Recensie van Alsof niemand hier onsterfelijk is - Jacobus Bos

Koele poëzie of verborgen warmte?

Jacobus Bos
Alsof niemand hier onsterfelijk is
Uitgever: Wereldbibliotheek
2016
ISBN 9789028426764
€ 19,99
62 blz.

Het lijkt koele poëzie in deze achtste bundel van Jacobus Bos, Alsof niemand hier onsterfelijk is.

De zon die door de kalme wolken heen
probeert te komen die eerder als orkaan
een ander wereldbeeld hebben geteisterd
met stormen en oneindig veel regen…

Je verwacht, na deze vrij droge constatering, waarin wel ‘storm’ en ‘regen’ voorkomen, als lezer een explosieve climax over het geweld, (‘orkaan’, ‘geteisterd’) maar, integendeel, de dichter schrijft:

legt een vaag meetkundig raadsel
op het houten blad van de tafel
waar een leeg wit bord op staat

De climax is ‘een leeg wit bord’. Niet voor niets staat dit gedicht (‘Onder de horizon’, p. 9, de bundel begint ermee) op de achterflap van het eenvoudig maar stijlvol vormgegeven boekje (door Joost van de Woestijne): het citaat lijkt inderdaad kenmerkend voor deze poëzie, die helder en strak geschreven is met een grote vormvastheid. Het is soms zelfs interessant het aantal regels per strofe te tellen, evenals de lettergrepen, om te zien hoe vorm en inhoud zich met elkaar verhouden, zoals in het gedicht ‘Sprong in de leegte’ (op p. 54), waarin na de eerste strofe van drie regels één regel volgt, waarna weer twee strofen van drie, dan weer één regel om met een drieregelige strofe te eindigen. Als we het gedicht goed lezen hebben die twee losse regels een inhoudelijke verwantschap: een ‘duik’ en een ‘sprong’. Je kunt er van alles bij denken. Zo zijn er meer gedichten die leesavonturen opleveren en waarbij vragen gesteld kunnen worden over de relatie vorm en inhoud. Laat ik, tegen mijn gewoonte in, dit gedicht in zijn geheel citeren.

De eerste keer dat hij sprong had alleen
het feit dat hij judo kende hem gered.
De straat was harder dan hij dacht.

Alsof hij in een droge slotgracht dook.

De volgende keer stonden er acht mannen
die een enorm zeil onder hem spanden
om naderhand vakkundig te worden

vervangen door een man in een jas
die nietsvermoedend de straat uit fietst
op een foto die al eerder was genomen/

Zo maakt de kunstenaar zijn sprong.

In de leegte met zijn armen gespreid
en zijn haren en gezicht vol tegenwind
die hem daar voor altijd laat zweven.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen. De eerste heet ‘Zijn reis beslaat de wereld’ en bevat zeven gedichten. Hoewel de poëzie eenvoudig lijkt, staat ook hier niet wat er staat. Wat werkelijkheid lijkt kan droom zijn. Soms lijkt het te gaan om een surrealistische wereld, wat ook weer schijn kan zijn. Het gedicht ‘De Zeereis’ gaat over ‘het landschap van haar lichaam’ waar de dichter doorheen trekt. Duidelijke seksuele connotaties maken de daad tot een reis. In het aan Hans Groenewegen opgedragen gedicht lijken ook de dood en de herinneringen daaraan een reis te zijn. Een man laat alles achter ‘en vraagt zich af waar hij in Godsnaam aan is begonnen’. Het gedicht over het ‘Zwijgend landschap’ is een evocatie van het Franse landschap ‘waar van Gogh zijn verstand verloor’ en waar ooit een geschiedenis van krijg en fatale vrouwen plaatsvond. Met een lang gedicht, ‘De reis eindeloos’, eindigt dit deel.

Eigenlijk verdienen de poëzie, de dichter, de lezer en de recensent een grondige analyse van elke afdeling, maar dan zou deze korte recensie een essay worden. Laat ik volstaan met de gedachten die in mij opkwamen na herhaalde lezing.

‘Waar hij is ben ik’ is de tweede afdeling, die ook zeven gedichten bevat waarin herinneringen, dromen en werkelijkheid door elkaar lopen. De herinneringen zijn soms dwingend, soms obsessief, soms zelfs humoristisch. Deze afdeling sluit de dichter af met de verdichting van zichzelf : ’Wie ik ben’. Het gedicht eindigt smartelijk : ’Ik ben vooral in oorlog met mezelf./ Ik ben mijn eigen ergste vijand./ Ik weet niet wie ik ben.’

‘Herinneringen van een opstandige geest’ beslaan de derde afdeling met acht gedichten. Het komt mij voor, dat ‘kijkgat in de tijd’ (p. 34) de kern van deze afdeling weergeeft. Ook hier weer valt er veel te lezen en te genieten: het is poëzie die een constant beroep doet op zijn lezer. Wat mij opviel is dat je bij elke herlezing iets nieuws ontdekt, andere associaties krijgt, een ander beeld ziet. Het slotgedicht van deze afdeling, ‘Niemand herinnert zich alles’, is een prachtig gedicht met een diepe inhoud. Er is niemand, er is leegte: ‘Een dode vogel vliegt al weken rond/ zonder zich ergens aan te storen./ Vol verbazing kijkt Niemand hem na.’

‘Zelfs in de verte is hij onzichtbaar’ is de vierde afdeling, zes intrigerende gedichten zoals de titel intrigerend is. De vijfde afdeling tenslotte heet ‘Aan schoonheid geen gebrek’ met zeven gedichten; in één daarvan wordt de figuratieve schilder Jean le Gac geëerd (‘Le peintre’, p. 53). Na een lang gedicht over ‘Yvette’, buitengewoon aards qua sfeer, eindigt de bundel met het gedicht ‘Mendocino’ (een kunstenaarsdorp aan de Californische kust), waarin de dichter in zichzelf verdwijnt nadat hij heeft gehoord dat het zand de stappen dempt ‘van een man die in mijn lichaam woont/ en daar al even lang bivakkeert als ik’.

Samenvattend: fraai gecomponeerde, vormvaste poëzie waarin de inhoud de lezer met vragen confronteert en uitnodigt een leesavontuur aan te gaan.

***

Van Jacob Bos (1943) verschenen acht dichtbundels. Hij debuteerde in 1969 met een verhalenbundel en won in 1974 de Anna Blamanprijs. Zijn debuutbundel Mijn blauwe evenbeeld verscheen in 1987 en werd genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Zijn voorlaatste bundel was Het geluk van de jeugd (2013). Hij publiceerde in De Gids en De Revisor.