Interview met Dorien de Wit

De grens tussen woord en beeld

 

Dorien de Wit (’s-Hertogenbosch 1980) is beeldend kunstenaar, dichter en schrijver. Ze publiceerde gedichten en kort proza in Hollands Maandblad en Tortuca. Bij dit laatste tijdschrift was zij een aantal jaren redacteur. In 2010 was zij een jaar lang medewerker bij Meander Magazine. Momenteel volgt zij een opleiding aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.

Je bent beeldend kunstenaar en volgde een opleiding aan de kunstacademie AKV|St. Joost in Breda en aansluitend aan het Sandberg Instituut in Amsterdam. Ben je je pas naderhand voor poëzie gaan interesseren of was deze belangstelling er altijd al?
Als kind was ik een hartstochtelijk lezer. Elke week ging ik naar de bibliotheek bij ons in het dorp om weer met een nieuwe stapel boeken thuis te komen. Mijn interesse voor poëzie ontstond ergens in mijn studententijd. Tijdens een festival zag ik optredens van onder andere Tjitske Jansen en Tsead Bruinja en ik geloof dat ik vanaf dat moment de poëzie ingezogen werd.

Wanneer werd het schrijven van gedichten een serieuze bezigheid voor jou?
In de loop van mijn studie aan de kunstacademie gebruikte ik steeds vaker taal als basis voor bijvoorbeeld video’s en installaties. Tijdens mijn vervolgstudie aan het Sandberg Instituut groeide het verlangen om mijn teksten ook op zichzelf te laten bestaan, los van mijn beeldend werk. Wat deze teksten precies voor vorm hadden, of het gedichten, aantekeningen of verhaaltjes waren, maakte mij niet uit. Een redacteur van een literair tijdschrift reageerde eens op mijn inzending met de vraag of ik mijn tekst wilde herzien en een keuze wilde maken tussen poëzie en proza, maar ik vond het juist bevrijdend om me daar niet mee bezig te houden. In de beeldende kunst is het naar mijn idee veel gebruikelijker om te spelen met de vorm en context van wat je maakt. Die manier van denken en kijken past bij mij.
Het Sandberg Instituut was een heel vrije opleiding waar je als student zelf veel invloed had. Ik kreeg de ruimte om docenten te benaderen niet alleen voor mijn beeldend werk maar ook voor mijn teksten. Vanaf die tijd ben ik er serieuzer mee bezig, al lag het zwaartepunt toch vaak bij het ontwikkelen van mijn beeldend werk en exposeren.
En graag relativeer ik dit laatste ook direct, want bij het schrijven (en dit geldt ook voor tekenen of andere manieren van ‘maken’) is het voor mij essentieel dat ik er ook niet tè serieus mee om moet gaan. Het moet oprecht zijn maar nooit plechtig. Om tot nieuwe dingen te komen, heb ik het nodig om mijn fascinaties te volgen en nog niet te denken aan consequenties en resultaten.
Mijn drijfveer is niet zozeer dat ik iets maak omdat ik iets wil laten zien. Ik maak iets om ergens achter te komen, om iets te onderzoeken, voor mezelf.

Je bent momenteel bezig met een opleiding aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Hoe ben je ertoe gekomen deze opleiding te gaan doen?
Het schrijven werd steeds belangrijker voor me en ik zocht een manier om me hierin verder te ontwikkelen en mijn horizon te verbreden. De diversiteit aan visies en stijlen, niet alleen onder docenten maar ook onder medestudenten werkt voor mij heel stimulerend. Het is bovendien erg leuk en leerzaam om mensen te ontmoeten die met hetzelfde bezig zijn.

Je was in 2010 werkzaam als redacteur bij Meander. Wat vond je leuk aan het werk en hoe kijk je terug op deze tijd?
Ik was medewerker van de rubriek De Dichter, waarvoor ik de meer gevestigde dichters interviewde. Ik vond dit ontzettend leuk omdat ik hierin mijn nieuwsgierigheid kon volgen. In de keuze van dichters streefde ik naar een gevarieerde keuze, maar ik volgde hierbij grotendeels mijn persoonlijke interesse. De interviews maar ook de voorbereiding hiervan waren achteraf gezien een hele fijne manier om mijzelf door een stukje van het Nederlandse poëzielandschap te loodsen.

Welke beeldende kunstenaars en dichters hebben je het meest geïnspireerd en waarom?
Dat zijn er veel! Als ik me probeer te beperken tot enkele namen dan is dat in de beeldende kunst Mark Manders, een kunstenaar die aanvankelijk schrijver wilde worden. Op het moment dat hij begon aan zijn boek ‘zelfportret als gebouw’ bleek echter dat wat hij wil vertellen zich beter toonde via voorwerpen en beelden die hij in een ruimte plaatst. Zijn werk is poëzie in beeld. Dit geldt wat mij betreft ook voor een kunstenaar als Henk Visch.
De essays en columns van Maria Barnas en Pam Emmerik over beeldende kunst vind ik ook erg inspirerend. En natuurlijk de essays van Charlotte Mutsaers. Haar ernstige en oprechte speelsheid is uniek en als ik haar lees hoop ik daar altijd weer een vleugje van mee te krijgen.
Wat poëzie betreft heb ik een voorliefde voor klare taal en lees ik op dit moment vooral hedendaagse dichters als Wim Brands, K. Michel, Annemieke Gerrist, Martin Reints en Lans Stroeve. Ook houd ik van de betoverende Zbigniew Herbert, van het surrealisme van Henri Michaux en ben ik fan van Georges Perec. Lydia Davis vind ik trouwens ook altijd verfrissend. Als ik een paar bladzijden heb gelezen is het alsof mijn hoofd van binnen een frisse douche heeft gehad.

Hoe ontstaat bij jou het idee voor een gedicht of een tekening of video. Ervaar je het als twee verschillende disciplines of is er soms ook sprake van overlap?
Er is veel overlap in thematiek en in de vragen die ik stel. De uitingsvorm verschilt en dit betekent deels ook dat het publiek (van de kunstwereld en literaire wereld) verschilt. Voor mij kunnen een publicatie in Hollands Maandblad en een video die ik toon in een expositie volledig met elkaar verbonden zijn. Toch is het goed mogelijk dat degenen die oog hebben voor het een, van het andere geen weet hebben. Dat vind ik ook helemaal niet erg. Misschien is alles wat ik maak familie van elkaar. Een gedicht is verwant aan een verhaal, het verhaal aan een tekening, die weer verwant is aan een video. Voor mij maakt het allemaal deel uit van hetzelfde geheel.

Wat is er bij jou het eerst een woord of een beeld?
Tijdens mijn opleiding heb ik me dit vaak afgevraagd en ik schreef hier uiteindelijk mijn afstudeerscriptie over. Volgens mij is er geen strakke grens tussen woord en beeld. In ons denken zijn woord en beeld op heel complexe wijze met elkaar verbonden. Beelddenken is in de neuropsychologie al een achterhaald begrip. Letters zijn vormen en om te kunnen lezen moet je deze vormen in je op kunnen nemen en interpreteren. Zowel woorden als beelden bieden de mogelijkheid om de verbeelding te prikkelen. Beelden nodigen uit om een verhaal te bedenken, om naar woorden te zoeken, woorden geven de ruimte om beelden op te roepen. En uiteindelijk is er volgens mij altijd sprake van een intensieve wisselwerking tussen woord en beeld.

Wat zijn je projecten of plannen voor de toekomst?
Ik werk aan gedichten en kort proza. Het zou natuurlijk het mooist zijn als een selectie hiervan in een bundel samenkomt. De komende tijd zou ik hier ook meer mee naar buiten willen treden. Ik ben geen slammer, maar het voordragen van mijn poëzie geeft het ook weer een nieuwe dimensie.
In de kunst heb ik verschillende samenwerkingsprojecten en daarnaast werk ik nu aan een audiowandeling. Dit is voor mij een heel mooie manier om mijn tekstuele en beeldende kant samen te laten komen. Bezoekers kunnen via hun eigen smartphone tijdens de wandeling naar door mij geschreven audiofragmenten luisteren. Ik hoop hiermee dat de bezoeker het landschap op een nieuwe, andere manier gaat bekijken. Voor mij is het interessant dat mijn tekst loskomt van de letters op een A4 en ruimtelijk wordt. Deze gaat een interactie aan met de omgeving en de blik van de bezoeker. Dit vraagt ook weer een andere manier van schrijven.
Het project is dit voorjaar klaar en hier te volgen. Vorig jaar maakte ik een audiowandeling voor Park Frankendael in Amsterdam: ‘Waar je bent’. Deze kun je nog steeds volgen.