Recensie van Het eindigt zomaar ergens - Eric de Rooij

Gevarieerde muziek

Eric de Rooij
Het eindigt zomaar ergens
Uitgever: Liverse
2015
ISBN 9789491034497
€ 14,95
82 blz.

De debuutbundel van Eric de Rooij bevat twee soorten gedichten die sterk van karakter verschillen. De afdelingen ‘Knekelmuziek (in G-D-A-Es)’ en ‘Vier Siciliaanse gedichten’ zijn opgedragen  aan mensen voor wie hij bewondering heeft. Dat zijn schrijvers en dichters, op een enkele tekenaar en zanger na: Rimbaud, Kavafis, Couperus, Warren, Reve, Bassani, Stefan Zweig en anderen. Sommige gedichten vereisen voorkennis, die overigens makkelijk is te achterhalen als die ontbreekt: echt diep gaat hij op zijn voorbeelden niet in.
De overige drie cycli doen direct en persoonlijk aan. Eigenaardig is de titel van de laatste korte reeks: ‘Verbindt mij’. Wordt hier op ironische wijze de archaïsche meervoudsvorm van de gebiedende wijs gebruikt? ‘Weest waakzaam!’ ‘Geeft acht!’ ‘Komt allen tezamen’. Ik zie het niet; in de gedichten vind je daarvoor geen aanwijzingen.
De bundel wordt geopend en afgesloten met één gedicht: het eerste lang en droefgeestig, het laatste kort en opgetogen.

In de hele bundel zijn liefde, dood, verval en het verstrijken van de tijd belangrijke motieven. Op zich niets opzienbarends, maar dat kan het wel worden bij een bijzondere verwoording. Helaas is een aantal gedichten vlak en weinigzeggend, met name in de eerste afdelingen. Neem een gedicht als ‘Steppenwolf’, opgedragen aan Boris Rhyzhy, de jonge Russische dichter die legendarisch werd door zijn verwoestende alcoholisme en zijn reputatie als straatvechter – en door zijn krachtige poëzie natuurlijk. Hij verhing  zich in 2000. 

Rossige dwaas aan het koord
je zoon taalt naar je
niet naar je drankzucht
niet naar alle vrouwen die je naaide
en helemaal niet naar je poëzie. 

 

Hartverscheurend, zo’n ontroostbaar jongetje, maar het gedicht zelf maakt op mij geen indruk.
Het best is De Rooij in de meer persoonlijke gedichten. Een vroegere les over Constantijn Huygens, waarin de leerlingen trefwoorden in een tekst moesten onderstrepen, roept herinneringen op aan de medeleerling die naast de dichter zat. Veel jongens waren aantrekkelijk, maar niemand kon op tegen hem op. 

Je zag hem richting het Voorhout hink-stap-sprong
van streepje naar streepje in rood geplooide
kniebroek. Vertrouwd als de stripfiguren uit
je tekenschrift, vertrouwd als de Indische
jongen uit je dromen, maar minder vertrouwd
dan V. naast je in de schoolbank – in coltrui,
pantalon met ruit. Onderstréép Cóstelick
Mal.
Dat je zoveel kon zien wat nooit geweest
was en niet, dwaas, hoe waardevast stof tegen
stof, huid tegen huid herinnert ( … )
 
(Uit: ‘Nooit geweest’)

 
De details maken deze regels beeldend. Dat geldt ook voor de weergave van de sfeer in de klas, de moedeloos makende les van de docent en de oplettendheid van de dichter: ‘Je onderstreept woorden in een lokaal van / gebogen hoofden’. De docent: ‘Onderstréép sneldichten asterisk kantlijn / – even zweeft je stompe punt boven wit – schríjf: / epigram.’ 

Het derde deel, het ‘Pauzenummer met sopraan en fluit’ telt slechts één gedicht: ‘Onder organen’. Het is wrang-humoristisch en dat werkt goed: 

De therapeut (geen beschermde titel) verzocht mij
een brief te sturen
aan het beest in mijn buik
 
dat zonder
grommen blaffen blazen sissen
of nagels uitslaand
maar tevreden zwijgend
als een dikke boeddha
was neergevlijd
in een holte tussen
borst en bekken
sluimerend en ontwaakt.
 
Ik schreef: Best beest
wat doe jij daar maak eens
dat je wegkomt?
 
( … ) 

 

De meest omvangrijke cyclus, ‘Volksliedjes’, speelt zich af op de gesloten afdeling van een verzorgings- of verpleeghuis. De inhoud van de gedichten en de persoonlijke ervaringen van De Rooij lijken ongetwijfeld sterk op elkaar: hij werkt als geestelijk verzorger in de ouderenzorg. Misschien overlappen ze elkaar in sommige gevallen zelfs geheel. Op zich doet dat er niet toe, je hoeft niet per se jenever van poëzie te stoken uit het graan des levens, zoals Marsman wilde. Het kan echter wel een valkuil zijn. Wat de demente vrouw in het volgende gedicht niet meer verborgen kan houden is schokkend als je het meemaakt, maar in een gedicht werkt het niet. Jammer, want op zich is het beeldend door de herhalingen.

Zomaar een dag uit het leven van mevrouw

Mevrouw zit op vaste tijden
aan tafel
in een gedeelde huiskamer
 
in een gedeelde huiskamer
op vaste tijden
met andere mevrouwen
en een enkele meneer
 
wrijft met heer zakdoekje
over haar gezicht
‘Ik woonde bij het Olympisch stadion.’
 
wrijft met haar zakdoekje
over de placemat voor zich
‘Drie hoog. Onder ons zo’n joods gezin.’
 
wrijft met haar zakdoekje
het plastic van haar handtas op
‘Asociale lui. Smeerkezen. Vieze mensen.’
 
wrijft met haar zakdoekje
langs de vleugels van haar neus
‘Ik heb niets, niets tegen joden.’
 
dept met haar zakdoekje
onzichtbare kruimels van haar mondhoek
‘Maar wat was ik blij toen ze werden afgevoerd.’

 

Beter is het gedicht ‘Sporen’, waarin de dichter ons raad geeft over het lot dat ons allen treft: 

Wis je sporen uit en wees niet bang
jezelf neer te leggen waar je bent
bestemd. Wis je sporen uit en klamp
niet vast aan betekenis die je
kende en is toegekend. Niemand
 
kent je meer. Niemand weet meer wie je
in doeken tegen haar borst droeg, wie
op zijn schouders ( … ) 

 

In kringen van hulpverleners zullen de ‘Volksliedjes’ in deze bundel ongetwijfeld worden gewaardeerd – en terecht. Voor een groter publiek schieten ze echter te kort. Bovendien hebben de overige gedichten soms weinig zeggingskracht. Vergelijk bijvoorbeeld eens de tweede en laatste strofe van ‘Buitenveldert’ met ‘Altijd wat’ van Reve: De Rooij geeft een humanistisch alternatief voor gods ‘gruwelijke Majesteit’ en tegelijkertijd is zijn gedicht een eerbetoon aan de schrijver. Natuurlijk kun je van niemand verwachten Reve te evenaren, maar het gaat me om het contrast. 

De Rooij: 

Daarom fiets ik met lichtende ogen
naast hem over de Beethovenstraat
en vraag god die toch ook humanist is
mijn lieve jongen te bewaren.

 Reve: 

Omdat ik niet meer slapen kan, klim ik uit bed.
Het is half vier. De dag verheft zich, en ik zie
Uw gruwelijke Majesteit.
Wanneer ik dood ben, hoed dan Teigetje.

 

***
Eric de Rooij (1956) studeerde geschiedenis en humanistiek en werkt als geestelijk begeleider in de ouderenzorg. Eerder publiceerde hij samen met Ronny Boogaart literaire wandelboeken over het Zeeland van Hans Warren en het Gooi van de Tachtigers. Naast publicaties in De Parelduiker schrijft hij interviews voor HUMAN en recensies voor Tijdschrift Geestelijke Verzorging. Met deze bundel debuteert hij als dichter.