Interview met Eric van Loo

‘Poëzie verkopen is net zo moeilijk als het verkopen van lucht’

 

Eric van Loo (Rotterdam, 1957) levert sinds 2012 met trouwe regelmaat bijdragen aan de rubriek Klassiekers van Meander Magazine. Na het overlijden van Joop Leibbrand in 2015, nam hij de eindredactie en coördinatie van deze rubriek voor zijn rekening. Op 24 april kwam zijn eerste bundel De regels van het spel uit bij Poëziefonds Open. Antoinette Sisto besloot hem te interviewen naar aanleiding van het verschijnen van dit langverwachte debuut.

In februari 2007 werden er drie gedichten van je gepubliceerd in Meander. Nu negen jaar later, verschijnt je eerste dichtbundel. Hoe komt het dat je debuut zo lang op zich heeft laten wachten?
Het is buitengewoon moeilijk om een uitgever te vinden voor poëzie. Ik heb een paar keer een aantal uitgevers benaderd, maar zonder succes. Het was natuurlijk een optie om het in eigen beheer te doen, maar dan heb je een doos met bundels op zolder staan en wat dan? Achteraf ben ik niet ontevreden over hoe het gelopen is, want deze bundel is nu veel beter dan de eerste die ik pakweg zeven jaar geleden samenstelde. Ik had ook het geluk op het juiste moment met Kontrast in contact te komen, waarbij het oorspronkelijke manuscript in samenspraak met mijn redacteur Jos van Hest stevig onder handen is genomen.

Wanneer ontstond het idee om een bundel te schrijven en hoe verliep het schrijfproces?
Rond Kerstmis 2014 besloot ik om toch nog een keer een nieuwe poging te wagen. Daarbij ontstond al snel het idee om vier afdelingen te maken: beschouwende gedichten, gedichten die aanhaken bij wat er in de wereld speelt, gedichten die te maken hebben met kunst in welke vorm dan ook en tot slot een soort portret van mijn gezin, dat veelbetekenend ‘Behouden Huys’ genoemd is. Er lag genoeg materiaal om uit te kiezen. Ik zie een poëziebundel vooral als een bundeling van al eerder geschreven gedichten, niet als een project dat nog geschreven moet worden.

Schrijven heeft te maken met keuzes. Heb je tijdens het samenstellen van je bundel ook veel lievelingen om zeep moeten helpen?
Is een gedicht om zeep geholpen als het niet in een bundel is opgenomen? Soms staat het nog op mijn website, of heeft het zijn tijd gehad, bijvoorbeeld bij een bepaalde wedstrijd. Wel heb ik ervoor gekozen om een bepaalde categorie gedichten niet op te nemen. Ik heb de laatste jaren in toenemende mate last van lichamelijke beperkingen, waardoor ik ook nauwelijks meer aan poëtische activiteiten kan deelnemen, noch als dichter, noch als luisteraar. Het lichaam is hierdoor een belangrijk thema in mijn recente werk geworden. Soms in de vorm van beschouwende of ironische dagboeknotities, soms uitmondend in scheldkanonnades, zoals Alpe d’HuZes. Deze thematiek paste echter slecht bij de opzet van de bundel als geheel.

Heb je ook, misschien met pijn in het hart, zinnen of strofen van gedichten moeten schrappen
Het eerste waar de redacteur zijn pijlen op richtte was de oorspronkelijk titel van de bundel: ‘Duurzaam dichten’. Die titel was half serieus, maar de redacteur vond het woord ‘duurzaam’ te modieus en veel te veel aan inflatie onderhevig.
De meeste aanpassingen betroffen verder titels of een kleine herformulering, om dingen strakker of duidelijker te maken, dat deed niet echt pijn. De eerste strofe van het gedicht ‘Identiteit’ is wel fors ingekort. Deze bevatte oorspronkelijk de regels: ‘Hebben Eskimo’s vijftig woorden / voor sneeuw, wij kennen / er honderd voor regen’. Ik vond dat toen ik het in november 2007 opschreef best origineel. Maar de Eskimoverwijzing is wijdverbreid, vorige week hoorde ik nog in Missie Aarde: ‘In Siberië hebben we vijftig woorden voor bevroren testikels’. Toen ik dat hoorde was ik toch wel blij dat mijn regels door de redacteur geschrapt waren.

Zijn er dingen die je bij een volgende bundel anders zou doen?
Voorlopig heb ik mijn handen vol aan deze bundel. Poëzie verkopen is net zo moeilijk als het verkopen van lucht, hoewel sommige politici hier bijzonder bedreven in zijn, al dan niet in gebakken vorm. Hoe meer lezers door De regels van het spel worden aangesproken, des te groter is de kans dat er een vervolg komt.

De afgelopen jaren heb je een flink aantal Klassiekers geschreven. Hoe kom je tot de keuze van een bepaalde Klassieker en welke overwegingen spelen hierbij een rol?
Het leukst vind ik het om een gedicht te kiezen waarvan de bespreking uitnodigt om een onderliggend thema te belichten. Zoals het gedicht ‘Hoor eens ik haat je’ van Ingmar Heytze, dat een mooie aanleiding vormde om dieper in te gaan op de begrippen parodie en intertekstualiteit. Momenteel werk ik aan een bespreking van een gedicht van Charles Ducal. Dat is een zeer actueel gedicht, dat tegelijkertijd de vraag oproept in hoeverre poëzie geëngageerd kan of moet zijn.

Hoe denk jij hier zelf over. In hoeverre kan of moet poëzie geëngageerd zijn?
Geëngageerde poëzie is riskant om te schrijven. We zien veel gedichten op internet verschijnen van mensen die zich geraakt voelen door dingen uit het nieuws. Dat is op zich prima om te doen, als je maar beseft dat je het vooral voor jezelf doet, en dat het weinig uithaalt. Het wordt wel anders wanneer je schrijft vanuit persoonlijke betrokkenheid. De bundel ‘Celinspecties’ van Ester Naomi Perquin is daar een mooi voorbeeld van. In deze bundel toont de dichteres vanuit betrokkenheid een werkelijkheid die voor de meeste mensen onzichtbaar is. Zonder overigens de daden van de celbewoners te bagatelliseren.

Over welke Klassieker aflevering ben je het meest tevreden en waarom?
Het bespreken van het gedicht ‘Poëzie is een daad’ van Remco Campert was een fantastische ervaring. Ik schreef deze analyse nog nagenietend van zijn optreden in de Nacht van de Poëzie 2014. Bij het schrijven van een Klassieker doe ik graag naspeuringen, waardoor ik vaak in positieve zin voor verrassingen kom te staan. Toen ik de bundel van Campert, waar het gedicht voor het eerst in gepubliceerd werd, op de kop had getikt was ik stomverbaasd. De rest van de bundel bleek vrijwel onleesbaar, experimentele poëzie die de tand des tijds niet heeft doorstaan. ‘Poëzie is een daad’ is een schitterend gedicht, maar absoluut niet representatief voor het vroege werk van Campert.

Het begrip tijd en ook het onverbiddelijke verstrijken van de tijd zijn thema’s die in jouw poëzie een belangrijke plaats innemen. Hoe anders is het schrijven hierover naarmate je zelf ouder wordt?
Veel vroege gedichten waren een poging om een bepaalde gebeurtenis zo mooi mogelijk weer te geven, om de tijd als het ware stil te zetten. Poëzie als vakantiekiekje, als een mentale foto. Het laatste jaar komen steeds meer gedichten langs die teruggrijpen op mijn middelbare schooltijd, de tijd van de adolescentie. ‘Looking back’, maar zeker niet ‘in anger’. Waarbij de gebeurtenissen die in die gedichten geschetst worden natuurlijk niet letterlijk hebben plaatsgevonden, maar meer een vervoermiddel zijn voor de onderliggende emoties die ik destijds ervaren heb.

Je belangstelling voor oudere dichters wordt meteen duidelijk wanneer men een kijkje op jouw website www.eenlegetafel.nl neemt. Waarom hebben oudere dichters je altijd meer geïnspireerd dan jongere?
Dat ik een speciale belangstelling heb voor oudere dichters hangt samen met mijn werk. Ik ben jarenlang psycholoog in een verpleeghuis geweest, en heb in mijn werk als neuropsycholoog in het ziekenhuis ook voornamelijk met oudere patiënten te maken. Poëzie kan op een geheel eigen manier licht werpen op de ouderdom, zeker wanneer het poëzie van oudere dichters betreft. Hoe ervaren zij hun gevecht tegen de tijd, tegen de aftakeling? Hoe verwoorden zij het zoeken naar zin, wanneer het moment komt om de balans op te maken? De aanschaf van de laatste bundel van Adriaan Roland Holst, die hij op 88-jarige leeftijd publiceerde, was het beginpunt van deze ontdekkingstocht, die onder andere geresulteerd heeft in een rijke verzameling ouderdomspoëzie op mijn website. Dit staat overigens los van mijn eigen gedichten, daarin heb ik nauwelijks over mijn werk met oudere patiënten of over de ouderdom geschreven.

Zijn er ook jonge dichters die je bewondert?
Er wordt veel te veel geschreven op dit moment, en te weinig geschrapt, misschien nog minder gelezen. Het is een beetje triest om te zien dat iedereen weer zijn eigen wieltje aan het uitvinden is. Veel eigentijdse poëzie vind ik bewust onlogisch, het liefst met associatieve sprongen waarmee de dichter zich lijkt te willen onderscheiden. En als iedereen dat doet ben je je eerder aan het conformeren dan aan het onderscheiden. Ik was onlangs wel erg onder de indruk van het interview met Jonathan Griffioen, waaruit een enorm volwassen en professionele benadering van de poëzie sprak.

Wat zijn je plannen of projecten op langere termijn?
Aan het begin van ons gesprek had ik het al over het kwetsbare lichaam. Dat is een thematiek die zich er goed voor leent om in een volgende bundel uit te werken. Daarbij kan het gaan over mijn eigen ervaringen, maar ook over de kwetsbare ouderen die ik dag in dag uit tegenkom.
Verder ben ik net begonnen als redacteur bij de Meander klassiekers. Ik hoop daarbij vooral ook jongere auteurs te betrekken, want de meeste auteurs van de Klassiekers zijn middelbaar tot pensioengerechtigd. Hopelijk kijken jongere auteurs met andere ogen naar de klassieke gedichten uit de Nederlandstalige literatuur. Misschien hebben ze ook andere helden die ze voor het voetlicht willen brengen. Graag!