Recensie van De man van vroeger - Victor Schiferli

Het eeuwige heden van de man van vroeger

Victor Schiferli
De man van vroeger
Uitgever: De Arbeiderspers
2015
ISBN 9789029539395
€ 18,99
64 blz.

Meestal wanneer ik een onbekende bundel van een voor mij onbekende dichter begin te lezen, zet ik mijn verwachting op een laag pitje. Het is mij zo vaak al tegen gevallen wat ik las, dat ik mij graag een nieuwe teleurstelling bespaar. Victor Schiferli kende ik alleen van naam. Jammer! De man van vroeger, zijn nieuwste bundel heeft mij hongerig gemaakt naar zijn oudere werk. Wat een dichter!
Ik sloeg de bundel dus open, en begon te lezen. Na het eerste gedicht lag ik hinnikend van het lachen in mijn stoel. Dit was niet leuk meer, dit was geniaal.

Nu moet ik eerst iets uitleggen:
Ik was op de openingsavond van Poetry International, toen alle deelnemende dichters zouden worden voorgesteld aan het publiek. Het irriteerde mij dat een aantal mensen achter mij zat te wachten op het moment dat ze in lachen uit konden barsten en zich al luidruchtig grinnikend voorbereidden op de te verwachten kwinkslagen. En ja hoor: wanneer een zin in een gedicht maar riekte naar humor, werd er al uitbundig gehinnikt. Wat dat betreft is het dichterlijke milieu al jaren behoorlijk verpest.
Er zijn nogal wat dichters die zich ontpoppen tot slechte cabaretiers. Jammer.

Mijn ervaring met De man van vroeger is van een totaal andere orde. Schiferli probeert ons niet aan het lachen te krijgen; hij heeft ons iets te vertellen, iets ernstigs. Dat klinkt behoorlijk ouderwets, maar toch is dat feitelijk wat elke poëzieminnaar zoekt. Hoe cryptisch een gedicht ook mag zijn, hoe hermetisch een gedicht ook mag lijken, een deel van het plezier dat we beleven bij het lezen van poëzie bestaat uit het ontdekken van het verhaal. Het grote verschil met proza ligt in het vermogen van poëzie om de grenzen van het verhaal te doorbreken. Om het simpel te zeggen: de gelaagdheid. Het verhaal van een goed gedicht valt niet na te vertellen.
Dat de humor van de poëzie van Schiferli te maken heeft met zijn heldere gevoel voor verhoudingen, zal elke lezer duidelijk zijn die het eerste gedicht van de bundel leest:

DE MAN VAN VROEGER VERSTOPT EIEREN

Soms kom je de man van vroeger tegen.
De man die eieren in de tuin verstopte,
zo goed dat niemand ze terug vond.

Hij zegt: kinderen zijn niet zo leuk.
Soms zijn ze leuk, in een wagentje,
als je ze mag voortduwen op de hei.

Je weet niet of je daarom mag lachen.
Misschien bedoelt hij het serieus.
Misschien stelt hij je op de proef.

Of misschien moet je het negeren,
verstond je hem gewoon verkeerd,
er is hier geen heide in de buurt.

Daar gaat hij, de man van vroeger,
ergens in de holte van zijn jaszak
draait zijn hand zich om en om.

 
Om bij de laatste regel te beginnen: Je hand ergens niet voor om draaien, betekent dat iets je geen moeite kost. Dat de man zijn hand zich om en om draait zou dus kunnen betekenen dat het leven hem zwaar valt. Maar het is erger: niet hij draait zijn hand om en om, het gebeurt gewoon. Die slaafse overgave aan iets dat zijn leven bepaalt, blijkt eveneens uit het feit dat hij kinderen leuk vindt, soms, als hij ze mag voortduwen op de hei.

Van wie moet hij die toestemming krijgen? Geldt die toestemming speciaal voor het voortduwen op de hei? De onzekerheid van de spreker die niet weet of hij erom lachen mag spreekt ook boekdelen: is het om ‘De man van vroeger’ niet te kwetsen? De hei op met een kinderwagen is echt niet leuk. Om het nog gekker te maken blijkt er geen hei in de buurt. ‘De man van vroeger’ kan verkeerd zijn verstaan? Mij lijkt dat onmogelijk. Welk woord dat van toepassing zou kunnen zijn had in de plaats van ‘hei’ kunnen zijn gebruikt? Onmacht, misverstand, en de zekerheid dat je tot onbegrip komt.

Soms kom je hem tegen, de man van wie je wel iets weet, iets te weten komt, maar niet genoeg om te kunnen zeggen dat je hem kent. Toch is hij vertrouwd. Een soort alleman. Dat is het beeld dat uit deze bundel oprijst: in elk gedicht kom je hem tegen, het ene moment zus, het andere zo. In een aantal gedichten komt hij voor als dichter, maar hij houdt niet van poëzie. Hij weet hoe hij bepaalde zaken moet aanpakken, maar blijkt al doende een kluns. Homo quaddammodo omnia: De mens is in zekere zin alles. Die filosofie krijgen we ongemerkt mee. ‘De man van vroeger’ mag lijden onder een lot waaraan hij niet kan ontsnappen, wij vermaken ons ermee hoe hij ons door de alwetende verteller wordt voorgesteld: ontleed. Maar hij is niet gek:

DE MAN VAN VROEGER LAAT ZIJN OUDE HUIS ZIEN

We lopen over een zanderig pad,
aangestaard door lome stieren.
Om ons heen een halve duisternis.

De man van vroeger laat zijn huis zien:
een houten keet diep in het bos.
Een voordeur met een hor vol gaten.

De herfst waait door de gang.
Dozen, afwas, huisraad, kranten.
Hij weet exact waar alles ligt.

Hij wil dat jij er blijft slapen,
dat jij voelt hoe dat voelde,
al die jaren verloren in een bos.

Hij is het die verdween, zichzelf
hervond en opnieuw kwijtraakte.
Hij weet het zeker: jij bent zoals hij.


Het staat er zo vanzelfsprekend allemaal, in steeds weer die strofen van drie regeltjes, dat je door die opgelegde orde bijna over de leemten heen leest. Het blijkt helemaal niet om dat huis te gaan, maar om de behoefte van ‘De man van vroeger’ aan ons inlevingsvermogen. Maar het zijn zijn verworvenheden en kennis die hem boven ons plaatsen; de man met ervaring. Hij zoekt erkenning. Dat hij is als jij. Dat ook jij jezelf soms kwijt bent. Dat hij dat weet.

DE MAN VAN VROEGER IS EEN BETERE DICHTER

De man van vroeger ziet zichzelf
als dichter, maar publiceert niet –
dat zou mentale uitverkoop zijn.

Prostitutie van zijn gedachtegoed.
Iedereen doet het. Het regent,
en niemand koopt de druppels.

Zo ziet hij de dingen: scherp,
zoals niemand anders ze ziet.
Hij wil die dingen best kwijt.

Hopelijk heb je er iets aan. Later:
een tijd die hij niet meemaakt,
we eindigen allen ondergronds.

Is hij ziek? Nee, dat niet. Het zou
zonde zijn nu al dood te gaan.
Hij is een betere dichter dan jij.


Steek die maar in je zak! Het is niet ‘De man van vroeger’ die denkt dat hij een betere dichter is dan jij, maar de alwetende verteller.
Schiferli legt iets bloot dat raadselachtig blijft: hoe de mens, bewust van het feit dat hij sterfelijk is, er naar streeft om gezien te worden, een naam te zijn, voort te leven in zijn werk. Al die moeite daarvoor! De zinloosheid ervan. Is hij ziek? werd er gevraagd. Nee, dat niet. Maar het zou zonde zijn om na alle moeite, al dat werken met woorden, zonder erkenning dood te gaan.

Zijn werk? Dat vraagt ‘De man van vroeger’ zich af: Het regent,/niemand koopt de druppels. Het schrijven van poëzie als een natuurgebeuren, het overkomt je. Sommigen hebben de juiste ontvankelijkheid die we talent noemen. Dat poëzie je niet rijk maakt weten we ook…

DE MAN VAN VROEGER IS EEN VREEMDELING

Ooit zal de man van vroeger terugkeren,
vaststellen dat het hier hetzelfde is,
maar voorlopig zien we hem niet.

Hij heft gewichten zonder zuchten.
Hij boet voor anderen noch zichzelf.
Zijn tanden blinken hoogstzelden.

Op de foto zie je hem niet lachen,
hij kijkt of hij heeft opgegeven.
Dat is waarschijnlijk ook zo.

Hij is ontvanger van een taakstraf.
Een zwak geworden kijkcijferkanon.
Een dramatisch verlopen verlenging.

Een vreemdeling in zijn eigen ziel.
Een lang gesloten afrit. Een
nergens heen gewaaide ballon.


Buiten ons zicht speelt het leven van ‘De man van vroeger’ zich af. Hij kijkt wellicht of hij het opgegeven heeft, maar hij gaat door met wat er van hem gevraagd wordt, deze ontvanger van een taakstraf. Hij weet dat hij op de terugweg is, het zwak geworden kijkcijferkanon, de dramatisch verlopen verlenging; hij had bijna gewonnen, maar miste de kracht om de winst binnen te halen. Het is voorbij. De afrit is afgesloten. Was hij geboren om in het luchtruim te zweven, hoog boven alles uit, vrij – hij is op zijn plek gebleven, de roes van het avontuur is hem vreemd, deze vreemdeling in eigen ziel. Maar eens zal hij terugkeren, naar ons blijkbaar, en vaststellen dat het hier hetzelfde is. Pessimistisch? Nee, dat niet. Realistisch. Een realist met open ogen.

Het gedicht: ‘De man van vroeger heeft geen zin in poëzie’ eindigt zo:

Een gedicht mag over de kosmos gaan,
maar, zou hij zeggen, niet te vaak.
Je moet er ook zelf in voorkomen.


Ik vind dat een behoorlijk humoristische strofe.
Van Schiferli zelf zien we een glimp weerspiegeld in een autospiegel die uit een besneeuwde auto steekt. Het is één van de 14 foto’s die de bundel completeren. Voor mij één van de mooiste ervan laat een scheur in een glasgordijn zien. Die scheur heeft de vorm van een gezicht, al weet ik niet of het van een hond is of van een mens. Een andere foto toont een grote eenzame hond op een grasveld, door een vierbaansweg gescheiden van een door de meest saaie geest ontworpen flat. Het is geen mooie wereld die wordt weergegeven, evenmin als de wereld van ‘De man van vroeger’ een aangename wereld is. Het is een wereld die niet past, waarin geen mens, geen hond werkelijk past, maar met glimpjes schoonheid die je niet zou willen missen, en die met mededogen is vastgelegd.