Gedichten

door Elly Stolwijk (1957)

Foto: Maria Vermue

Elly Stolwijk (1957) is beeldend kunstenaar en dichter.
Gedichten van haar zijn opgenomen in tijdschriften (o.a. De Gids en Het Liegend Konijn) en in verzamelbundels, waaronder die van De Nieuwe Wilden, een dichteressengroep rond Elly de Waard eind jaren tachtig.
Bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd 2012/2013 werd ze tweede.
Zij volgde een opleiding tot beeldend kunstenaar (autonome richting) aan de Gerrit Rietveld Academie en exposeert regelmatig.  Elly Stolwijk is ook docent Nederlands als tweede taal (NT2).

 

de natuurlijke tuin

als de wolfsmelk haar blaartrekkende werk heeft gedaan wrijf ik
wat norse zaaddoosjes uit mijn ooghoeken. vandaag een nieuwe dag
onder een onzichtbare maan. in de nacht vloog een kerkuil voorbij, wit sjabloon
tegen het dak dat donkerder was dan de lucht erachter.

ik bedoel maar, dat is wat we zien.

legio lagen liggen verborgen. zo kunnen de meest
gewone woorden geheimtaal zijn voor iets wat dieper gelegen is.
je zegt: wolfsmelk, je zegt: maan. maar eigenlijk gaat het over de waan
van een mol die denkt dat hij een elf is.
je zegt: kerkuil, je zegt: sjabloon. maar eigenlijk gaat het over een kuil
waarin wij ons uitrekken, bloot in de as.

je zegt: zaaddoosje, terwijl het over het aas van de dood gaat.
gedeeltelijk. want ook onder de geheime taal ligt een andere waarheid.
je zegt: andere waarheid, ja, dat is de wand die haar, de waarheid zelf,
afscheidt van de dieren.

ook de kerkuil is een dier. hoewel ze in de nacht op mij overkwam
als een poort naar iets waarvoor ik nog altijd
het woord niet heb gevonden.

de boetiek

als ik jouw kraag doe valt de mijne af.
je haar staat als stro aan je hoofd, als ik het ontrafel
raak ik zelf honderd krullen kwijt.
de knopen van je jas ontstekend moet ik beducht zijn voor het vlam vatten
van het oude been. de panden vallen open, wind heeft vrij spel
op wat zich gaat ontvouwen tussen onze handen.

de wanden van het kleedhok zijn beschilderd met rivieren, een trein rijdt langs
en hult de oevers in damp. juist nu gaan de grote planten liggen,
klimmende winde trekt de stokroos omver. we waren hier eerder, beter, zachter
omlijst en zonder die hartgrondige aannames van wat zou moeten.

terwijl jij je broek laat zakken serveert een mooie lelijke vrouw
champagne. ook ik sta met blote billen voor de spiegel. ik zie
een man met een zwart-wit masker, een hengel in zijn hand. ik zie
de schrale nek van een ekster.

als jij mijn kraag doet wankel ik.
niemand weet dat ik op een baksteen sta.
niemand weet dat ik elke dag van maat verander.

niemand durft te zeggen dat er geen gordijn aan de roede hangt.

de boomgaard

dronken vlinders klapperen aan de vijg.
als ze genoeg hebben van het roze vlees
vallen ze op de zitting van een achtergelaten witte stoel,
een voor een, het zijn er vijf.

je fladdert aan mijn lippen. je bent met zoveel. eerst lijkt
het alsof je nooit genoeg of juist genoeg aan mij hebt. later komt
de nuance, het breekpunt tussen tegengestelde betekenissen.

de vijgenbomen zijn eigenlijk struiken, je moet kruipen.
deze tuin is veroverd op oude duinen.
zand is afgegraven tot er water welde. de oudste bewoners
hebben de onsoortige moerasbodem bedekt met humus, as, onrijpe turf.
het duurde jaren voor ze wortelden, aansloegen, schijnvruchten droegen.

de eerste zoetheid was verbluffend.

alles voor de schone schijn, moet je hebben gedacht
terwijl je omgekeerd op me lag en me bewerkte als een zachte smid,
meester in het schroeien van de opperhuid.

als het winter wordt zijn in de oksels al kleine vijgen te zien, stille
brave kinderen, gestold in de groei.