Interview met Fleur Bourgonje

Verbeelden om de werkelijkheid te beleven

 

Op 10 april aanstaande verschijnt Pitten schieten , de nieuwe dichtbundel van Fleur Bourgonje. Een paar dagen eerder, op 3 april, wordt de schrijfster zeventig jaar. Sander de Vaan spr@k met de vrouw die niet alleen prachtige gedichten en romans schreef -zoals het in 1985 verschenen Spoorloos-, maar die ook werk van een magistraal auteur als de Uruguayaan Mario Benedetti in het Nederlands vertaalde.

Laten we beginnen met het laatste, fraaie gedicht uit Pitten schieten , ‘Kringloop’. Daarin ervaren we hoe het personage bij het graf van moeder en vader staat: “Op de namen na ben je alleen. Je vraagt je af hoe diep het graf is dat je ooit voor hen hebt gedolven en hoe je het hebt gedicht, met wat, met wie. Met welke vergeefse woorden”. Woorden schieten tekort, zo luidt het cliché, toch raken juist deze verzen van begin tot eind en worden gevoelens haast tastbaar. Ervaar jij dat ook zo?
De essentie van de poëzie is een emotie, denk ik, die gekenmerkt wordt door de meestal spontane, beeldende kracht die ze ontketent: ritme, klank, woorden. De cyclus ‘Kringloop’ is uit zo’n emotie – een diepe beroering – ontstaan. Het ene beeld riep het andere op, herinnering volgde op herinnering. Bij een bezoek aan een kerkhof waar familieleden of vrienden of zelfs volstrekt onbekenden begraven liggen, ontkom je niet aan herinneringen of beelden. Een foto of tekst op een zerk is al genoeg om een leven op te roepen.
Ik bezocht op Allerzielen, 2 november, het graf van mijn ouders in mijn geboortedorp. Mijn vader overleed een halve eeuw geleden, mijn moeder een paar jaar terug. In mijn verbeelding waren ze, te midden van de gemeenschap van dode dorpelingen, herenigd; als het ware ondergronds met elkaar vervlochten, vergroeid.
Verbeelding is voor een dichter/schrijver het vermogen bij uitstek om de werkelijkheid te beleven, en dat is bijna altijd achteraf: in het ritme en op de toon en in de woorden die zich aandienden, heb ik pas werkelijk afscheid genomen. Terwijl ik destijds toch lang aan hun ziekbed en aan de rand van hun nog open graf heb gestaan.

Wat stond je voor ogen met deze bundel?
De meeste gedichten van deze bundel zijn in de loop van de laatste drie jaar gepubliceerd in verschillende Vlaamse en Nederlandse literaire tijdschriften. Ik wilde ze graag bundelen zodat ze herlezen kunnen worden, opgepakt, weggelegd, in de boekenkast gezet, opnieuw opgepakt. De bundel is voor mij een afronding van een (schrijf)periode. Ik zou nu graag overgaan naar iets nieuws, qua vorm, qua thema. Ik hoop daarom op een nieuwe ontvankelijkheid, een zo onbevangen mogelijke blik. Ik ben nog bezig met een roman, die moet ik eerst tot een goed einde brengen. Het schrijven van proza vereist een ander soort concentratie en een schrijfdiscipline die, in mijn geval, moeilijk gelijktijdig poëzie verdraagt. Als de roman gepubliceerd is, hoop ik met een schone lei gepassioneerd aan het nieuwe, dat zich hopelijk aandient, te beginnen.

Hoe verloopt dat in de praktijk met die ontvankelijkheid voor iets nieuws? Ga je voor de computer zitten, wandel je in de natuur, of doe je iets anders specifieks om jouw muze te lokken?
Ik lok de muze niet, de muze lokt mij. Beter gezegd, ze overvalt me, ze wacht op het juiste moment om me beet te grijpen en tot schrijven te dwingen. Het enige wat van míj afhangt is de ontvankelijkheid van mijn gemoed en mijn zintuigen. Er moet een soort zen-achtige leegte zijn in mijn hoofd of ik moet geraakt zijn door maar één beeld of gedachte. Als er zich teveel afspeelt in mijn hoofd, als zorgen of gedachten elkaar daar doorkruisen en over elkaar heen struikelen, is er van ruimte voor het ontstaan van poëzie weinig of geen sprake.

Een andere prachtige cyclus is ‘Zondagskinderen’. Tegen een genoeglijk, onbekommerd Nederlands decor sterven afzonderlijk van elkaar twee mannen, terwijl ver weg een oorlog woedt: “(…) elders gaat het vergieten van bloed door / terwijl het hier stolt, het leven stilstaat (…)”. Je hebt in het verleden extreem geweld van dichtbij meegemaakt in Argentinië. Wat doet de huidige oorlog in Syrië met je?
Geweld is altijd en overal mensonterend, beschamend. De beelden uit Syrië zijn amper te verdragen. En het is voorspelbaar dat na Syrië weer ergens anders een oorlog uitbarst met dezelfde gevolgen, dezelfde beelden, dezelfde menselijke tragiek. Daar heb ik amper of geen dichterlijke woorden voor. Het kan zijn dat proza of journalistiek hier een groter of dieper bereik heeft dan poëzie, de tijd zal het leren. Even mensonterend vind ik het stille, vaak onzichtbare geweld: vernederingen in woord en daad, alle vormen van onderdrukking, berovingen van vrijheid. Ook die zijn van overal, altijd. Daar kan ik als dichter/schrijver zo nu en dan nog wél woorden voor vinden, gelukkig.

Je viert binnenkort je zeventigste verjaardag, Een mooi moment om terug te blikken op wat je tot dusver al hebt gepubliceerd. Wat heeft jou vooral gedreven gedurende al die jaren?
De behoefte, soms zelfs noodzaak, vorm te geven te geven aan de werkelijkheid. Maar bovenal aan mijn leven; als ik niet schrijf, heb ik het gevoel dat het tussen mijn vingers door glipt. Verwoorden is voor mij dé manier om greep te krijgen op waarnemingen en gedachten. Niet lukraak verwoorden, maar zo waarachtig en precies mogelijk, en dan ook nog in het ritme dat bij mij hoort: mijn hartenklop. Ik kan me geen leven zonder schrijven voorstellen. Wel kortere periodes, geen járen. Maar wie weet breekt toch ooit de tijd aan dat ik geen woorden meer nodig heb om greep op mezelf en het leven te krijgen, dat de ordening stilzwijgend ontstaat en taal overbodig wordt.

Welk gedicht van jezelf zou je hier als visitekaartje voor je dichtersloopbaan willen plaatsen?
Ik houd niet zo van een visitekaartje, maar als ik op dit moment toch een typerend gedicht zou moeten kiezen, dan denk ik dat ‘Denkbeelden’ – het voorlaatste gedicht in de bundel Pitten schieten – hoge ogen gooit. In dat gedicht heb ik mijn eigen schrijven in twijfel getrokken door beelden te gebruiken – de wind, de tijd – die de veranderlijkheid van uitspraken en inzichten suggereren.

Waren er dichters/schrijvers die je in belangrijke mate geïnspireerd hebben bij jouw schrijverschap?
Wat proza betreft – romans en verhalen – hebben vooral Max Frisch, Marguerite Duras, Michèle Desbordes en Clarice Lispector over mijn schouder meegekeken. Wat poëzie betreft, zou ik een paar dichters kunnen noemen, maar ik houd het op één: de Russische dichteres Marina Tsvetaieva (1892 – 1941). Ik kwam na een jarenlang verblijf in Latijns-Amerika in 1981 terug in Europa en maakte een reis door Italië. Het toeval speelde me onderweg een dichtbundel van haar in handen, een Engelse vertaling. Het was of ik een stomp in mijn maag kreeg. Van de schoonheid van Italië heb ik weinig gezien, zo overdonderd was ik door haar twee lange cycli ‘Poem of the mountain’ en ‘Poem of the end’. In de daaropvolgende jaren heb ik haar werk gelezen in vijf talen: Nederlands, Engels, Duits, Frans en Spaans. Helaas niet in het origineel. Maar toch kreeg ik een idee van haar superieure talent, haar originaliteit en buitenissige associatieve vermogen. Om nog maar te zwijgen van de gedurfde structuur van haar teksten, ook van haar proza. Voor mij is zij dé dichteres bij uitstek, met, dat wel, een heel dramatisch leven.

Fleur Bourgonje: Pitten schieten – gedichten.
Uitgeverij Azul Press, Amsterdam/Maastricht.
ISBN: 978-94-90687-96-0

NOOT:
Op zondag 10 april om 15.00 uur wordt Fleurs nieuwe dichtbundel gepresenteerd in de vorm van een poëzieconcert in Werkgebouw Het Veem, van Diemenstraat 410, Amsterdam.  De sopraan Lara Diamand zingt, Margriet Verzijl speelt luit.
Meer nog dan haar 70ste verjaardag wil Fleur Bourgonje daar met haar gasten vieren dat de poëzie, net als muziek en zang, veel en veel ouder is – en altijd zal blijven.