Eerst maar eens bestaan op papier

 

Negen jaar geleden won Vicky Francken (1989) de Meander Dichtersprijs. Onlangs verscheen haar debuutbundel Röntgenfotomodel bij De Bezige Bij.

Begin 2008 won je de Meander Dichtersprijs. Begin 2017 verschijnt je debuutbundel. Wat is er in die negen jaar gebeurd?
In het voorjaar van 2008 was ik heel tevreden toen Hollands Maandblad een paar gedichten van me wilde opnemen. Vanaf dat moment stuurde ik Bastiaan Bommeljé regelmatig wat gedichten en werden er meerdere bijdragen gepubliceerd. In 2009 mocht ik daarvoor de Hollands Maandblad Schrijversbeurs voor Poëzie in ontvangst nemen. Een prachtige stimulans natuurlijk. In de jaren daarna verschenen er, naast af en toe in Hollands Maandblad, ook gedichten in het Liegend Konijn, Tirade en Revisor, maar met grotere tussenpozen. Ik studeerde Frans en vertaalwetenschap aan de Universiteit Utrecht en legde me naast het schrijven steeds meer toe op literair vertalen. De liefde voor poëzie verdween geenszins, maar mijn eigen woorden stonden even op de achtergrond. Ook heel prettig eigenlijk.
In 2013 werd ik benaderd door de Bezige Bij en in oktober 2015 tekende ik het contract voor mijn eerste dichtbundel. In november 2016 leverde ik mijn bundel in en nu, in januari 2017, zal hij daadwerkelijk verschijnen. Misschien is het allemaal niet zo snel gegaan als had gekund of werd verwacht, maar daar heb ik geen spijt van. Nu is het goede moment. En bovendien, een zekere traagheid past me wel, niet voor niets citeer ik graag Vasalis: ‘Ik droomde, dat ik langzaam leefde… / langzamer dan de oudste steen.’

Waarom koos je voor Frans en vertaalwetenschap als studie?
In de brugklas had ik een heel goede lerares Frans, die dat jaar ook mijn mentor was. Daar begon mijn enthousiasme. Later, toen ik in de bovenbouw een exact vakkenpakket koos, voegde ik daar zoveel mogelijk talen aan toe. Aan het eind van de middelbare school besloot ik toch Frans te gaan studeren, omdat ik op die manier mijn liefde voor taal en literatuur kon combineren. En daarnaast vond ik het een mooi idee dat ik zo gevoelsmatig dichter bij mijn van oorsprong Belgische en tweetalige oma was – zij was toen al een paar jaar overleden, maar ik dacht regelmatig aan haar.
Tijdens de studie Frans vond ik zowel de colleges taalwetenschap als literatuur erg interessant. De master Literair Vertalen aan de Universiteit Utrecht was toen net in oprichting, dus ik volgde vakken literair vertalen waar ik kon.

Wat heb je zoal vertaald?
Proza en poëzie van o.a. Jean-Michel Espitallier en Amélie Prévost voor de literaire tijdschriften Terras, Kluger Hans, nY en de websites van The Chronicles en De Gids. In 2013 verscheen bij Prometheus een vertaling uit het Engels van The Valley of Amazement van Amy Tan, waar ik samen met Roland Fagel aan heb gewerkt. Onlangs nog was ik gastredactielid van Terras en heb ik samen met Kim Andringa een hedendaags Frans poëziedossier samengesteld. Daarvoor vertaalde ik gedichten van de in Nederland niet eerder op papier verschenen Jérôme Game en Sandra Moussempès.

Je vertelt ‘in oktober 2015 tekende ik het contract voor mijn eerste dichtbundel. In november 2016 leverde ik mijn bundel in’. Hoe verloopt zo’n jaar? Gebruikte je gedichten die je al voor oktober 2015 had geschreven of begon je met een schone lei? Had je meteen een samenhang in de gedichten voor ogen? Was een jaar gepland of wist je vooraf niet hoe lang het zou duren? En: heb je onderweg wel eens gedacht dat je last had van superbia (om een woord uit je bundel te gebruiken) om te denken dat je een bundel kon schrijven?
Er staan zeker ook gedichten van vóór oktober 2015 in, al heb ik wel een strenge selectie gemaakt, er zijn ook veel gedichten afgevallen. Daarnaast heb ik veel nieuws geschreven, toen ik bepaalde thematische lijnen voor me zag. Wat die superbia betreft: daar heeft het me eigenlijk nogal lang aan ontbroken. Het heeft niet voor niets jaren geduurd voordat ik de sprong durfde te wagen.

Het gedicht ‘Naast’ in je bundel begint met: ‘Je moet naast een ster kijken om hem het beste te kunnen zien / maar je moet wel weten dat je je blik omhoog richt.’ En verderop staat er: ‘Om te kunnen schrijven moet je niet nadenken over de geboorte / van je gedachten / anders worden ze dood geboren.’
Hoe heb je je de vaardigheid om ernaast te kijken eigen gemaakt?
Ik vrees dat ik dat nog steeds niet altijd of niet volledig onder de knie heb. Soms lukt het me om het cijferslot open te draaien. Zo zie ik dat voor me: alsof mijn denken, als het púúr en alleen denken blijft, ergens aan vastgeketend is. Geboeid – maar op de verkeerde manier. Beperkend. Het gedicht ‘Naast’ gaat inderdaad over die worsteling: als je zonder beperkende gedachten wilt schrijven, is dat een voornemen dat je in gedachten formuleert, waardoor de kwaal en het medicijn dezelfde zijn. Misschien ontkom je daar uiteindelijk ook niet aan. Ik heb in ieder geval nog geen universeel en tijdloos tegengif gevonden.

Maar nu komt toch je eerste bundel uit. De persoon in het titelgedicht ‘Röntgenfotomodel’ wordt grondig doorgelicht. ‘Je ligt op bed als op carbonpapier. / Je laat je sporen na.’ Voel je je als dichter soms ook zo? En misschien vooral nu je bundel gaat verschijnen?
Nee, eigenlijk niet. Het idee kwam ergens anders vandaan en ook nu ik erover nadenk, heeft dit voor mij niet zozeer met schrijven te maken.
Poëzie is volgens mij fictie en non-fictie tegelijk. Non-fictie, omdat ik iets wil schrijven wat wáár is, in zekere zin, en dan bedoel ik uitdrukkelijk níet waargebéurd, eerder: waarachtig. Hoewel die waarachtigheid dan ook weer kan zitten in de rookgordijnen die je optrekt, de vervreemding, dat wat niet klopt. Fictie, omdat geen gedicht terug te voeren is naar de absolute werkelijkheid. Ik breng geen verslag uit. Een gedicht is een heel klein op zichzelf staand universum. Met eigen wetten, eigen regels, eigen (on)mogelijkheden. En dat carbonpapier was misschien vooral bedoeld als passieve voetafdruk: je bent er en dat zien we aan de sporen die je achterlaat, ook al verzet je geen voet en gaat je spoor nergens heen.

Om bekend te worden als kunstenaar is het niet genoeg om mooie kunst te maken. Je moet tegenwoordig duidelijk aanwezig zijn in de media en daar onbekommerd je mening vertegenwoordigen. Zie Ellen Deckwitz. Heb jij ook plannen op dit gebied?
Ik vind het fantastisch wat Ellen Deckwitz voor de literatuur en in het bijzonder voor de poëzie doet. Ze weet niet alleen toekomstige lezers over de poëziedrempel te tillen, maar schrijft ook meeslepend voor de verstokte liefhebbers. Ik geloof niet dat ik zelf veel talent bezit voor grootse aanwezigheid en daar ligt momenteel mijn ambitie ook niet. Eerst maar eens bestaan op papier.

Er staan mooie gedichten in je bundel, vind ik. Neem het begin van het gedicht ‘Het eerste ontbijt': Ontwaken van jewelste, vogels zetten het zonder vleugels / op een lopen en we horen ergens / van het baltsend vechtend vliegend hert / dat er een ei is uitgelekt.
Recensenten en uitgevers kunnen in een paar zinnen een bundel samenvatten. Mij lukt dat niet, maar wat me opviel is dat er een soort van gelatenheid uit de gedichten spreekt. Dat lees ik in regels als ‘wat win je / als je wint’, ‘ik stroom maar verplaats me / trager dan water’, ‘was ik maar een zwaard of hamer / sloeg ik niet gade’, ‘kijk, grijze lucht kondigt ons aan’, ‘wachten tot de troef wordt uitgespeeld’, ‘stel ik me open / dan stel ik mij samen / uit wat me omringt // en trek ik me terug’.
Al zijn er ook regels als ‘ik moet haastig en dagelijks / een schitterend kind baren’ en vooral ‘ik ben geen dader / maar zou dader willen zijn // doen is belangrijk’.
Zegt het feit dat deze gelatenheid me opviel wat over je bundel? Of toch meer over hoe ik het lees?
Ik denk dat je gelijk hebt, er spreekt inderdaad een zekere gelatenheid uit sommige zinnen. Maar het feit dat die spréékt, is natuurlijk lang zo gelaten niet. Die spanning tussen observatie, gedachte en reactie zou wel eens de gemene deler van mijn gedichten kunnen zijn. Nu we het hier over hebben, besef ik ineens: je hebt gelaten en geladen. De gelatenheid die je benoemt is geladen. Er wordt niet enkel ondergaan, er gebeurt ook iets en er is het verlangen om ‘dader’ te zijn, want ‘doen is belangrijk’. Al met al gaat het om een krachtenveld, denk ik, bestaande uit soms tegengestelde en soms elkaar versterkende krachten, die allemaal zoeken naar de juiste hoek, naar de juiste werking, naar de sterkste twijfelende stem.

Je portret staat op de site van je uitgever tussen die van vooraanstaande auteurs. Doet je dat wat? Ik zou in zo’n geval heel trots op mezelf zijn!
Het is inderdaad heel bijzonder om ineens ‘auteur’ te zijn, althans, om zo genoemd te worden. Maar ook al schrijf ik al even, met dit debuut kom ik pas net kijken. De uitgeverij geeft zoveel getalenteerde en ook zeer ervaren auteurs uit, dat ik me echt niet met hen kan of wil vergelijken. Soms heb ik nog steeds het idee nog maar net uit het ei gekropen te zijn. Maar eerlijk is eerlijk, al met al ben ik natuurlijk wel heel blij dat ik nu bij het poëziefonds van de Bezige Bij mag horen. Eenmaal uit je ei gekropen is dat zeker een geweldig nest.