Recensie van Röntgenfotomodel - Vicky Francken

‘Is de geest die je geeft dezelfde als de geest die je kreeg?’

Vicky Francken
Röntgenfotomodel
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023442745
€ 16,99
80 blz.

Het debuut van Vicky Francken is schitterend vormgegeven. Op de voorkant zien we een mysterieuze foto van een tak met vier magnolia’s. De foto is zo’n honderd jaar oud, en de bloemen zien er door de toentertijd gehanteerde techniek bijna doorzichtig uit. De achterkant toont het negatief van deze foto. De associatie met een röntgenfoto is subtiel maar onmiskenbaar aanwezig. De titel Röntgenfotomodel is al even intrigerend. ‘Een lichaam wordt tegen het licht gehouden’, verduidelijkt de achterflap. De mens op zijn kwetsbaarst, als voorwerp van onderzoek. Het openingsgedicht, dat we vorige maand al in Meander konden lezen, zet de toon:

onze ratio een radio die dag en nacht een ruis voortbrengt

het sneeuwt in je oren, je denkt altijd wel iets
hoewel meestal weinig
van kwaliteit

het gevoel dat je niet alles voor het zeggen hebt
terwijl je schrijft, het denken dat als een blauwe
ballon in een carrousel voorbijkomt, knapt
een gedachte die opstijgt, naar je zwaait
de pluim grijpt, gratis
nog een rondje

ik ben geen dader
maar zou dader willen zijn

doen is belangrijk

Typerend is de woordspeling ratio / radio, en het gebruik van een titel die onderdeel uitmaakt van de tekst. Beide technieken komen we in de bundel veelvuldig tegen. Inhoudelijk worden (het ontbreken van) de vrije wil en het voortrazen van de gedachtestroom aangestipt. De laatste regels vormen een merkwaardige verzuchting: als ‘ik’ meer een ‘dader’ zou zijn, zou deze bundel dan ooit tot stand zijn gekomen?
Het is niet helemaal duidelijk, hoe we deze bundel moeten lezen. Is er een constante, dat wil zeggen, gaat het zoals de achterflap suggereert min of meer over één lichaam dat een bepaalde ontwikkeling doormaakt? Of leveren de verschillende gedichten commentaar op even zoveel verschillende situaties waarin het menselijk lichaam kan verkeren?

De gedichten in de eerste twee afdelingen (‘Het eerste ontbijt’, ‘Ribbenkast’) zijn momentopnames, waarin aspecten van een mens-zijn worden belicht. Niet alleen het lichaam wordt tegen het licht gehouden, ook de geest wordt geanalyseerd. ‘Ik zoek de juiste vraag / om die te stellen maar vindt niets. En blijf diep / graven.’; ‘je bent oud genoeg voor een mening / maar je hebt geen idee’; ‘ik beschouw mezelf onmogelijk / de kans bestaat dat dit niet overgaat’. Nee, er wordt weinig genoten in deze gedichten. De opkomende herinneringen wakkeren een gevoel van falen en buitenspel staan aan. ‘Op sommige dagen douche ik / op mijn hoede // als ik een deur open ben ik bedacht / op iemand die geen afstand neemt’.
Af en toe komen er schitterende zinnen voorbij. ‘Is de geest die je geeft dezelfde / als de geest die je kreeg?’; ‘geen mens kan tippen aan vissen / die zwemmen in de golven van hun wervelkolom’.
Het titelgedicht van de bundel bestaat uit acht korte gedichten. Een ‘je’ lijkt verschillende onderzoeken in een ziekenhuis te moeten ondergaan, en wordt geruststellend toegesproken. ‘Luister: dat ruisje // kan wel verholpen, maar is het niet hemels / de zee mee te nemen?’; ‘Ze willen je helpen / maar je voelt je klein en bekeken.’; ‘Een schild van verenpennen op je borst / laat zien dat je bloed het nog doet.’; ‘je skelet geeft pas licht / als je de bak aanzet’. Nuchtere formuleringen, die leiden tot een onverwacht slot: ‘Zoveel foto’s van je / gemaakt en nu mag je gaan. // Wees blij.’ Waarschijnlijk mag ‘je’ vooral blij zijn dat de onderzoeken zijn afgelopen, want over de aanleiding of uitkomst van het onderzoek wordt weinig medegedeeld.

Ik heb een doodshoofd in mijn handen

Is het het mijne?

Als iemand nu het licht aanknipt
zien we dat hier niemand zit.

Ik draag een anagram van dode vogels bij me.

Is dat een goede reden?

In elke gift zit gif.
Waag het niet me iets te geven.

Ook deze ‘ik’ is op zijn/haar hoede, op het achterdochtige af. De fragmentarische mededelingen roepen een unheimisch gevoel op. De centrale zin heeft een schitterend ritme. Maar wat betekent het eigenlijk? Ik kan me voorstellen, dat ‘ik’ heeft afgeleerd blij te zijn met een dode mus. Misschien zijn er nog andere dode vogels die ik over het hoofd zie. Maar een ‘anagram’? De ‘ik’ lijkt zich onbegrepen te voelen, maar wil ook niet geholpen worden. Want hoe kun je iemand die iets geeft vertrouwen? Voor je het weet ben je vergiftigd.

De titel van de derde afdeling luidt ‘Superbia’. Superbia is de Latijnse benaming voor hoogmoed of ijdelheid, en wordt beschouwd als de eerste en ergste van de zeven hoofdzonden. Kortom: we verwachten hier vuurwerk, meer levenslust, wellust misschien. Maar deze verwachting klopt niet, of wordt althans niet ingelost. ‘Superbia’ bevat één lang gedicht, waarin de regel ‘ze heeft de dood onder haar rokken’ een centrale rol speelt. Het gedicht heeft een opvallende en afwijkende typografie met veelal trapsgewijs inspringende regels.

(…)

ze heeft de dood onder haar rokken

het moet een kleine dood zijn
              la petite mort
                           kan de dood klein zijn, heeft de dood een maat
                                                                                     heeft de dood een maatje
                                                                                                 kun je de dood de maat nemen – of de das omdoen
                                                                                                              draagt de dood een maatpak
                                                                                                                            of is de dood hoofdzakelijk naakt

(…)

Het woord ‘rokken’ doet ouderwets, zo niet oubollig aan. De specifieke functie daarvan ontgaat me. Qua inhoud lees ik in dit gedicht een soort meditatie over sterfelijkheid, waarbij verschillende levensfasen de revue lijken te passeren. Het woord ‘dood’ komt daarbij letterlijk in de helft van de regels voor. In dit korte fragment alleen al zien we veel gedachtesprongen, die deels op woordspelingen gebaseerd lijken. Dat is kracht en zwakte tegelijk, het geeft dit gedicht – en misschien wel meer gedichten in de bundel – iets vrijblijvends.
De vierde afdeling, ‘Zonder pardon en parabenen’, is wat gevarieerder van thematiek, maar ik laat deze hier verder onbesproken. Het laatste gedicht hieruit, dubbelzinnig ‘Canon’ gedoopt, is terug te lezen in het vorige nummer van Meander. Vicky Francken heeft met Röntgenfotomodel een intrigerende bundel geschreven. De toon is stevig, geladen, soms wrang en schrijnend. Tijdloos is de thematiek van de kwetsbare mens, van een lichaam én geest die tegen het licht worden gehouden.

***
Vicky Francken (1989) won in 2008 de eerste Meander Dichtersprijs . Zij publiceerde de afgelopen jaren in Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn, Revisor en Tirade. Röntgenfotomodel is haar debuut. Lees hier het interview dat Rob de Vos met haar had naar aanleiding van het verschijnen van deze bundel.