Recensie van Navigatiesystemen - Han van der Vegt

Een uitzonderlijke bundel

Han van der Vegt
Navigatiesystemen
Uitgever: Wereldbibliotheek
2015
ISBN 9789028426313
€ 19,99
96 blz.

 

Voor Joop Leibbrand

Navigatiesystemen bestaat uit zes epische gedichten, waaronder vier cycli. De inhoud doet soms bizar of hallucinerend aan, maar staat in een fascinerend contrast met Van der Vegts vormbeheersing en heldere taalgebruik. Op een bijgevoegde CD draagt hij het gedicht ‘Wormgoor’ voor, begeleid door speciaal voor dit gedicht gecomponeerde muziek van Jan Frans van Dijkhuizen. Van der Vegt heeft zijn gedichten vaker op CD gezet, want volgens hem moet je die in de eerste plaats horen.
 
‘Wormgoor’ verbeeldt de afdaling van Orpheus in de onderwereld en wel in de vorm van een computergame, compleet met instructies. Het lijkt tevens een poëticaal gedicht te zijn. Van der Vegt heeft weleens gezegd dat poëzie zeer lichamelijk is, dat het lichaam de poëzie stuurt. Orf moet het aan het begin van zijn tocht doen met een strottenhoofd en een enkele snaar van zijn lier; gaandeweg krijgt hij een lichaam en is de lier compleet. Hij is dan in staat zijn vrouw Ryddic naar het land der levenden te leiden, want wie het erin slaagt het zesde level tot een goed einde te brengen, geeft de mythe een gelukkige afloop – je zou ook kunnen zeggen dat alleen een goede dichter het spel tot een goed einde brengt. Grappig is een tussenstadium, waarin Orf zich op een ruggengraat als op een springveer voortbeweegt. Dat kan niet anders dan in een trocheïsch metrum gaan, lijkt me.

Hallucinerend en zeer visueel is ‘Terrarium’, een afgesloten biotoop waarin de hoofdpersoon reist onder leiding van een gids: ‘Loop in een rechte lijn naar het noorden totdat je van de grond komt.’ Je kunt het gedicht typeren als een absurde strip in taal, iets wat tevens een verschil in conventies tussen strips en verhalen illustreert: onwaarschijnlijkheden die in verhalen kortsluiting veroorzaken, zijn in strips doodnormaal. Een stripfiguur kan in het ene plaatje platgewalst worden en in het volgende zijn gewone vorm weer aannemen en verderlopen – er is niemand die daarvan opkijkt, terwijl zoiets in een verhaal als onbegrijpelijk wordt ervaren.
De afdeling begint met een ‘Parabasis’, de rei na het eerste bedrijf van een blijspel – wat eraan vooraf gaat, komen we niet te weten. Een blijspel zou ik het overigens niet direct noemen, maar vermakelijk is het wel. In het volgende fragment bijvoorbeeld is de gids zo onfeilbaar alwetend dat hij ook voor toevalligheden zijn hand niet omdraait. De laatste regels vormen bovendien een mooie variant op de verzinsels van Baron von Münchhausen:

 ( … ) Over de bedding van eieren
 begeef je je naar waar de golfslag zwaarder, het licht helderder wordt.
 Een paar vissen slobbert gulzig weg wat er nog rest van je gezicht.
Drie zetten er gezichten op die uit je tas zijn weggedreven
waarmee ze pogen je te waarschuwen, maar ze zeggen alle drie
iets anders. Wat kunnen ze je uit eigen mond voor nieuws vertellen?
Vlucht voor ze weg. De eieren verbrijzelen onder je hakken
en bloeien open met bloemen die in hun hart een dooier dragen.
Je pakt er twee. Je blaast ze door de steel op met je laatste adem
en maakt ze vast aan je schouders. Zo drijf je naar de oppervlakte.

‘Het zwarte ei’ bevat een knipoog naar zijn kinderboek met dezelfde titel; in ‘Tannhäuser’ klinkt de gelijknamige opera van Wagner mee. Bij van der Vegt landt de hoofdpersoon op Venus, zowel planeet als het lichaam van zijn geliefde:

Het afscheid van het moederschip, zijn val door de dampkring,
de klap van zijn landing: Tannhäuser herinnert zich niets
voor zijn eerste blik op Venus’ vlees, zinderend in de
benevelde zon. Waarom heeft hij zijn helm afgezet?
De geur van weelde en zweet doet zijn passen wankelen.

De cyclus ‘Afdaling in het zelf’ voegt voor mijn gevoel weinig toe: het wordt een beetje veel na Terrarium, Het zwarte ei en Tannhäuser .

Het laatste lange gedicht, ‘De paladijnen’, vind ik veruit het best. Het is een vertelling in de traditie van de Arthurromans en is even meeslepend en sprookjesachtig.
Het speelt zich af in de toekomst, na een nucleaire ramp in 2012, die de wereld onleefbaar heeft gemaakt. Er is desondanks een samenleving ontstaan waarin door ‘veiligheidsholdings’ wordt gewaakt over ‘de drie vrijheden’: van consumptie, overname en liquidatie. De vrouwelijke, kunstmatig verwekte hoofdpersonen ondernemen een barre zoektocht naar de Graal, waarin volgens de overlevering het bloed van Christus is opgevangen. Ze reizen in een volmaakte katafrakt: in dit geval geen gepantserd paard met dito ruiter, maar met een ondoordringbaar, zelfvoorzienend en -herstellend voertuig, waarvan de vrouwen een integraal onderdeel zijn: indien nodig worden ze vervangen, ook daarin is ‘het monster’ zelfvoorzienend. De navigatie is hen ingeprent door de enige man, Rezamin, die rechtop wordt meegevoerd ‘in zijn koelschrijn, / luchtdicht vernageld uit doorzichtig, ontspiegeld metaalplaat’. Daarin ‘staan zijn gebalsemde leden, tot in de haarvaten van elk / spoor van bederf, elke kiem van besmetting gezuiverd’ ; als de tocht is volbracht, zal hij weer tot leven worden gewekt.

Als Parcival en Walewein moeten de vrouwen vele moeilijkheden overwinnen en vlak voor het slot vindt uiteraard een gevecht op leven en dood plaats, dat ternauwernood door hen wordt gewonnen:

 Met een klap die de grond onder ons doet beven bezwijkt de
vijand en kantelt opzij, omver, hij spartelt zijn wielen,
spettert de paarse kledder waar wij, tot de assen verzonken,
ons een weg doorheen waden, stuiptrekkend over zich heen, zijn
zijkant ligt open, de drab spoelt naar binnen. Dit is zijn einde.
( … ) Stapvoets
rijden wij door, we geven ons monster de kans om zijn platen
weer te genezen.

De geloofwaardige combinatie van de graallegende en science fiction maakt dit gedicht bijzonder. Je ziet die combinatie ook terug in de vorm. Bij de legende past een verheven taalgebruik en Van der Vegt past dat schijnbaar moeiteloos toe. De beginregels zijn prachtig door hun klank, woordkeus en de sterk benadrukte woorden ‘spreek’ en ‘voer’, die het metrum onderbreken en daardoor nog sterker uitkomen:

Leid ons, Rezamin, paladijn van geblakerde gronden,
dienaar van niemands vorst, spreek, voer ons langs zekere wegen
naar de vervulling van onze queeste, door u reeds
ver voor onze geboorte bepaald en door u beschreven
in uw gelouterde zinsbouw, waarmee u helder voor ieder,
ons uw richtlijnen in het oor fluistert. ( … )

Sterk in contrast hiermee zijn de cursieve navigatie-aanwijzingen in de rechterkantlijn. Enige voorbeelden:

 u rijdt ernstig verontreinigd gebied binnen
houd uw deuren, ramen en filters gesloten
pas uw koers aan in zuidelijke richting

 

Of, als het heel spannend wordt:

 uw huidige positie in onverklaarbaar uw hui-
dige positie uw huidige positie is geconsoli-
deerd uw geconsolideerd uw huidige positie is
geconsolideerd uw positie
uw navigatiesysteem start opnieuw op

 

Het is een raadselachtig gedicht en dat is een van zijn kwaliteiten. Is het niet de paladijn Rezamin, maar de koning die de vrouwen aanstuurt? Het levengevende bloed dat de reizigers uit de Graal drinken is waarschijnlijk afkomstig van hem; direct nadat ze ervan hebben gedronken, begint de zoektocht opnieuw. Is de koning een beeld van de dichter die zijn hoofdpersonen in ieder gedicht nieuw leven schenkt?

Er valt nog veel meer over deze bundel te zeggen: over ‘Wormgoor’ bijvoorbeeld, waarin de tekst op de CD op een belangrijk punt afwijkt van de tekst op papier en de strofen bestaan uit versregels die zijn gescheiden door gedachtenstreepjes: ‘vier tikken op escape en Orf belandt in je greep – zijn voeten en hun doel, het pogen van zijn handen – het valt allemaal onder het bewind van je pink – en vooral zij – Ryddic zijn vrouw – het duren van haar dood is afhankelijk van jou’.

Van der Vecht heeft een vuurtoren gebouwd op de kust van de Nederlandstalige poëzie.

Han van der Vegt (1961) is dichter, schrijver en vertaler, bij voorkeur van poëzie. Hij publiceerde vijf dichtbundels en twee kinderboeken.