Interview met Saskia Stehouwer

Ik voel me prettig in mijn eigen woorden

 
Saskia Stehouwer (1975) studeerde Nederlands en Engels aan de Universiteit van Amsterdam. Na haar studie werkte ze jarenlang als redacteur en projectleider voor Savusa, het Zuid-Afrika instituut van de Vrije Universiteit. Vorig jaar oktober verscheen bij uitgeverij Marmer haar verrassende poëziedebuut Wachtkamers. Antoinette Sisto had het genoegen Saskia te mogen interviewen, op een koude zonnige januari ochtend bij haar thuis.

Saskia StehouwerJe hebt je tijdens je studie Nederlands intensief met taal en literatuur bezig gehouden. Hoe en wanneer is je liefde voor poëzie ontstaan?
Schrijven voelde altijd als iets natuurlijks, iets wat bij mij hoort. Mijn eerste gedichten schreef ik toen ik zestien was. Ik zat niet lekker in mijn vel en wilde op die manier lucht geven aan mijn gevoelens. Na de middelbare school wist ik niet wat ik wilde en vertrok voor een jaar naar Engeland om in Exeter te studeren. Een jaar alleen in het buitenland was voor mij een sociale en emotionele leerschool. Ik moest opeens iedere dag in een andere taal communiceren. Dat had als voordeel dat ik mezelf als het ware opnieuw uitvond. Ik kon een ander zijn, die sprak met andere woorden en zich uitdrukte op een nieuwe manier. Toen ik terugkwam uit Engeland wist ik opeens wél wat ik wilde: Nederlands en Engels studeren aan de universiteit. Ik herinner me nog goed dat we tijdens een poëziecollege van Ton van Deel met een groepje van vijf studenten wel twee uur lang een gedicht van Rutger Kopland hebben besproken. Het was een oefening in zorgvuldig lezen, een openbaring voor mij. Ik denk dat toen mijn liefde voor poëzie echt begonnen is.

Je had nooit een dichter die je grote inspirator was?
Nee, tenminste niet één dichter in het bijzonder. Ik heb wel grote bewondering voor Breyten Breytenbach en Antjie Krog. Zuid-Afrikaanse dichters schrijven op de een of andere manier veel urgenter, ze zijn meer maatschappijbewust. Verder vind ik het lange gedicht ‘De zon’ van Arjen Duinker een heel mooi gedicht en het magisch realisme van Peter Holvoet-Hanssen – alsof er luikjes naar een andere wereld worden geopend – spreekt me erg aan. Ook een dichteres zoals Astrid Lampe inspireert mij. Zij verstaat de kunst om alles in taal en taalbouwsels om te zetten. Het maakt dat ik zelf zin krijg om met woorden te spelen.

Wat vind je van een hermetisch dichter als Hans Faverey. Is de manier waarop hij dichtte ook een spel met woorden?
Zijn doel was denk ik om dingen op een nieuwe manier te zeggen, dat is ook een vorm van engagement. Bij zijn poëzie zie je ook dat urgente, hij vond een geheel nieuwe manier, met nieuwe structuren, om iets te zeggen.

Had je na je studie plannen om te gaan schrijven?
Na mijn studie twijfelde ik of ik een promotie-onderzoek zou doen of niet. Ik ben toen als secretaresse bij de Vrije Universiteit gaan werken, dat gaf me tijd om na te denken. Langzaam maar zeker rolde ik in een soort pioniersbaan. Ik werd redacteur en projectleider van Savusa, het Zuid-Afrika instituut van de VU, dat door drie collega’s was opgezet. Ik vond het leuk om het mee te helpen opbouwen, zo betrokken te zijn bij iets nieuws. Als redacteur en contactpersoon van het instituut onderhield ik contacten met uitgevers, las wetenschappelijke manuscripten en verzorgde de opmaak ervan. Het was een leuke baan, maar ik was eigenlijk alleen maar bezig met de woorden van anderen. Dat begon een beetje aan me te knagen. Ik ben toen toch aan een promotie-onderzoek begonnen. Drie dagen per week werkte ik voor Savusa en twee dagen schreef ik aan mijn proefschrift Landscape and belonging in South African poetry. Ondanks dat ik veel ideeën had vond ik het toch te theoretisch en het onderwerp was te omvangrijk. Ik kwam erachter dat ik veel liever zelf poëzie schrijf.

Je debuutbundel Wachtkamers verscheen afgelopen oktober. Hoe kijk je terug op het schrijfproces?
Nadat ik eind 2010 een burn-out kreeg, besloot ik om mijn proefschrift niet af te ronden. Lange stukken lezen ging niet meer, ik had überhaupt moeite om nieuwe input te verwerken. Gek genoeg ontstond er toen wel ruimte om te dichten. Ik had opeens genoeg stof om over te schrijven. Mijn gedichten en aanzetten tot gedichten schrijf ik altijd eerst met de hand in een opschrijfboekje. Ik zorg er ervoor dat ik altijd een opschrijfboekje en een pen bij me heb. Tegenwoordig werk ik in een natuurwinkel en ook als tuinman, ik breng veel tijd buiten door in de natuur. Zo zijn de gedichten uit mijn bundel Wachtkamers ook ontstaan: buiten, tijdens wandelingen in de natuur, soms door de duinen en soms in de buurt van mijn volkstuin waar ik ook een huisje heb. De natuur geeft me rust, het is mijn grootste inspiratiebron.

Wat betekent poëzie voor jou?
Het schrijven van poëzie ervaar ik haast als iets lichamelijks. Alles wat zich in mij ophoopt en vastzet, vindt door het schrijven van gedichten een natuurlijke weg naar buiten. Daarom is dichten een vanzelfsprekende manier om me uit te drukken. Het mooie van poëzie is ook dat er geen grenzen zijn. Je kunt een kleine wereld scheppen en die heel erg naar je eigen hand zetten. Met weinig woorden iets heel krachtigs zeggen. Een gedicht neemt doorgaans maar één bladzijde in beslag, die de lezer met een blik kan overzien.

Geef je graag poëzievoordrachten?
Al jaren ging ik regelmatig met mijn man (Tsead Bruinja, red.) mee naar Poëziefestivals zoals bijvoorbeeld Poetry International of Dichters in de Prinsentuin. Poëzie luisteren inspireert me haast nog meer dan poëzie lezen. Vroeger had ik moeite om gedichten voor te dragen, maar nu vind ik het fijn om te doen. Dat komt waarschijnlijk doordat ik me prettig voel in mijn eigen woorden. Ze hebben me een nieuw thuis gegeven.

Wachtkamers lijkt een bundel van transitie, een toestand waarin de ‘ik’ afscheid neemt van de ene tijd om een onbekende andere tijd tegemoet te gaan. Zou je kunnen stellen dat de hoofdpersoon op zoek gaat naar een nieuw leven?
Ja, dat klopt. De titel van mijn bundel verwijst naar de afgelopen vier jaar. Ik moest toen een pas op de plaats maken. Alles wat ik vroeger als normaal beschouwde was veranderd. Het is in zekere zin een bundel die het aftasten als thema heeft, het opnieuw leren kijken naar het leven.

Ben je van mening dat poëzie een duidelijke boodschap moet hebben of mag het ook een spel met taal zijn?
Het kan allebei. Ik vind het mooi wanneer een gedicht een nieuw gezichtspunt geeft, een andere blik op de werkelijkheid. Het moet iemand aan het denken of voelen zetten, er moet iets in het gedicht gebeuren. Als het goed is moet er, nadat je het gelezen hebt, iets verschoven zijn in je hoofd.

Meer informatie over Saskia Stehouwer kun je vinden op haar website.
Wachtkamers werd voor Meander besproken door Ivan Sacharov.