Gedichten

door Eric van Loo (1957)

Op een dag

Stel je voor
dat alles vandaag
gebeuren ging,
de langverwachte brief,
de gedroomde ontmoeting.

Stel je voor
dat je precies wist
wat je moest zeggen,
dat zelfs het kleinste woord
werd begrepen.

Geen plannen meer,
geen uitstel.
Je stond op en
alle doen en laten
stroomde voort.

Stel je voor
dat niets meer hoeft
te rijmen
om waar te zijn,
woord na woord.

Winterval

Dat je van vier paarden droomde.
Vier krachtige paarden aan de rand
van een bos, stampend op ongelijke
grond, hun lijven dampend in avondlicht.

Dat zij een dode last meesleepten,
drie witgeklede lichamen, één been
vergeefs in de stijgbeugel. Dat zij
traag voortgingen zonder te vertragen.

Dat je zag hoe een doodziek lichaam
over het laatste paard hing, uitgeput,
als een zwaargewonde boodschapper
uit nog immer rondzingende ridderverhalen.

Dat het geen slapen was maar wakker
zijn in een droom. Dat het aftellen
begonnen was onder verre en nabije
verwanten. Dat we op onze hoede waren.

Op drift

We zaten al zo lang op deze boot, mijn vader en ik,
dat we het water begonnen te vergeten.

De man die schreeuwde in zijn slaap, de vrouw
met het dichtgeslagen oog, het dorstig kind.

Over de oneindige vlakte naderde soms een gestalte,
wanhopig gespartel, maar wij weerden ons dapper.

Ons drijfvermogen was begrensd, alleen wie goed
kon roeien maakte een kans. Onze armen werden moe.

Liever bespraken wij hoogdravende zaken
of zongen wij over de dronken zeeman.

Geen geloof, geen taal, geen hagelslag of koningshuis:
deze wankelende bestaansgrond de ark die ons verbond.

Soms stond er een leider op maar nooit voor lang,
ieder had zijn eigen richtingsgevoel, zijn olifant.

Mijn vader fluisterde geruchten over Tora Bora,
over de Hoogten van Golan, verloren gewaande rijken.

Wanneer hij mij toedekte in het vooronder
vroeg ik hem altijd: ‘Vertel nog eens over de dijken’