelf ook altijd rondspookt.’
 
Kosters nodigt zijn lezers uit om de bundel steeds opnieuw te bezoeken en dat moet ook wel. Sommige gedichten geven zich niet makkelijk prijs, maar de doorzetter wordt ruimschoots beloond: Vangst is een heel goede bundel.
Van verwijzingen moet je houden; sommige lezers raken erdoor geïrriteerd, zeker als ze zo’n uitgebreid gebied bestrijken: literatuur, non-fictie, popmuziek, film en eigen werk. Ik leg zo’n bundel niet weg, tenminste, als die verwijzingen een meerwaarde hebben. En die hebben ze bij Kosters. Bovendien is hij niet te beroerd belangrijke citaten te cursiveren en als je die niet kent, heb je altijd Google bij de hand.
 
Neem bijvoorbeeld ‘De andere wereld’, een prachtige cyclus van achttien gelijkvormige gedichten, waarin de ‘ik’ reflecteert op de verhouding vader en zoon, de relatie met zijn vriendin en op het schrijven van poëzie. Hij beschrijft een gang naar de onderwereld, verbeeld door de Amsterdamse metro en varieert daarmee op Seamon Heany, van wie hij samen met Han van der Vegt District and circle vertaalde. Bij Heany daalt de hoofdpersoon eveneens af naar de onderwereld, in dit geval de Londense metro, en wel naar een jeugd die voorgoed voorbij is en alleen nog in zijn herinneringen bestaat. Ook hij laat zijn poëzie ademen met talloze verwijzingen. Kosters maakt de verwantschap op de volgende manier kenbaar: ‘Ik las dat ik de tram naar Weesperplein nam / en daalde: als Seamus zelf – maar anders – / onze arme eenarmige ondergrond in ging.’ Hij laat daarmee mijns inziens ook zien dat hem tegenover Heany bescheidenheid past: het uitgebreide netwerk van de Londense metro tegenover de arme eenarmige metro van Amsterdam. De ‘ik’ moet onder andere keuzes maken, maar hij weet niet welke: ‘In het rijtuig op stroken de tussenstations / die een keuze dicteerden (niet welke)’. Daarin klinkt de echo van The Road Not Taken van Robert Frost door.
 
‘De andere wereld’ is een raamvertelling. De ‘ik’ is op zoek: ‘Op zoek naar een tweedehands epos / – desnoods een eigen, zolang het nieuw is – / struin ik de stalletjes af op het Spui’. Hij krijgt dat eigen epos, zij het op een heel andere manier dan hij bedoelde: het is een boek waarin hij zijn eigen leven beschreven ziet: ‘Scherper dan ik zelf ooit zou kunnen schreef hier / een oogverdoofd dichter met horten / van wat passeerde en wat bleef in het verschiet.’ Hij krijgt het boek ter inzage van een handelaar die ziet wat hij zoekt: ‘Hij reikt het me aan uit zijn benige vingers, / van onder zijn mocro-muts schittert een blik / die mij weerspiegelt: ik zie mezelf staan, // in zichzelf geschopt schepsel, spelende man / aan wie een terrible beauty passeerde’. Het lijkt wel het begin van een gothic novel. En die ‘terrible beauty’ kan een dubbele verwijzing zijn: in de eerste plaats naar ‘la belle dame sans merci’, het literaire motief uit de negentiende eeuw en in de tweede plaats naar de roman A great and terrible beauty van Libba Brey. Daarin herkent de hoofdpersoon in een gevonden dagboek de toekomstvisioenen van haar overleden moeder die gelijk zijn aan die van haarzelf.
 
Heb je deze verwijzingen nodig om de cyclus te begrijpen? Nee. Zo schrijft de ‘ik’ dat zijn inmiddels overleden vader ‘de grote verdwijntruc’ toepaste. Het is niet nodig om te weten dat dit de titel is van een van Kosters’ vorige bundels: het wordt vanzelf duidelijk waaruit de truc bestaat. Wel geven die verwijzingen de adem, de ruimte waarover hij sprak.
 
Kosters sprak in zijn lezing ook over een ‘onvertimmerd huis’. Dat maakt zijn poëzie extra boeiend. Variaties op vroeger geschreven poëzie werken op een gegeven moment niet meer. Er is van tijd tot tijd een nieuw begin nodig:
 
Verloop
 
Verloop
is een kwestie van tijd
zei de aannemer mij
die zijn offerte nog steeds niet gestand wist.
Als de herbouw hier toeslaat, eenvoudig
 
omdat de aanleunwoning die je bouwde
wegzakt in zand (er was eens een mannetje)
bij gebrek aan een huis dat daar staat als je stem
huis zonder blinden of hekken of wingerd
 
herstelt zich het blikveld en slingert het
lood uit:
schiet het vanzelf in het lood.
 
Dus tekent u maar.
Bij het kruisje.
 
Ook binnen de bundel is de variatie groot. In ‘Maar Nausikaä dacht aan iets anders’, zeer vrij naar Homerus, schuwt Kosters de lol niet. Geen humor, maar lol en de combinatie daarvan met de status van de Odyssee, zijn gevoel voor zowel Homerus’ stijl als voor hedendaags taalgebruik, levert hilarische passages op. Odysseus, aangespoeld op het strand van Scheria, wordt opgemerkt door koningsdochter Nausikaä. Zij was ‘die dag / met [haar] meiden gewoon / naar het zomerse strand.’ Hij heeft
 
een dinges waarom
wij gilden van ’t lachen
zo liederlijk lang
dat zijn pogingen hem te verbergen
bespottelijk leken, bizar
( … )
zijn pik
(hier laaft zich dat woord
alsnog aan mijn mond)
was de schrik
nog geenszins te boven en trilde
voor allen zichtbaar
in het donker daar achter
zijn bollende handen
de kom ze vormden
een schat in zich vattend
die ik zelf zonder schroom in mijn eigen
zacht van het wassen
masserende handen zou pakken en afstropen tot ik
de macht van de glans ervan afspatten zien zou en koesteren tegen
mijn vingerzoekend
schoonlokkig
vruchtvattend midden.
 
Het lange gedicht ‘De doper’, in drie verschillende lettertypen en met een onderverdeling van 1.1 tot en met 11.1, is ingewikkeld. Kenners van de zanger Wovenhand met zijn ‘music from the old world, the new world and another world’, zullen er minder moeite mee hebben, omdat zij zijn teksten kennen. Wovenhand bezoekt als virus de laptop van de dichter: ‘Ik dring bij je binnen | creëer je verleiding | mij te creëren ( … ) noem mij Baptist | Baptist 2.0’  (John the Baptist is Johannes de Doper – deze blijkt voor te komen in songteksten die Wovenhand brengt op het concert dat de dichter met vrienden bezoekt). Na een geestelijke zoektocht –  ‘in de holten, in de holten van mijn schedel een verstoring’ – , kan de dichter zijn laptop weer opstarten.
Voor mij is dit lange gedicht deels onbegrijpelijk – dat blijkt wellicht uit deze weergave – , maar desondanks boeiend. Neem de volgende prachtige passage over een ‘bijna-ongeluk’, waarin de dichter
 
onder een gecapitonneerd juk, levend en wel,
ononthoofd door een ijzeren, zachtjes uitbollende
zacht op ons afstormende bumper
met een O zo symbolisch beschilderd nummerbord
met TIR- en LONG VEHICLE-schilden en een
LORRY DRIVERS DO IT ALL DAY LONG-sticker
onder steeds dodelijker wordende deuren
met daarop PASSIES VERHUIZERS geschilderd
het hart in de schoot
de keel in de maag
naar huis mag
langs de rivier die dicht ligt
 
‘De contra-arm (Slow motion)’, het stadsgedicht Utrecht van 2011, heeft weer een heel ander karakter. Bij iedere Utrechter die Frans de Munck, de zwarte panter, bij DOS heeft zien keepen gaat bij lezing van dit gedicht het ‘hartsie open’. Het is een lange lofzang in twee zinnen. Ik citeer de eerste en voorlaatste strofe:
 
O, zo aan de dans ontstegen stap uit zichzelf
sprong in het zwart naar de kruising rechtsboven,
de torso die tolt rond de spil van zijn middel
de arm die balans in het niets biedt rechtsonder
 
( … )
 
de stap uit zichzelf, de sprong in het zwart
het roofdier, zijn kooi schoon, de tred vertraagd
de haren gestroomlijnd, de mond die de mond
van de filmdiva zoekt, de kus die hem roept.
 
Zo was De Munck. Zo en niet anders.
 
Vangst is een goede bundel. Na de uiteenzetting van zijn poëtica zegt Kosters: ‘Waarmee opa maar wil zeggen: laat nu de literatuurgeschiedenis maar komen.’ Opa zou best eens gelijk kunnen hebben. Vangst is een goudmijn voor ambitieuze promovendi – dat is alvast een begin.
 

***
Onno Kosters (1962) is dichter, vertaler, docent-onderzoeker. Hij studeerde Engels en Literatuurwetenschap en promoveerde in 1999 op het werk van James Joyce.
Hij is vertaler van Seamus Heaney en Samuel Beckett (zijn vertaling van diens roman Watt werd bekroond met de Filter Vertaalprijs 2007) en hij won met het gedicht ‘Doe-het-zelf’ de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012.
In 2004 verscheen zijn debuutbundel Callahan en andere gedaanten, in 2007 zijn bundel De grote verdwijntruc, in 2010 Anatomie van het slik.