Recensie van Om en nabij - Hans Tentije

Vorm nee, vent ja

Hans Tentije
Om en nabij
Uitgever: De Harmonie
2016
ISBN 9789463360029
€ 15,90
56 blz.

De schrijver en dichter Hans Tentije werd in 1944 te Beverwijk geboren.
In 1979 won hij met ‘Wat ze zei en andere gedichten’ zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs en in 2005 de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge voor Deze oogopslag.

Als er iets onontbeerlijk is bij het werken aan een gedicht, dan is het wel het weglaten: het schrappen en schaven. ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’, onderwees Goethe tweehonderd jaar geleden, een adagium dat wereldwijd nog altijd ter harte wordt genomen.
Zo niet door Hans Tentije.
Niettemin kan ik het niet laten Tentije te volgen. Zijn werk intrigeert in positieve zin door zijn aandachtige kijk op de dingen, de sfeer die hij oproept – hier met name in de cyclus over Cesare Pavese – en zijn diepgang, maar de vorm waarin hij zijn taal giet maakt me kriegel: die aaneenrijging van adjectieven, de grote woorden, het dikwijls ongelukkig afbreken van de regels en het vaak niet passend archaïsch woordgebruik, ze storen en bieden weinig ruimte voor de verbeelding van de lezer.
Waren de gedichten een stromende lyrische reeks van woorden geweest, zoals bijvoorbeeld bij Herman Gorter, ik zou er geen moeite mee hebben, maar lyriek onderga ik niet of nauwelijks bij Tentije.
Nieuw werk van hem lezend hoop ik altijd weer dat ‘Less is more’ de dichter heeft bereikt, maar ook bij het openslaan van Om en nabij werd ik in eerste instantie teleurgesteld door overtolligheid. (Wat de titel van de bundel overigens niet doet vermoeden).
Een voorbeeld:

Bij benadering

(uit vers 3)

( … )
         elke vooruitgang wordt aldus belemmerd, maar het ergste is
nog dat het mij de boodschap ontzegt
                      die het behelst, een waarschuwing, een bericht
                              misschien van levensbelang –

        door een bodemloze slaap overmand, die schemerzone
grenzend aan dood en verdwijnen, in het verlengde
                      waarvan het keelsnoerende, hartbrekende zich afspeelt
( … )

Sorry.

Laten we overgaan tot de inhoud, want die is interessant.
Direct in het openingsgedicht ‘Al met al’ wordt duidelijk waar het bij Tentije om gaat: het verglijden van de tijd en het zich met weemoed (kunnen) herinneren van wat voorbij is; en dat laatste niet alleen door mens en dier maar ook door de dingen!
‘( … ) en de straten, de portalen, hebben zij soms / ondertussen de echo’s van onze voetstappen bewaard / als ze niet weten konden /waarheen die moesten leiden? ( … )’

Het vermenselijken van de dingen is niet uitzonderlijk – Armando spreekt van het schuldig landschap bij Kamp Amersfoort en Irene van Lippe-Biesterfeld die de harmonie zoekt tussen mens en natuur omhelst bomen – maar Tentije doet dit toch op een eigen manier. ‘( … ) ook hier is geen plaats genoeg om het vele te bewaren en zoekt / stuifzand vergeefs achter de stoepranden / beschutting, terwijl rook van loof dat verstookt wordt / komt overgewaaid van de landjes / en er rond een lantaarnpaal heelhuids / een sleetse fietsband ligt – // hoeveel moeite getroosten zich de dingen niet’ (Uit: ‘Hieromtrent’).
Een andere kwaliteit van Tentije is zijn inlevingsvermogen, hier in dat van een vrouw: ‘( … ) en terwijl ze daar vol ongeduld wachtte, verbeeldde ze zich / de vrouw te zijn in de film waar ze samen / naartoe waren geweest en voerde, kleumend, hele / gesprekken met hem, had binnenpret / om allerlei ietwat gedurfde zinspelingen over en weer ( … )’ (Uit: ‘Op de afgesproken plaats’).

Wat deze bundel ontbeert, ik noemde het al, is relativering, een beetje hoop en humor, maar in het laatste deel van de bundel wordt de toon lichter en het gedicht ‘Dat alleen’ trof me:

Dat alleen

Langs de vloedlijn slenteren acht, negen, misschien
tien nonnen in wit habijt, de ochtendzon
is juist vanachter de eerste duinenrij te voorschijn gekomen
en zusterlijk zweven hun schaduwen
boven het water, afwezig speelt de zeewind
met hun smetteloze sluiers

na een poosje krijgen ze zelfs iets dartels
over zich en helemaal als een onverwacht verre uitloper
bijna iemands voeten spoelt – wie
durft het aan met enigszins opgeschort gewaad
te gaan pootjebaden?

eenmaal terug in het sanatorium brengen ze
weer maaltijden en medicijnen rond, rijden de ledikanten
van enkele patiënten naar de balkons
die uitzien op het dorp en het duingebied, dat geleidelijk aan
in waziger geestgronden, in tuinderijen
en onland verandert –

wanneer een van hen zich dan ’s avonds laat
voor de nacht gereed maakt, vermijdt ze het angstvallig
zichzelf ook maar even te bekijken
omdat de aanblik van het eigen onbedekte
lichaam zondig is

en in de plooien van haar pas nog verschoonde
beddegoed zullen vast nog wel zandkorrels achterblijven –
wat droomschilfers bovendien

Een lief en teer gedicht en er staan nog enkele van dit niveau in de bundel, maar om het werk volmondig te durven aanbevelen, zouden het er toch meer moeten zijn.