Recensie van Steencirkels - Piet Gerbrandy

‘Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween.’

Piet Gerbrandy
Steencirkels
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450366
€ 21,99
96 blz.

Steencirkels is het eigentijdse verhaal van de eeuwige romanticus die zich niet thuisvoelt in de wereld waarin hij leeft. De hoofdpersoon met de naam O vertrekt uit de kaalslag van de stad, laat de drukte, het geleuter en de bijbehorende managementtaal achter zich. Wat hij zoekt weet hij niet, laat staan dat hij wat vindt. Hij verdwijnt uit zicht, nieuwe romantici staan op en alles zal zich herhalen: er is sprake van een circulair verloop. Of komt de cyclus ten einde?
In de negentiende eeuw trokken zulke romantici de overweldigende natuur in, op zoek naar sublieme ervaringen, en dat wil de hoofdpersoon van Steencirkels ook. Maar die woeste natuur bestaat niet meer, alleen in folders van reisbureaus. De aarde is vervuild, dreigt ten onder te gaan aan temperatuurstijging en ook exotische bestemmingen bestaan niet meer: in Timboektoe heb je dankzij satellieten een gegarandeerd bereik.
De start van de zoektocht is niet alleen verbonden met onbehagen, maar ook met het verlangen naar de ideale liefde en ook daarin herkennen we de romantische traditie: ‘Missen van wie ik niet ken. / Raspend verlangen naar wie vannacht in mijn halfslaap – /     maar wie was zij heb ik haar gekend?’ Afscheid hoort daar ook bij, de ideale liefde lijkt onbereikbaar en de romanticus moet voort. Als hij haar toch gevonden lijkt te hebben, loopt hij het gevaar ten onder te gaan aan een verzengende liefde: ‘Glimp van schoonheid kan een leven breken.’ Maar ook die liefde is niet wat zij lijkt: ‘Kernfusie is illusie van verliefdsten.’

Ik noemde Steencirkels een verhaal, maar de schrijver van het achterplat gebruikt een typering die Reve had kunnen bedenken: een ‘erotisch-ecologisch epos’. Het begint en eindigt met een gedicht van de goden, beide met de titel ‘Open’. Zo hoort dat: ‘Het geldt als beleefd eerst de goden het woord te laten’, luidt het commentaar onder aan de bladzij van het eerste gedicht.
Over de hoofdpersoon zeggen zij:

Het gaat om een man.
Wij noemen hem O voorlopig.
Om wat?
Omdat hij open staat naar de elementen.
Omdat zijn oog de spil is van orkanen.
Omdat O kwam en ging. Er was. Verdween.

Je zou hieraan kunnen toevoegen dat zijn naam rond is als de aarde.

De dichter/classicus Gerbrandy wisselt poëzie en proza af. Hij heeft er meerdere malen op gewezen dat deze vermenging een veel langere traditie kent dan de scheiding van de genres. Daarbij past ook dat poëzie ‘zingbaar’ moet zijn: ‘( … ) zingen is wat ons voegt’, zeggen de goden in het eerste gedicht.
Deze mengvorm is overigens niet nieuw bij hem: in Smijdige witheid (2011) en Vlinderslag (2014) paste hij hem ook al toe, maar nooit zo complex als nu.
In vijf episoden volgen we O op zijn reis die via het westen van Ierland naar de poolcirkel voert. Ook daarboven is de natuur niet meer zoals ze was: sneeuw is gesmolten en ‘Ook hier heeft industrie haar spoor getrokken. / Men signaleerde reeds eerste witte boorden.’ Het epos bestaat uit lyrische poëzie, afwisselend in de eerste, tweede en derde persoon. Het is niet altijd duidelijk wie er aan het woord is: is die ‘jij’ bijvoorbeeld een verhuld ‘ik’ of wordt O toegesproken? Datzelfde geldt voor het proza. Het is waarschijnlijk ook niet de bedoeling dat de vertellers – ‘stemmen’ zegt Gerbrandy – steeds te identificeren zijn. Het gaat primair om verschillende meningen, inzichten en commentaren.
In de volgende passage lijkt O aan het woord te zijn. Hij reflecteert op de mysterieuze steencirkels in Ierland: ‘De horizon roept een binnen en een buiten in het leven. Wat buiten de gezichtskring ligt bestaat voorlopig niet. Totdat het wordt ontdekt en zichtbaar is. Dat lijkt niet moeilijk omdat er tussen de stenen flink wat ruimte zit maar de blik vult de open plekken zo dat de cirkel lijkt te zijn gesloten. Maar heeft men eenmaal het buiten gezien dan verliest deze cirkel zijn kracht en wordt het tijd voor een nieuwe. Men bedekt de oude cirkel om hem te vergeten en betrekt een volgend universum tot ook dit aan waarde begint in te boeten.’
Dat is niet alles: onderaan de bladzijden staat een doorlopend verhaal, telkens één regel per pagina. Deze wijze van presenteren doet denken aan de regels die soms onder nieuwsberichten op tv voorbijkomen, bij CNN bijvoorbeeld – iets wat O ongetwijfeld verafschuwt. Ook dat verhaal vormt een cirkel: het gaat over de levenscyclus van de aarde, die aan het begin ‘woest nog ledig | maar vol en mild zich begon. Ontgon. Zich open stelde zoals al | wat rond is ( … )’. Maar ook de ondergang is al in het ontstaan van de aarde besloten: de zon maakte dat haar ‘stenen mantel | broeinest [werd] voor wat rotten kon en gisten.’ De mens doet de rest door de zonne-energie die is opgeslagen in olie en gas te exploiteren.
De vorm is soms uitbundig meerstemmig en is goed doordacht door de afwisseling van sferen die het verhaal vollediger maken dan proza of poëzie op zichzelf zouden doen. De lezer wordt aangesproken op verschillende niveaus: muzikaliteit, emoties, verstand, intellect, betrokkenheid. De hechte structuur blijkt ook uit de presentatie van de vele cirkels, steeds functioneel, nergens gekunsteld. Een voorbeeld. In de afdeling ‘hol’, de beschrijving van vermaledijde kantoorwijken waarin de menselijke maat volkomen zoek is, vind je geen cirkels. Wel vierkanten of rechthoeken: ‘Is dit een plein? Is het niet veeleer een kale vlakte / omgeven door stenen gevaarten zonder ziel?’ Zet daar de kring van mannen en een enkele vrouw tegenover die O aantreft in een Ierse kroeg. Zij musiceren, zingen oude liederen van ‘liefde honger haat en ballingschap’, hebben aan hun kring genoeg: ze vormen een hechte eenheid.
We zien parallellen: niet alleen oude Ieren hadden behoefte aan nieuwe steencirkels, ook de dichter heeft die en daarvoor heeft hij zijn lezers nodig. Aan het slot van de geschiedenis die zich onderaan de bladzijden voltrekt, vraagt hij hun te helpen een nieuwe steencirkel op te zetten om de doorgang van de mens op aarde te markeren, al zal later niemand meer die tekens nog kunnen duiden. ‘Kom | lezer help ons even bij het vinden van de juiste exemplaren. Ze moeten | om bestendigheid ontilbaar zijn. Hun vorm dient uit te drukken | dat wat eerst lag nu staat voordat het valt.’ Toch weer poëzie als geruststellende cyclus? 

Steencirkels is ook in poëticaal opzicht interessant. Gerbrandy wil nogal wat. In zijn essay Een spin op de snelweg in De Gids 2016/4 schrijft hij dat er een poëtische traditie bestaat waarin kosmische cycli zoals de kringloop van het jaar worden gedramatiseerd, ‘blijkbaar in de hoop de wereld draaiende te houden door haar beweging over te nemen in taal.’ Geruststellende rituelen zijn dat, gericht op het samenvallen met de natuur. In Steencirkels is dat verlangen herkenbaar. Maar, schrijft hij: ‘De wereld staat in brand, we leven gebroken levens, onze welvaart is gestoeld op uitbuiting van het Zuiden en uitputting van de aarde.’ Kan poëzie een middel zijn om ons van tijd tot tijd wakker te schudden? Misschien. ‘Hoe dan ook, wil je de wereld in al haar facetten tot het gedicht toelaten, dan zul je het moeten oprekken om ruimte te scheppen voor elkaar tegensprekende stemmen, voor debat met traditie en literair veld, en voor actualiteit die nog ongrijpbaar is.’ Dat is precies wat Gerbrandy in Steencirkels op magistrale wijze illustreert.

In datzelfde essay schrijft hij dat je een bundel met een omvang als deze op verschillende snelheden moet kunnen lezen. Iemand die het tempo van een roman aanhoudt, moet de bundel kunnen begrijpen en wie iedere zin afzonderlijk tot zich door wil laten dringen, mag niet teleurgesteld worden. En dat word je niet. Ook in deze bundel geniet je van zijn muzikaliteit, eigenzinnige syntaxis en beelden waarop alleen hij het patent heeft: ‘want handen zijn de woorden van het lichaam / zoals ogen de handen van het denken zijn’, en bij het ontwaren van een ‘anatomie van zekere coördinaten ( … ) spitst wat geen oog hand of oor heeft zijn existentie.’ Af en toe spat het taalplezier van de bladzijden af. In drie prozafragmenten – misschien kun je beter spreken van prozagedichten – geeft hij karakteristieken van liefde en seks in alfabetische volgorde: ‘Seks als aalmoes. Liefde ademt. Seks als antwoord. Arme verliefdheid. Liefde belazert. Seks als beschaving. Seks als besmetting. Liefde bevliegt. Seks als bezwering. Seks als Bildung. Liefde bindt. Seks als bron van liefde. Brute verliefdheid.’
Het is niet altijd even makkelijk om het alfabet vol te maken: ‘( … ) Seks als wraak. Waar vind ik een werkwoord met x? Seks als xenofobie. Xenofyte verliefdheid. ‘Xenofyte verliefdheid?’ Waar vind ik een werkwoord met y? Seks als yoga.’

Steencirkels is een van de zeldzame bundels die je nog lang niet uit hebt als je hem hebt gelezen, ook niet als je dat al twee keer hebt gedaan. Het epos blijft doorwerken in je hoofd. Gerbrandy is een dichter van de buitencategorie.

***
Piet Gerbrandy (1958) is classicus, dichter, essayist en schrijver. Daarnaast is hij poëziecriticus bij De Groene Amsterdammer en redacteur van De Gids. Hij ontving onder andere de Frans Kellendonk-prijs voor zijn gehele oeuvre (2005) en de Jan Campert-prijs voor Vlinderslag (2014). In 2015 verscheen Voegwoorden, zijn verzamelde gedichten.