Vier dichtbundels

Poëzie kort

 

Kate Schlingemann, Wondermiddel en andere gedichten

Wondermiddel en andere gedichten is de debuutbundel van Kate Schlingemann. Het gaat om jeugdpoëzie die ook door veel volwassenen zal worden gewaardeerd. Onderwerpen als het verglijden van de tijd maakt zij op een sprankelende en vanzelfsprekende manier voorstelbaar voor kinderen. Volwassenen kijken wellicht vertederd en een tikje weemoedig mee over de schouders van de held:

levensvraag van een held

hoe lang duur ik ongeveer
het komt niet op een jaar
is er iemand iemand iemand
ooit, die zegt: nu ben je klaar

met wespen redden uit de vijver
en vogels uit de kat
met vleugels spalken van de vlinders
vliegen vissen uit het bad

en wakken maken voor de eenden
als het weer eens vriest
en luikjes in de deuren maken
zodat de kat niet binnen piest

ik heb enorm mijn best gedaan
maar niemand die het merkt
dus vraag ik u of wie dan ook
wanneer ben ik uitgewerkt?

Soms heeft zij het prettig tegendraadse van Annie Schmidt. Zo laat ze de ‘afpakjuf’ aan het woord, die overduidelijk geen orde kan houden: ‘wie nu nog één keer / één keer zijn potlood / laat vallen, of rolt van het lachen / per ongeluk of expres / onder zijn stoel glijdt / voor niets in zijn tas grijpt / ( … ) is bij mij aan het verkeerde adres / die is alles kwijt’. Mooi is de dreigende, maar in feite machteloze herhaling van ‘één keer’.
In ‘de wind zien’ combineert zij op een schijnbaar achteloze manier het zien, voelen en horen van wind: ‘in kriskras van vogels / in schrapzet van haas / in krom op de fiets / in zand uit het niets / in haar in je ogen ( … ) / ik ben de wind, moet je eens luisteren.’ De personificatie maakt het gedicht af. Knap.

Poëzie voor kinderen, maar verre van kinderachtig. De illustraties van Nynke Kuipers passen er goed bij.

Kate Schlingemann (2015), Wondermiddel en andere gedichten. Met tekeningen van Nynke Kuipers. Utrecht: uitgeverij Xanten.

 

100 Dutch-Language Poems

De 100 Dutch-Language Poems zijn geselecteerd en op één gedicht na vertaald door de Engelse letterkundigen Paul Vincent en John Irons. Beiden hebben als specialisatie Nederlandse, Duitse en Franse literatuur.
De oorspronkelijke gedichten en de vertalingen staan naast elkaar. De presentatie is chronologisch en zij beginnen daarom met het eerste poëtische fragment dat we tot nu toe kennen: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan / hinase hic enda thu / wat unbidan wi nu?’ ( ‘All birds are a-nesting / save me and thee / why now do we tarry’). Het laatste is ‘Oerknal’ van Lieke Marsman uit 2010. Meer dan de helft van de selectie bestaat uit gedichten van na de Tweede Wereldoorlog.

Gaston Franssen, ‘Assistant professor of Literary Culture’ aan de UvA heeft een nawoord geschreven dat ‘presents a topography of Dutch poetry that ( … ) may function as a travel guide’. Hij meent dat in de Nederlandse poëzie een traditioneel verband bestaat tussen klimaat en landschap enerzijds en volkskarakter met een bijpassende cultuur anderzijds. Die traditie ontstond in de Romantiek en duurt nog steeds voort. Franssen gaat onder andere in op het vlakke Hollandse landschap, het sombere weer, de strijd tegen het water en de extremen in de waardering van Nederland. Het icoon is natuurlijk ‘Herinnering aan Holland’ van Marsman. (Voor de vertaling daarvan ontving Paul Vincent de David Reid Poetry Translation Prize).
Het zij zo. Over kwaliteit zegt zo’n topografie in ieder geval helemaal niets: die komt ook in rotzooi in ruime mate voor. Bovendien geldt die topografie met name voor het historische Holland. Hij noemt weliswaar Staring, Gezelle en Michel als dichters met een eigen topografie, maar gaat daar verder niet op in. Ik raad toeristen daarom aan een eigen route uit te stippelen en Vlaanderen en het Nederland buiten de drie westelijke provincies daarbij te betrekken. De bloemlezing biedt daar voldoende gelegenheid voor.

Bij de selectie speelden de dikke Komrij en hun persoonlijke voorkeur een belangrijke rol. Merkwaardigerwijs zijn dichters als Gerbrandy en Pfeijffer niet opgenomen, terwijl zij toch over sterke zendmasten beschikken die niet alleen in het vlakke Holland, maar in ook in Vlaanderen en de rest van Nederland zijn te ontvangen. Een moeilijke vertaalbaarheid – ook een criterium – lijkt mij geen argument. Bij ’t Er viel ‘ne keer’ van Gezelle lukte het ook.

Ondanks de tekortkomingen is 100 Dutch-Language Poems een boeiende bloemlezing, die hopelijk aanzet tot vertalingen van afzonderlijke bundels. De Nederlandstalige poëzie is het waard.

John Irons en Paul Vincent (Red.) (2015), 100 Dutch-Language Poems. From the Medieval Period to the Present Day. With an afterword by Gaston Franssen. London: Holland Park Press.

 

Frits Roosdorp, Kinderen

Kinderen van Frits Roosdorp verscheen in 1898. Jean Frins verzorgde de eerste integrale herdruk in zijn serie Moddersproak.
De bundel bestaat uit zeven prozagedichten en twee ‘gewone’ gedichten, met een voorwoord van Lodewijk van Deyssel dat was bestemd voor de nooit verschenen tweede druk in 1942. Frins: ‘In Kinderen beschrijft de in 1874 geboren Frederik Cornelis Marie Schröder, zoals Frits Roosdorp eigenlijk heette, in realistische trant het dagelijks leven en het spel van kinderen uit de onderste maatschappelijke lagen van de bevolking.’
Kenmerkend voor de prozagedichten van Roosdorp was het gecondenseerde proza, gecombineerd met uitgesproken poëtische middelen, zoals assonantie, alliteratie en volrijm. Ook het ritme valt op; inversie is een van de middelen om dat tot stand te brengen.
Het schrijnende ‘Afscheid’, waarin een grootmoeder haar kleinkind tegen haar zin, maar noodgedwongen naar het weeshuis brengt, begint als volgt:

‘Ze stonden voor de dichte, dikke deur van ‘t weeshuis.

Grootje, met vingers trillerig en schuchter trok aan de zware bel, klinkend hel met klare slag, die dan in luide koperklacht vervloeide.

Toen zag ’t kuchend, snikkend hoofd naar kleine Mien, die stil, benepen naast haar stond, star naar ’t harde hout te kijken, en streek haar even strelend langs ’t gezicht.’

Het prozagedicht ontstond in Frankrijk. Het ‘poème de prose’ was een reactie op de dwingende metrische voorschriften die golden in de negentiende-eeuwse Franse poëzie, maar in Nederland had ‘het gedicht in proza’ andere functies: Van Deyssel vond het geschikt voor een sensitivistische expressie van het kunstenaarsgemoed, de Limburgse Tachtiger Erens en zijn volgeling Roosdorp wilden proza en poëzie combineren om zo de werkelijkheid – die uit beweging bestaat, aldus Erens – zo goed mogelijk weer te geven. Ritme speelt daar een belangrijke rol in. (Zie voor meer informatie de bespreking van een prozagedicht van Erens in de Meander Klassieker 189. http://klassiekegedichten.net/archief/klas189.html

De heruitgave van Kinderen is prijzenswaardig. Het prozagedicht uit de tijd van de Tachtigers is te lang onderbelicht gebleven.

F. Roosdorp (2015), Kinderen. (1e, integrale herdruk 1898). Schaesberg: Os Moddersproak

 

Romain John van de Maele, Herfsttij van het verlangen

Romain John van de Maele heeft al heel lang geen poëzie meer gepubliceerd; zijn laatste bundel stamt uit 1988 en werd goed ontvangen. Hij publiceerde daarnaast o.a. essays, het laatste in 2003. Aan Herfsttij van het verlangen heeft hij meer dan twintig jaar gewerkt.
De motto’s van Rilke en Kopland luiden: ‘Blühn und Verdorrn ist uns zugeleich bewußt’ en ‘Alles verandert maar keert onveranderd terug.’ Voeg daarbij de titels van de afdelingen en je hebt zonder nog maar een gedicht gelezen te hebben een goede indruk van de bundel: ‘Ouverture’, ‘Vaders tuin’, ‘Uit mijn kwartierstaat’, ‘Waar het fruit valt’, ‘Voor het afscheid’, ‘Na het afscheid’ en ‘Diluendo.’

De dichter overziet zijn leven en, meer algemeen, de nooit eindigende levenscyclus. De herfst speelt een belangrijke rol in de bundel, maar daarin schemert toch de lente weer door. Zijn ouders en grootouders spelen een belangrijke rol. Over zijn vader: ‘Je hebt veel woorden geplukt / die moeder heeft geweckt. / In mijn herinnering staan / rijen onaangeroerde potten’. Als hij er eentje openmaakt, voelt hij zich ‘veilig in het oude huis. / Niets gaat ten onder, niets gaat verloren.’ Mooi.

Van de Maele schrijft zowel sonnetten als parlandogedichten. Ook de laatste zijn vormvast: ze zijn vaak op een onopvallende manier metrisch; assonanties en alliteraties doen natuurlijk aan. Het beste is hij als hij dicht bij huis blijft – in die parlando gedichten. De toon in de sonnetten is soms wat plechtstatig, de beelden gaan met de dichter op de loop: ‘Papieren goudbloemen knipogen / als vuurbloemen boven trillend water. / De vleugelslag voert ons geruisloos / naar het land van verzegelde lippen.’
Vergelijk hiermee het tweede gedicht van de bundel, waarin grootouders niet blij lijken te zijn met een nieuw kleinkind. Waarschijnlijk uit bezorgdheid na de verschrikkingen van de oorlog – wie wil nu dat een kind ook zoiets meemaakt?

Het doek was gevallen
en de razende honden
waren eindelijk gemuilkorfd.
Het was een winter
om in de sneeuw te duiken
en het leven te heroveren.

Korte dagen die toch
al een nieuw geluid
voorspelden. Beelden
op het netvlies en ogen
die gulzig licht en schaduw
zochten. De tere huid
van nieuw leven dat
niet echt welkom was
in het huis van de grootouders.

Zonder morren werd
het onuitgesproken oordeel
aanvaard en onder
het vloerkleed geveegd.
Het was een winter
om in de sneeuw te duiken,
niet om leven te verwekken.
Na de hongerjaren
was vruchtbaarheid een vloek.

Romain John van de Maele (2015), Herfsttij van het verlangen. Bergen op Zoom: Kleinood & Grootzeer