Poëzie Kort 2016 / 12

 

Hester Knibbe, Oogsteen

(Door Paul Roelofsen)

In 2009 werd de verzamelbundel Oogsteen van Hester Knibbe uitgegeven en Johan Reijmerink schreef daar voor Meander een doorwrocht analytische en lovende recensie over. Het betrof een selectie door de dichteres uit gedichten die zij schreef tussen 1982 en 2008.
Nu, eind 2016, verschijnt een nieuwe versie van Oogsteen, waarin ook gedichten van na 2008 zijn opgenomen.
Wil men over de gehele bundel worden geïnformeerd, lees dan zowel de recensie van Reijmerink als deze die in het kort de poëzie van Knibbe na 2008 belicht.

Wie mondjesmaat gedichten van Hester Knibbe leest, kan niet anders dan razend enthousiast worden: het lenige taalgebruik, de verrassende enjambementen, het evocatieve afbreken van zinnen, de diepgang. (Deze dichteres is niet voor niets veelvuldig gelauwerd: VSB Poëzieprijs, Herman Gorterprijs, Anna Blamanprijs, Adriaan Roland Holstprijs).
Leest men meerdere gedichten van voor 2009 uit deze bundel achter elkaar dan kan er nog iets gebeuren; ik werd er enigszins neerslachtig van, ondanks de schoonheid van deze poëzie hangt er een zweem van somberheid over. Van een herhaald en herhaald zoeken maar niet vinden, van een vergeefse ‘worsteling met de vergankelijkheid’ zoals Reijmerink het noemt.
Maar in de toegevoegde poëzie in deze verzamelbundel, de integraal opgenomen bundels Het hebben van Schaduw en Archaïsch de dieren, trekt Knibbe de grijssluier op, de zin- en toonzetting worden directer, omwegen worden vermeden, de lezer krijgt lucht. En inhoudelijk verandert er ook iets: waar de floers verdwijnt, dringt een persoonlijke, grote ongerustheid binnen omtrent het dier Mens, tot alles in staat, ook tot wereldwijde (zelf)vernietiging. Uit ‘Pro domo’: ondanks je zachtheid ben je / geschapen voor de verwoesting.
De inleiding van deze afdeling:

En ze zeiden dat

zegenen helpen betekent, maar er waren die nacht
zoveel wonden op de wereld dat mijn ogen
en benen verlamden. En ik was

bang, bang voor bloed aan mijn handen en
dat ik daarmee dan over mijn gezicht buik
en armen. Daarom riep ik

zegen mij zegen mij de angstige.

Hoe knap en geserreerd het eerste deel van dit werk ook is, de laatste twee bundels die er in zijn opgenomen vormen het absolute hoogtepunt.
Daarom: al heeft men reeds de editie van 2009, dan toch opnieuw naar de boekwinkel om ook deze aangevulde Oogsteen aan te schaffen.

***
Hester Knibbe (2016). Oogsteen. De Arbeiderspers, 454 blz. € 29,99

 

James Joyce, Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik

(Door Hans Puper)

Een traditionele bundel van Joyce is wel het laatst wat je zou verwachten, maar Pomes Penyeach (1927), door Paul Claes vertaald als Poëzie voor een prik, is dat wel degelijk. Het is zijn tweede bundel; Chamber Music, even traditioneel, verscheen in 1907.

Het eerste gedicht stamt uit 1904, het laatste uit 1924; de overige gedichten werden geschreven tussen 1912 en 1918. De bundel is tweetalig. Naast zijn vertaling voorzag Claes hem van een nawoord en aantekeningen bij ieder gedicht. Hij bewijst de lezer daar een dienst mee, want de gedichten zijn sterk autobiografisch. Joyce’s vriend Ezra Pound wees ze om die reden al voor de publicatie af met de woorden: ‘They belong in the Bible or in the family album with the portraits.’ Het is romantische poëzie over de onherroepelijk voortschrijdende tijd, vervlogen of bestaande liefde – altijd weemoedig makend – en daarnaast het verval: in zijn geval de angst voor blindheid door groene staar.

De titel Pomes Penyeach betekent letterlijk ‘Gedichten voor een penny per stuk’. Claes in zijn nawoord: ‘Het werkje kostte één shilling, dus twaalf penny. In werkelijkheid bevat hij niet twaalf, maar dertien gedichten: het dertiende gedicht is een extraatje. De spelling ‘pomes’ imiteert de slordige uitspraak van ‘poems’. Omdat het woord klinkt als het Franse ‘pommes’ (appels), kreeg het [door Sylvia Beach van boekhandel Shakespeare and Company] in Parijs uitgegeven boekje een appelgroene kaft.’

De gedichten zijn eerder vertaald in het Frans door Georges Pelorson. Joyce vroeg hem het ritme van het Engels te handhaven en dat is wat Claes met zijn Nederlandse vertaling ook heeft geprobeerd. Hij heeft het zich daarmee niet gemakkelijk gemaakt. De eerste strofe van ‘On the beach of Fontana’:

Wind whines and whines the shingle,
The crazy pierstakes groan;
A senile sea numbers each single
Slimsilvered stone

Wind giert langs gierend grind,
De pier kreunt in ’t getij
De zee telt als ontzind
Elke slibsilveren kei.

Een enkele keer vind ik de vertaling gewrongen. Een voorbeeld. Joyce schrijft in ‘Bahnhofstrasse’, het gedicht dat gaat over Joyce’s eerste ervaring met staar, de regels: ‘The eyes that mock me sign the way / Whereto I pass at eve of day, // Grey way whose violet signals are / The trysting and the twining star’. Claes vertaalt het tweede distichon met: ‘De grauwe baan verlichten fel / De sterren van weerzien en vaarwel.’ Ik lees dit als: ‘de sterren van de grauwe baan verlichten hem fel.’ Ik heb moeite met de volgorde van Claes’ regel.

Maar dit zijn kleinigheden. Claes leert ons – mij tenminste – een traditionele Joyce kennen in een kleine, goed verzorgde uitgave.

***
James Joyce (2016). Pomes Penyeach – Poëzie voor een prik. Vertaling en nawoord door Paul Claes. Koppernik, 44 blz. € 15

 

Martin Knaapen, Ik, mijn broer

(Door Hans Puper)

Als ik Martin Knaapen lees, denk ik aan blues. Relaties zijn moeizaam, de ‘ik’ is soms een underdog, het dagelijks leven zwaar, het verleden kun je het best vergeten en het verval is onherroepelijk. Neem de laatste drie strofen van ‘steeg’, eenvoudig, illusieloos:

het bankje in de kleine steeg
duwt rauwe latten
diep in mijn vlees

wanneer ik ga staan
strekt mijn lijf
zich oud versleten

en nestelt
de nieuw verloren dag
zich pijnlijk in mijn botten

Maar een depressief makend debuut is dit niet. Knaapen is ook de dichter van de schoonheid en ruimte van het Hoogeland in het noordoosten van Groningen, het land dat onverbrekelijk is verbonden met de weemoed van Ede Staal. Knaapen: ‘dit is het land van kleischilders / dromers en poters / van aardappelen en vis’. Maar idyllisch is het bij hem nooit. Hij vervolgt: ‘en de lucht van armoe en uitbuiting / van incest en drankmisbruik / en eenzame doden in de modder’. Het gedicht ‘vorst tot de dooi’ lijkt een uitzondering te vormen. In het lege landschap schaatst het lyrisch ik met ruime wind over zwart ijs, de omstandigheden zijn ideaal: ‘groter word / ik niet / dit is mijn rijk / ik ben vorst / tot de dooi.’ Eerder in het gedicht heeft hij gezegd dat hij al schaatsend de mens heeft verlaten; kennelijk is dat een voorwaarde voor zijn kortdurende geluk, maar na de dooi zal hij echter tot hen terug moeten keren.

De gedichten zijn eenvoudig, weerbarstig soms – het werkwoord ‘schuren’ komt in verschillende gedichten voor – en dat werkt goed. Je kunt uitgebreid vertellen dat je het verleden achter je wilt laten, maar je kunt het ook zo zeggen: ‘ik heb een minimaal verleden / en het liefst lees ik alleen / de laatste pagina’. Mooi.

***
Martin Knaapen (2016). Ik, mijn broer. Uitgeverij Stanza, 66 blz. € 15,-

 

Renaat Ramon, Draagvlak en vizier

(Door Hans Puper)

Draagvlak en vizier brengt je in een goed humeur. Dat komt door het robuuste, ritmische en heldere taalgebruik van Ramon. Zo zegt hij in het gedicht ‘Woordwisselwoord’ over de poëzie van Marc Insingel onder andere:

Er is zin
tussen de regels
er is
        tussenzin.

Zo worden zinnen
geregeld
tegen regels in

Anderen hebben voor zo’n typering enkele bladzijden ingewikkeld proza nodig.

Een ander gedicht heet ‘Stadhouderslaan 41’, wat het bekende eenregelige gedicht van K. Schippers in gedachten brengt: ‘Stadhouderskade 42’, het adres van het Rijksmuseum. Laat Stadhouderslaan 41 nu het adres van het Gemeentemuseum in Den Haag zijn!

De bundel kent drie afdelingen. ‘Dierbare vrienden’ is de eerste. De gedichten zijn zonder uitzondering opgedragen aan vrienden als Jozef Deleu, Claudius Asnedius Montanus (in wie ik door Ramons dichtregels H.C. ten Berge meen te herkennen), Ludo Frateur en anderen. De dichter kenschetst hen, suggereert een dialoog of houdt een monoloog. Het laatste gedicht van die afdeling heet ‘Reunie’. De pauze na de retorische vraag is een vermakelijke demonstratie van de bovengenoemde ‘zin / tussen de regels’:

( … )
Hebben we niet al te vaak
Naar versierde stemmen geluisterd?

Juist. ( … )

‘Memorandum is de titel van de tweede afdeling – niet vreemd voor een dichter die onlangs tachtig is geworden. Ramon gedenkt hierin dichters als Marc Braet en Marcel van Maele, maar bijvoorbeeld ook de zestiende-eeuwse filosoof en Copernicusaanhanger Giordano Bruno.

Het derde deel, ’Grand Café Parnas’, bestaat uit een cyclus van vijf gedichten. Hierin laat de dichter – zelf toeschouwer – vier totaal verschillende dichters bij elkaar komen. Over een van hen zegt hij: ‘Een middelvinger / klopt regelmaat op het tafelblad. / Duidelijk iemand die van amfibrachen / houdt en het raadsel ritmisch vergroot.’ Dat zijn regels die ik zonder moeite onthoud.

***
Renaat Ramon (2016). Draagvlak en vizier. PoëzieCentrum Gent, 48 blz. € 19,95